Toptoneel in Beieren

‘Fremd bin ich eingezogen…’

Er loopt een directe lijn tussen Amsterdam en theaterstad München. Komend seizoen is een deel van het repertoire van de Münchner Kammerspiele in Amsterdam te zien. Loek Zonneveld ging nu al een week kijken.

WE HEBBEN het in de grote Jugendstilzaal van het Schauspielhaus Münchner Kammerspiele voor het uitkiezen. Voor de eerste keer deze week is er plaats genoeg. Het publiek dat een abonnement heeft is vanavond maar voor tweederde komen opdagen. De zaal lijkt voor deze voorstelling ook nog eens kleiner en intiemer gemaakt dan ze van zichzelf al is: het zwarte brandscherm blijft dicht, boven de eerste zeven rijen parketplaatsen is een eenvoudige houten speelvloer gelegd. Rechts staan een tegen elkaar geschoven piano en harmonium geheel in plastic verpakt, daarachter de musicus Jan Czajkowski, in oorwarmers, wanten en skipak. Overal in de foyers en in het auditorium klinkt het geruis van een winterse bries. Als de deur van het brandscherm opengaat wordt toneelspeler Stefan Hunstein in volle bepakking door een snijdend koude sneeuwstorm de plankieren op gekatapulteerd. Hij vertolkt de melancholische openingsmonoloog: ‘Alles is weg. Ik herinner me al niet meer dat ik ooit iets op die deur daar geschreven heb, wat voorbij is kan men weliswaar kennen, men heeft het immers beleefd, maar wat ooit geschreven werd is in de tegenwoordige tijd niet meer geldig.’
Aan het woord is Elfriede Jelinek. Men speelt hier Winterreise, een massieve nieuwe tekstconstructie van de Oostenrijkse Nobelprijsdrager. Honderdtwintig pagina’s proza, als altijd zonder aanduiding van personages, plaatsen, handelingen. Als altijd vol subtiele verwijzingen naar actualiteiten en naar voorvallen uit haar autobiografie. Deze keer ook met echo’s uit Schuberts gelijknamige verklanking van Wilhelm Müllers verzenreeks. Plus enkele Heidegger-verhaspelingen ('Sein, Weib und Zeit’), de kredietcrisis, de bankschandalen, en het beroemde slachtoffer van een ontvoering, ooit beschamend Oostenrijks wereldnieuws.
De door Johan Simons uit Vlaanderen naar München gehaalde acteur Kristof Van Boven speelt Natascha Kampusch, met citaten uit haar dagboek 3096 Tage Gefangenschaft, waarin ze vertelt over haar leven in de kelders van de Oostenrijkse griezel Wolfgang Priklopil, die haar vanaf 1998 acht jaar gevangen hield. Haar medespelers spreken de teksten van de Oostenrijkse kleinburgers die Kampusch bij haar ontsnapping in 2006 weigerden te helpen en de politie alleen belden omdat het meisje van achttien in paniek over hun keurig geschoren gazons rende. 'Wij hebben afleiding bij haar gezocht, wij hebben aan haar noodlot gelikt zoals dieren aan zout, maar zij interesseert ons niet meer. Ze is een slachtoffer en wij willen hier geen slachtoffers.’
In treurige meisjeskleren, met een emotieloos hospitaliseringsgezicht en de ingehouden-panische gestiek van een autiste geeft Kristof Van Boven prachtig vorm aan de lang opgesloten en nu volledig buitengesloten figuur. 'Fremd bin ich eingezogen/ Fremd zieh’ ich wieder aus’, de door Schubert getoonzette dichtregels zijn thema, motto en stof voor deze raadselachtig droevige en stille toneelavond. Benny Claessens, de Vlaamse toneelspeler die door Simons naar München is gehaald, speelt in een uitzinnige zwarte damesuitmonstering met verve en de hem toevertrouwde bravoure de failliete bruid die uitgehuwelijkt moet worden. Bij Elfriede Jelinek is zij de verpersoonlijking van de Hypo-Bank Alpe Adria uit Karinthië, ooit de huisbankier van de rechts-radicale FPÖ-politicus Jörg Haider, onlangs opgekocht door de Beierse Landesbank, een onfris ruikend zaakje dat de Zuid-Duitse belastingbetaler een slordige 3,7 miljard euro heeft gekost.
Jelinek voert sinds haar Kontrakte des Kaufmanns (in Gent ook al door Johan Simons geregisseerd) in bijna ieder nieuw stuk een saillant voorbeeld van de actuele economische crisis ten tonele. Eén personage kan door die maatschappelijke malheur niet meer worden ingehaald. Het is De Vader, vertolkt door de oudste en mooiste acteur op het ruwhouten speeltoneel, André Jung. Tot aan de pauze blijft hij stil, hij kijkt. In de pauze blijft hij op het toneel, starend in het niets, zacht voor zich uit sprekend. Na de pauze neemt hij het woord. De laatste buitengeslotene is hij, de vreemd gewordene, de dementerende vader.
De première van Winterreise was in februari, Jelinek woonde een try-out bij en zag dat het goed was, de Duitse pers maakte vervolgens bijna unisono gehakt van de voorstelling. De Süddeutsche Zeitung beschuldigde Simons van het 'vertrappen’ van Jelineks fijnzinnige tekst, de niet voor nuances in de wieg gelegde criticus van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Gerhard Stadelmaier, opende zijn recensie met: 'Von diesem Abend ist vieles (das meiste) zu vergessen’, de rest van zijn filippica liet zich raden.
Maar dat was maanden geleden. Intussen is de voorstelling met succes in Berlijn op Gastspiel geweest, de schrijver heeft een prestigieuze prijs voor de tekst ontvangen. En in München is het gevecht om de herovering van het publiek gestart. De stemming in de zaal is vanavond bij aanvang gereserveerd, koeltjes bijna. In de loop van het eerste van de drie uur die Winterreise duurt slaat de stemming om, er wordt gelachen, bij sommige tekstpassages valt het muisstil, in de pauze is er een lichte opwinding, veel mensen blijven in de grote zaal om te zien wat André Jung, een publiekslieveling, die tot dan toe nog geen woord heeft uitgebracht, op het podium blijft doen. Het deel na de pauze is adembenemend mooi, vooral door de stille monoloog van Jung. En na de laatste teksten en de donkerslag is er een soort ontlading, het applaus is, om in de sfeer van de avond te blijven, stormachtig, de acteurs worden acht keer teruggeroepen en - dat gebeurt hier namelijk nooit - een enkeling gaat van puur enthousiasme staan.

JOHAN SIMONS wordt op handen gedragen door zijn ensemble (33 vaste toneelspelers, zo'n twintig gasten). Dat ensemble is er ongetwijfeld ook primair verantwoordelijk voor geweest dat hij naar München is gehaald. Na negen jaren (2001-2010) onder de niet-regisserende intendant Frank Baumbauer was de troep van de Münchner Kammerspiele weer toe aan een artistiek directeur die met de zweetgeur van het repetitielokaal uit eigen ervaring vertrouwd is. Simons kon zich ongetwijfeld goed vinden in de twee pijlers van het programma van zijn voorganger: toneel als plek voor discours over de tijd, plus een energieke esthetische mix van traditie en experiment. Maar hij denkt, zeggen ze hier, meer schauspielerisch, zijn intuïtie is slimmer én humanistischer dan bij zijn ambitieuze voorganger.
Simons heeft toneelspelers 'meegenomen’, onder wie Pierre Bokma, Jeroen Willems, Elsie de Brauw en Chris Nietveld en niet te vergeten zijn losse, meer verantwoordelijkheid aan de acteurs overlatende aanpak in het repetitielokaal. Zijn troep bespeelt een aantal zalen die op slenterafstand van elkaar in het hart van München liggen: het Schauspielhaus, een monumentaal beschermd erfgoed uit 1901 met een capaciteit van zo'n zevenhonderd toeschouwers, en twee kleinere zalen in de nieuwbouw aan de achterzijde van dat grote huis.
De Münchner Kammerspiele heeft een rijke traditie (Brecht, Kortner, Kroetz, Achternbusch, Tabori, Dorn), het is ooit gestart als particulier initiatief van de Münchner burgerij en in 1939 door de stad München overgenomen, die het ensemble nu jaarlijks met 32 miljoen euro ondersteunt. Maar wel onder de spijkerharde conditie dat daar ieder seizoen zo'n vijf miljoen euro publieksinkomsten tegenover staat.
Bij zijn aantreden, in de zomer van 2010, wilde Simons met een schone lei beginnen, dus: nieuw repertoire. Dat wil iedere verse intendant, het is in hoge mate af te raden en ook deze keer niet gelukt. In het Duitse repertoiresysteem, waarin ensembles nauwelijks reizen en op volcontinu-basis hun eigen stads- of regiopubliek in eigen zalen 'bedienen’, moet dat publiek wat overgangstijd gegund worden om aan de nieuwe artistieke directie te wennen. Simons heeft dus eieren voor zijn geld gekozen en een paar 'topnummers’ uit het repertoire van zijn voorganger gehandhaafd. Tijdens ons bezoek zien we er daar één van, gemaakt door Andreas Kriegenburg, een van de toonaangevende regisseurs in het Duitse taalgebied: een poging, de zoveelste én een van de best geslaagde, om Kafka’s Der Prozess op het toneel te brengen. De voorstelling, uit 2008, is ondertussen legendarisch, werd in Berlijn op het Theatertreffen getoond, hier in München is het een publieksvoltreffer, het Schauspielhaus is dan ook tot de laatste plaats uitverkocht. Deel van de legende is het decor. Op het podium staat een enorm oog met een grote pupil, uit dat kijkgat reikt een tweede podium, dat als een reusachtig rond dienblad, met daarop bureaus, stoelen en (na de pauze) bedden, nagenoeg alle kanten op kan bewegen, terwijl de toneelspelers zich er in een permanente choreografie van de meest onwaarschijnlijke slapstick-omwentelingen op bewegen. Met z'n achten, meestal vermomd als besnorde mannetjes, zijn ze de vertellers en vertolken ze alle personages. Ze lijken de passages die uit Kafka’s tekst worden gebruikt ook allemaal te kennen, nemen teksten van elkaar over alsof het een partijtje squash is.
Alles wordt met scherpe timing gespeeld en is heel precies in mise-en-scène gezet, tekstbehandeling en dictie, geregisseerd op betekenis en op ritme, zijn als het ware gearrangeerd en gedirigeerd, er wordt van Kafka kamermuziek gemaakt, het geheel wordt met veel speelplezier en zeer geestig naar het auditorium getild. Het beroemde verhaal bijvoorbeeld van de schilder Titorelli, die de arme Josef K. probeert uit te leggen hoeveel soorten vrijspraak er wel bestaan in de rechtsstaat waarin hij is gearresteerd, is een onweerstaanbaar nummer retorica-variëté door actrice Annette Paulmann en oogst terecht een van de vele open doekjes. Je voelt hier een van de belangrijke onderliggende krachtlijnen van het Duitse theater: Bildung, het toneel als plek om geamuseerd (Brecht: 'mit Vergnügen’) kennis te nemen van gemeenschappelijk cultuurgoed. En daar is, althans in dit land, het toneel mede voor uitgevonden.

DE MÜNCHNER Kammerspiele heeft een publiek van alle leeftijden. Qua toneel worden de allerjongsten in deze stad onder meer bediend in de Schauburg, door Theater der Jugend, een in 1953 opgericht, klein en autonoom werkend gezelschap, dat formeel onder de jurisdictie van de Kammerspiele (en dus onder het directoraat van Johan Simons) valt, maar geleid wordt door een tweede intendant uit Nederland, George Podt. In de jaren zeventig en tachtig was hij mededirecteur van het Nederlandse jeugdtheatergezelschap Wederzijds en hier is hij al twintig jaar een succesvol theaterleider. Zijn toneelhuis is een vrolijk beschilderde schouwburg aan de Elisabethplatz, aan de rand van de studenten- en kunstenaarswijk Schwabing. Er zit een grote vlakke-vloer-zaal in met ruim 250 zitplaatsen, repetitieruimtes, kantoren, in de kelder een café en op zolder een zaaltje voor voorstellingen op studioformaat voor de allerkleinsten.
Als wij op bezoek zijn hebben ze net een première uitgebracht, Paranoid Park naar de Amerikaanse roman van Blake Nelson (in 2007 door Gus Van Sant verfilmd), voor het toneel bewerkt en geregisseerd door Beat Fäh, een van de huisregisseurs. De productie, die zowel ’s morgens voor scholen als ’s avonds in vrije voorstellingen wordt gespeeld, is gemaakt voor pubers vanaf twaalf jaar. De ik-figuur uit de vertelling is een ogenschijnlijk doodgewoon joch van een jaar of zestien met een paar goeie vrienden, waaronder eentje die net zo'n fanatieke skater is als hij. Hij ondergaat wat lijdzaam een kalverliefde, die overigens nooit iets kan worden omdat zíj niks van skaten snapt, hij heeft ouders die min of meer in scheiding liggen, wat nogal wat stress oplevert. Zijn belangrijkste vluchtplek is Paranoid Park, een illegale ontmoetingsplek voor skaters, maar ook voor nogal weirde streetkids waarover de raarste geruchten de ronde doen, vandaar die naam, Paranoid Park. En precies op die plek is de ik-figuur betrokken bij een ongeluk waarbij een medewerker van een particulier bewakingsbedrijf op een gruwelijke manier om het leven komt. Vanaf dat moment wordt het leven van de jongen een ware hel. Een vriendin, die ziet dat hij doordraait in aanvallen van paniek en angst, leugens en schuldgevoelens, zonder dat ze weet waarom en waardoor, raadt hem aan brieven te schrijven over wat hem dwars zit. Die zelfbekentenissen, zeven brieven in zes dagen, vormen de basis van Nelsons hallucinerende roman Paranoid Park.
In de voorstelling die er in München van is gemaakt, zijn die brieven verhalen geworden, via die verhalen kruipen we als het ware in het hoofd van de ik-figuur en tollen daar de hele tijd in rond. De zes acteurs en actrices zijn - net als in de Kafka-voorstelling bij de Kammerspiele - allemaal vertellers én personages, eentje speelt de dolgedraaide puber, de rest zijn omstanders: beste vriend, vader, een vriendinnetje waarmee hij seks heeft, de vriendin die met de goeie raad komt, een geheimzinnige skater, de rechercheur, de man van de bewakingsfirma. Tussen het publiek, in een kooi, zit een musicus die op de adem van het spel levende muziek maakt, een spooky klankdecor. De vormgeving is sober en effectief: een kale ruimte vol hekken en roosters. En: er zijn geen spectaculaire skatersprongen, in de eerste minuten rollen twee jongens even voorbij op hun skateboard, en dat was het dan. Verder is de voorstelling een bloedspannende exercitie in tekst, veel tekst, 105 minuten, zonder pauze, een waagstuk voor dit publiek.
Het programmablad schrijft: 'Einerseits ist das schwer zu ertragen, andererseits ist es ehrlich.’ Het is een geconcentreerd gespeelde productie, de jonge acteurs bij dit gezelschap zijn goed getraind in de combinatie van vertellend spelen en een fysieke manier van spelen.
Ik zie de voorstelling drie keer, twee schoolvoorstellingen en één vrije. De pubers en hun leraren komen ’s morgens georganiseerd met trams, bussen en treinen naar het theater toe, krijgen daar een korte inleiding (niet verplicht), zien de voorstelling en reizen weer af. De vrije voorstellingen in de avond noemt de Schauburg al een aantal jaren Dialog der Generationen, mensen van alle leeftijden die uit de buurt, de stad, de regio samen naar de voorstelling komen, ouders met kinderen, vrienden en vriendinnen, na afloop is het café open. En: het is hier vrijwel altijd uitverkocht; in de 2011-editie van de feitengids Absolut München! heeft de Schauburg de nummer-één-plaats als het om de bezettingsgraad van het theater gaat, 97,5 procent, nog vóór de Staatsopera (93,2 procent) en het Volkstheater (78,4 procent). In de maand dat ik er ben worden er 21 schoolvoorstellingen (’s morgens) gegeven, waarvan tien in de zolderzaal (voor de allerkleinsten), en 25 vrije avondvoorstellingen (waarvan negen 'Gastspiele’). Het ideaal van directeur George Podt is om over een paar jaar geen schoolvoorstellingen en alleen nog maar vrije voorstellingen te hebben. Hij runt een klein toneelbedrijf waar relatief weinig mensen hard werken aan een veelzijdig repertoire, waar ook klassieke auteurs als Schiller en Wedekind een prominente plek innemen. Een mooie versie van Die Räuber is net uitgespeeld, de bekende Wedekind-tekst Frühlings Erwachen over ontluikende seksualiteit wordt hier gespeeld met de ondertitel 'Live Fast - Die Young’. En voor de hele familie worden door een andere huisregisseur, Peer Boysen, de Vikingstrips van Hal Foster (Prins Valiant) bewerkt tot een feuilleton onder de titel Prinz Eisenherz, het eerste deel Die Sage vom singendes Schwert is al uit, deel 2 volgt in januari.

EEN PAAR honderd meter van Johan Simons’ Münchner Kammerspiele is het concurrerende toneelgezelschap gevestigd, het Bayerisches Staatsschauspiel - probeer dat maar eens in vlekkeloos Duits uit te spreken, voorbijgangers oefenen vast op de website van het door het land Beieren ondersteunde gezelschap. In oktober begint daar de nieuwe artistiek directeur, Martin Kusej, met een ambitieus programma: een nieuw ensemble van zo'n vijftig toneelspelers, waaronder nogal wat sterren uit de grote Duitse en Oostenrijkse gezelschappen, ruim twintig premières in het eerste seizoen (in de openingsmaand meteen vijf). 'Wij ensceneren alleen theaterteksten’, belooft de nieuwe intendant van Beieren. 'Roman- en filmbewerkingen doen we niet, daarmee presteren ze aan het eind van de straat bij Johan Simons al goed genoeg.’
Kusejs eerste première is Der einsame Weg van Arthur Schnitzler, een paar dagen na het startschot van Simons’ tweede seizoen: E la nave va, een bewerking van het scenario van de gelijknamige film van Federico Fellini. Een paar weken later gaat de maandelijkse leesmarathon met het hele ensemble van de Münchner Kammerspiele van start, Hotel Europa naar het boek In Europa van Geert Mak. De twee Europees georiënteerde artistiek leiders zijn aan elkaar gewaagd. En hun spel staat nu definitief op de wagen.