Eva Weissweiler, Die Freuds, Biographie einer Familie

Freud en de zijnen

Medium coverfreud 2

Eva Weissweiler
Die Freuds: Biographie einer Familie
Kiepenheuer & Witsch, 479 blz., € 26,95

Het is ongetwijfeld te danken aan het Freud-jaar dat er een nieuwe Freud-biografie is verschenen, van de hand van Eva Weissweiler, de bekende biografe van Clara Schumann. Maar is er wel iets nieuws over Freud te vertellen? Zeker zolang de komende honderd jaar dankzij dochter Anna nog veel in The Library of Congress achter slot en grendel blijft, is dat de vraag. Dezelfde Anna liet passages uit de wél gepubliceerde briefwisseling van haar vader schrappen als die een minder gunstig licht op haar vaders karakter wierpen. Des te verheugender is het dat Weissweiler tot nog toe onbekende feiten opdiept en verse, vaak Duitse, bronnen raadpleegt. Ze biedt daarmee een fris perspectief op Freud en de zijnen. Niet alleen krijgt het dagelijks leven op de Berggasse in Wenen, in het donkere sombere huis met de burgerlijke Victoriaanse meubels, reliëf, ook het vaak droevige lot van de vele familieleden komt uitvoerig aan bod. De vrouwen in Freuds leven krijgen meer aandacht dan in vorige biografieën het geval was. We komen interessante details over Martha, Freuds echtgenote te weten. Noch bij Ernest Jones, Peter Gay of Ronald W. Clark, zijn drie bekendste en volledigste biografen, was dat het geval. Een uitzondering is Freuds laatste grote biograaf Louis Breger, die schrijft dat Martha na het vijfde kind verder seksueel contact weigerde.

Weissweilers visie is streng en kritisch, zonder persoonsverheerlijking, wat verfrissend en relativerend werkt. Overigens beweert zij dat Freud wél een verhouding had met zijn schoonzus Minna, met wie hij vaak op reis ging. Maar van een abortus, zoals speurneus Peter Swales beweerde, zou geen sprake zijn. Neen, Freud zou anaal verkeer met haar hebben gehad, teneinde zwangerschap te voorkomen. Een gratuite bewering waarvoor zij geen enkel bewijs aandraagt, behalve haar ongeloof in de kuisheid van de betrokkenen. Misschien leuk voor sensatiezoekers, maar hoe interessant is het eigenlijk? Mij lijkt eerder dat de lelijke Minna een remedie tegen de liefde was. Ze ging mee om voor de verwende Freud te zorgen. Martha kan het reizen van haar man met haar zuster als onplezierig hebben beleefd, ook zonder dat de twee een fysieke relatie onderhielden. Dat Freud zich weinig van de mening van zijn vrouw aantrok, moge blijken uit het feit dat hij honden hield hoewel Martha daar eczeem van kreeg.

Voor Minna, die meestal beschreven wordt als geïnteresseerder en ontwikkelder dan Martha, heeft Weissweiler geen goed woord over. Ze schildert haar af als een bazige draak die niet van kinderen hield, Martha van haar plaats verdrong en de telefoon opnam met: «Hier Frau Professor Freud.» Zij kostte de Freuds bovendien veel geld, bracht niets in en ging frequent naar dure Kurorte, vanwege alle mogelijke kwaaltjes.

Weissweiler gaat uitvoerig in op de relatie tussen Freud en zijn dochter Anna. Hij hield haar af van leren en studeren, dat vond hij voor een vrouw niet nodig. Zij was het jongste, zesde, ongewenste kind en min of meer voorbestemd om later voor haar ouders te zorgen. Freud nam haar zelf in analyse, wat in die tijd niet ongewoon was, maar misbruik blijft het. Op die manier slaagde hij erin haar levenslang aan zich te binden en haar voor zijn eigen doelen in te zetten. Hij publiceerde zelfs over haar geval, weliswaar niet met name genoemd, maar voor ingewijden herkenbaar en voor Anna pijnlijk. Al heeft Weissweiler geen gelijk als zij stelt dat Anna ook verborgen wordt achter het door Freud beschreven geval van vrouwelijke homoseksualiteit.

Een gedegen of deugdelijke opleiding heeft Anna moeten missen. Desondanks ging zij aan het werk als onderwijzeres op een privé-schooltje. Zij bestudeerde ijverig alles wat Freud schreef en mocht haar vaders, soms vrouwonvriendelijke, voordrachten voorlezen op congressen. Hij zelf was daar, na 1920, vanwege een kankergezwel in zijn mond te ziek voor. Vanaf die tijd verpleegde Anna haar vader en verschoonde regelmatig zijn verhemelteprothese. Anna slaagde erin een eigen plaats als psychoanalytica van kinderen te verwerven, door haar kliniek in Londen en haar vele publicaties. Haar leven lang bleef zij haar vaders ideeën trouw. Haar grote rivale was Melanie Klein, de beroemde en vernieuwende psychoanalytica die al in Londen woonde voordat Anna daar neerstreek. Wat betreft Anna’s privé-leven stelt Weissweiler ronduit dat Anna lesbisch was, hetgeen Elisabeth Young-Bruehl, haar voortreffelijke biograaf, wijselijk in het midden laat. Of Anna de liefde bedreef met Dorothy Burlingham, haar levenslange partner, zullen we nooit weten.

Weissweiler heeft niet alleen veel op Freuds omgang met vrouwen aan te merken, ook bekritiseert zij het feit dat hij in de begintijd van de psychoanalyse zijn vrouwelijke patiënten hysterisch noemde en alles verklaarde in termen van hun seksualiteit, terwijl het vaak om heel andere problemen ging. Vrouwen mochten weinig anders dan wachten op een geschikte huwelijkspartner. Ze waren aan huis gekluisterd, want zonder chaperonne konden zij de straat niet op. Ze werden als onmondige kinderen behandeld en waren veroordeeld tot doelloosheid en verveling.

Freud was tegen tederheid en lijfelijkheid met kinderen, en verbood dat aan zijn vrouw. Zelfs mijn vader, die in de jaren twintig in Wenen medicijnen studeerde, nam dat idee over. Freud schreef niet met veel waardering over zijn kinderen en kleinkinderen. Voor zijn drie zoons had hij nauwelijks aandacht of interesse. Hij was te druk met zijn eigen zaken. Qua egocentrisme doet hij niet onder voor een figuur als Thomas Mann, die ook een groot gezin had waar hij nauwelijks naar omkeek.

Weissweiler neemt vader en dochter Freud kwalijk dat zij vakmatig naar familieleden keken en alles en iedereen over een psychoanalytische kam schoren. Ze hadden snel een vernietigend oordeel over allerlei mensen in de vorm van een diagnose, en waren ondertussen ongevoelig voor de noodsignalen uit de familie.

Weissweiler schetst het beeld van een dominante patriarch die anderen niet al te veel ruimte liet. Ondanks deze ontnuchterende kritiek blijft óók het beeld van een groot genie overeind, uitglijders ten spijt. Met de inzichten van Freud heeft de wereld inmiddels ruimschoots haar voordeel gedaan, maar daar gaat dit boek niet over. Deze biografie leest als een detectiveroman, is spannend en goed geschreven, rijk gedocumenteerd en van een voortreffelijk notenapparaat voorzien.