Sigmund Freud

Freud langs de meetlat

Ter gelegenheid van het verschijnen van het volledige vertaalde oeuvre van Sigmund Freud in Nederland herleest Hans Driessen voor De Groene Amsterdammer deze zomermaanden het werk van de psychoanalyticus. Deze week deel 2.

Tekening PJ Roggeband

Medium opening

Sigmund Freud
Werken
Bezorgd door Wilfred Oranje, Boom, € 999,95

Het is al zo vaak gezegd dat het bijna een cliché is geworden: de twintigste eeuw is de eeuw van Sigmund Freud. Geen andere denker heeft zo veel invloed gehad op het zelfbeeld van de twintigste-eeuwse mens.

Freud heeft ons zelfreflexief gemaakt. Door zijn toedoen heeft de westerse mens definitief zijn onschuld, of misschien beter, zijn hoogmoed verloren: we zijn niet meer baas in eigen geest. Nu is dit natuurlijk niet de verdienste van Freud alleen, hoewel hij onbescheiden genoeg was om de eer voor zichzelf op te eisen. Filosofen als Schopenhauer en Nietzsche hadden voor hem de weg gebaand. Zij hadden het vertrouwen in de oppermacht van de menselijke geest al ondermijnd. Daarmee brachten ze de mensheid, na de eerste twee narcistische krenkingen, namelijk dat de aarde niet het centrum vormt van het heelal (Copernicus) en dat de mens slechts een dier is onder andere dieren (Darwin), de derde toe.

Freud is op dit punt dus eerder een popularisator dan een origineel denker. Het is aan hem te ‘danken’ dat de gedachte dat het gedrag van de mens niet zo rationeel en bewust is als hij wenst te geloven, gemeengoed is geworden; het is zijn verdienste en die van zijn onvermoeibare apostelen dat begrippen als oedipuscomplex, verdringing, sublimatie, overdracht enzovoort onderdeel zijn geworden van het dagelijks taalgebruik. Het psychoanalytische taalspel is niet meer weg te denken, en dat niet alleen binnen de psychologie maar ook in het algemene hedendaagse discours. Het is niet overdreven te stellen dat het freudianisme verreweg de succesvolste psychopolitieke beweging van de twintigste eeuw is gebleken, veel succesvoller dan haar concurrent, het marxisme-leninisme, dat in de twintigste eeuw eerder een vervalsgeschiedenis dan een succesgeschiedenis doormaakte en in het laatste decennium daarvan definitief naar het knekelveld van de geestesgeschiedenis werd verwezen.

Het succes kwam echter niet vanzelf. De stelling dat de twintigste eeuw de eeuw van Freud is, is immers nog in een tweede zin waar: er is in die eeuw geen denker geweest die zo veel weerstand heeft opgeroepen. De medische stand vormde een gesloten bolwerk. Men was gewend om zenuwziekten volledig toe te schrijven aan organische of functionele gebreken. Van psychologie of psychiatrie als zelfstandige medische discipline met eigen, zuiver psychologische behandelmethoden was nog geen sprake. Psychologie was niet meer dan toegepaste fysiologie en de behandeling van psychische ziekten beperkte zich tot lichaamsgerichte ingrepen. Freud moest twee inzichten zwaar op de gevestigde medische wetenschap bevechten. Ten eerste dat het psychische leven een eigen dynamiek bezit en dat psychische stoornissen een uitvloeisel zijn van de verstoring van die dynamiek. Ten tweede dat de behandeling van stoornissen als hysterie, neurose en psychose door middel van analyserende gesprekken konden worden bestreden of zelfs volledig genezen.

Maar hoezeer hij er ook voor heeft geijverd, zijn ontdekkingen heeft hij binnen de medische wetenschap nooit aanvaard gekregen. Men nam hem daar niet serieus; hij werd doodgezwegen. En hoewel hij privaatdocent en later buitengewoon hoogleraar was aan de Weense universiteit bleef de academische wereld, zeker die van Wenen, voor hem gesloten; hij werkte, zoals hij het zelf graag uitdrukte, in ‘splendid isolation’ (het antisemitische klimaat in het door de beruchte jodenhater Karl Lueger geregeerde Wenen speelde hierin ongetwijfeld ook een rol). Het gebrek aan erkenning binnen de medische wetenschap heeft Freud zijn leven lang dwarsgezeten. Hij ervoer het als een pijnlijke nederlaag.

De erkenning kwam van een andere kant. Het waren aanvankelijk vooral medische randfiguren, vaak onorthodoxe theoretici, zoals Josef Breuer, of zelfs medische fantasten, zoals Wilhelm Fließ, van wie Freud het in zijn begintijd moest hebben. Daarnaast waren er de praktiserende psychiaters of psychologen die onder de indruk raakten van Freuds therapeutische successen en zelf de analytische methode gingen toepassen. Maar de grootste verspreiding vond de psychoanalyse, of beter gezegd Freuds mensbeeld, door toedoen van schrijvers en kunstenaars, en door geesteswetenschappers in de breedste zin van het woord. Door Freuds model toe te passen op hun wetenschapsgebieden, de literatuur en de beeldende kunst, de godsdienst en de cultuur, de archeologie en de prehistorie kwamen ze tot nieuwe en vruchtbare inzichten.

Maar tegelijk met de brede verspreiding van Freuds ideeën kwam er ook een tegenbeweging op gang. Anders dan binnen de medische wetenschap, waar Freud voornamelijk werd doodgezwegen, werd hij door sommige cultuurwetenschappers te vuur en te zwaard bestreden, die daarbij vaak ijverig werden geholpen door prominente afvalligen van de psychoanalytische beweging, zoals Carl Gustav Jung, Alfred Adler en Wilhelm Stekel (zij legden het renegatengedrag aan de dag waarop de ex-communisten het patent leken te hebben). In deze strijd werden dezelfde beschuldigingen geuit waarmee de burgerlijke wetenschap het marxisme probeerde onderuit te halen: onwetenschappelijkheid, eenzijdig materialisme, monisme (het economisme van Marx, het zogenaamde panseksualisme van Freud).

Bovendien was Freuds theorie over de allesbepalende rol van de seksualiteit een klap in het gezicht van vooral het mannelijke deel van de burgerij, dat al moeite genoeg had om de oproerige hormonen onder de deksel van de ‘goede zeden’ te houden (om ze overigens in het verborgen circuit van de prostitutie de vrije loop te laten). Niets wekt meer agressie dan wanneer het huichelachtige masker van de moraal wordt afgerukt. Steeds wanneer Freud het verwijt van ‘panseksualisme’ naar zijn hoofd gesmeten krijgt, moeten we ons daarbij de brave burger voor de geest halen die zich in zijn valse eer aangetast voelt. Een ander onverteerbaar affront voor de christelijk-burgerlijke klasse was Freuds genadeloze kritiek op het verschijnsel godsdienst. Vooral op dat punt zijn de aanvallen, waarbij vaak onverbloemd de antisemitische kaart wordt gespeeld, rabiaat. Zo schrijft de veelgelezen Weense cultuurhistoricus Egon Friedell (overigens zelf jood en vroeg nazi-slachtoffer) in 1927 over Freud dat hij ‘uit instinctieve haat de religieuze ideeën uit het bewustzijn van zijn medemensen wil elimineren, omdat hij onbewust weet dat hij als jood – dat wil zeggen als typische homo irreligiosus – op dit gebied niet met de “anderen” kan concurreren’. Een fraaie mengeling van joodse zelfhaat en wilde psychoanalyse.

Als we even afzien van de periode van het nationaal-socialisme en de Tweede Wereldoorlog, waarin de psychoanalytische beweging uiteraard zwaar onder vuur kwam te liggen en de wijk moest nemen naar de Angelsaksische wereld, kwam de tweede golf van Freud-kritiek (nu heel modern Freud_-bashing_ genoemd) eind jaren zeventig van de vorige eeuw op gang. Het geestelijke klimaat was heel anders dan in de jaren twintig en dertig. Zeker na de seksuele revolutie haalde niemand het meer in zijn hoofd Freuds vrijmoedige kijk op de seksualiteit te kritiseren. Ook zijn godsdienstkritiek wekte geen verontwaardiging meer: God was onder intellectuelen al lang officieel doodverklaard en eerder dan allerlei moderne theorieën te verketteren deden de theologen juist hun best ze in hun godsdienstopvatting te integreren. En na de Tweede Wereldoorlog waagde niemand meer het woord joods in kritische zin te bezigen.

De kritiek spitste zich nu toe op de onwetenschappelijkheid, de ‘vrouwvijandigheid’ en de therapeutische waarde van de psychoanalyse. Daarbij kwam, meer dan tijdens de eerste golf van Freud-kritiek, de persoonlijke integriteit van Freud ter discussie te staan: hij zou de feiten aan zijn theorie hebben aangepast, hij zou aan cocaïne verslaafd zijn geweest, hij zou een buitenechtelijke affaire hebben gehad met zijn schoonzus (herkomst van dit gerucht: de renegaat Carl Gustav Jung), hij zou zijn analyses rekken om zijn patiënten zo veel mogelijk geld uit de zak te kloppen. Al deze beschuldigingen zijn gebaseerd op roddel en achterklap en zijn geen van alle bewezen.

In 1984 lanceerde Jeffrey Masson, ex-medewerker van het Freud-archief, de tot dan toe hevigste aanval op de persoon van Freud. Het draaide allemaal om diens verleidingstheorie. In het begin van zijn therapeutische carrière ging Freud ervan uit dat hysterie het gevolg is van een traumatische seksuele ervaring in de kindertijd, lees: de verkrachting door een volwassene. Later liet Freud deze theorie om verschillende, op therapeutische ervaringen gebaseerde redenen vallen. Masson beweert dat Freud uit opportunisme afstand had gedaan van zijn verleidingstheorie: omdat ze bij zijn collega’s niet goed viel; omdat hij de brave huisvaders niet voor het hoofd wilde stoten; omdat ze eigenlijk te simpel en te doeltreffend was, waardoor de analyse te snel beëindigd zou zijn en er dan niet genoeg geld viel te verdienen. Hoezeer Massons argumenten ook omstreden zijn en vaak zelfs alleen maar op rancune berusten, zijn aanval heeft grote gevolgen gehad voor de reputatie van Freud en de psychoanalyse. Hij zette daarmee een trend. In de late jaren tachtig en negentig was het heel modieus om de vloer aan te vegen met Freud. In Nederland waren het vooral Karel van het Reve (die zich ook op dit punt een kloon van Nabokov toonde) en Han Israëls (met veelzeggende titels als Het geval Freud en De Weense kwakzalver) die lucht gaven aan hun afkeer van Freud en de psychoanalyse.

En dan is er natuurlijk nog de vrouwenbeweging. Alleen al de term ‘penisnijd’ is begrijpelijkerwijs voldoende om de al dan niet feministische vrouwen op hun achterste benen te doen staan. Ook grepen zij Massons argumenten met betrekking tot de verleidingstheorie aan om Freud te denunciëren als een typisch geval van mannelijk-seksistische theorievorming.

Als we nu, aan het begin van de 21ste eeuw, de balans opmaken, kunnen we er niet omheen dat Freud niet meer erg lekker ligt in het wetenschappelijke, semi-wetenschappelijke en pseudo-wetenschappelijke discours. Freud heeft als wetenschapper en persoon bij de meeste ‘intellectuelen’ afgedaan. In zoverre kun je zeggen dat Masson en zijn navolgers de overwinning hebben behaald. Wat daarbij wel opvalt is dat de modieuze Freud-tegenstanders hun mening baseren op gegevens uit de tweede hand, dus inderdaad op Masson en zijn navolgers en hier in Nederland op Van het Reve en Israëls. Meestal hebben ze trouwens niet eens een mening maar voelen ze perfect aan dat het niet meer cool is je in gunstige zin over Freud uit te laten. Hier doet zich het verschijnsel voor dat voor elke autoriteit, op welk gebied dan ook, het moment aanbreekt dat op vlugge en gemakkelijke roem beluste half-intellectuelen hem van zijn voetstuk zullen proberen te stoten, bij welke pogingen ze geen middel plegen te schuwen.

Er is maar één manier om ons nu, na de spreekwoordelijke eeuw van Freud, een oordeel te vormen over de wetenschappelijke verdiensten en feilen van Sigmund Freud, en dat is terug te gaan naar de bron, met andere woorden Freud te lezen. En dat is beslist geen zware opgave, want hij wist de pen te hanteren – iets wat je van de meeste hedendaagse wetenschappers niet kunt zeggen.

In 1984, hetzelfde jaar waarin Jeffrey Masson zijn karaktermoord pleegde, schreef Peter Sloterdijk in zijn Kritiek van de cynische rede: ‘Al wordt tegenwoordig de gestalte van Freud zo ongeveer overwoekerd door bezwaren tegen en twijfels aan zijn werk en zijn persoon, toch mag men niet vergeten welk een bevrijding hij ons heeft gebracht.’ Om dat te beseffen hoeft men Freud niet eens te lezen; daarvoor hoeft men alleen de gangbare vooroordelen aan de kant te schuiven en de modieuze, wetenschappelijk correcte verhalen te nemen voor wat ze zijn: het geneuzel van dwergen, die zich een hele reus wanen als ze maar hard genoeg tegen de schenen van reuzen schoppen.

Bestel Freud Werken met een fikse korting in de Webshop

Medium freud  20werken klein