Twee parallele levens

Freud ontmoet Van Gogh

Freud en Van Gogh, twee van de grootste iconen van de twintigste eeuw, verbleven op 28 februari 1886 beiden in Parijs. Freud zou die stad juist verlaten, Van Gogh was net gearriveerd. Een ontmoeting tussen twee parallel verlopen levens.

OP ZONDAG 28 FEBRUARI 1886 slaat hij de deur van zijn kamer in Hotel de Brésil achter zich dicht en verlaat Parijs. Een onbemiddelde en onbekende Oostenrijkse arts van 29 jaar die een paar maanden stage heeft gelopen bij de grote meester Charcot, staat op het punt zijn vleugels uit te slaan. Later zal hij in zijn hoofdwerk De droomduiding schrijven dat Parijs altijd al het object van zijn verlangen is geweest en dat de zinderende sensatie waarmee hij voor het eerst voet op Parijse bodem zette, hem het gevoel gaf dat zijn andere wensen nu ook zouden uitkomen. Inderdaad trouwt hij bij terugkeer in Wenen het meisje van zijn dromen en opent hij een praktijk. Een advertentie in de ochtendeditie van de Neue Freie Presse van zondag 25 april 1886 kondigt aan: ‘Herr Dr. Sigmund Freud, docent zenuwziekten aan de universiteit, is teruggekeerd van zijn studiereis naar Parijs en consulteert aan de Rathhausstrasse 7, district I, van 1.00 tot 2.30 uur.’ Er ligt een lang en rijk leven voor hem. Bij zijn dood, in september 1939 is Freud een icoon van onsterflijke diepzinnigheid.


In Parijs maakt Freud lange, enerverende dagen in de Salpétrière, maar hij vindt ook tijd om over de lange boulevards te slenteren, Zola te lezen, een voorstelling van Sarah Bernhardt te bezoeken en de hoofdstedelijke elite te ontmoeten bij de Charcots. Af en toe een snufje cocaïne houdt hem op de been.


Parijs, de hoofdstad van de negentiende eeuw, de stad die de gekken van hun ketenen heeft bevrijd, díe stad schenkt Freud de vervulling van zijn diepste wens. ‘Als ik de goden niet kan vermurwen, zal ik de onderwereld in beroering brengen’, staat er als motto boven De droomduiding, die grootse zelfanalyse. De koninklijke weg naar de kennis van het onbewuste voert regelrecht naar de hel. De demonen die Freud in zijn hel heeft aangetroffen zijn in de loop van de afgelopen eeuw ook onze demonen geworden. Als zwarte schaduwen liggen ze op onze ziel: de verlammende angsten en krankzinnige verlangens, de diepe krenkingen en de stomme wanhoop.


Op precies hetzelfde moment dat Freud Parijs verlaat arriveert daar een andere vreemdeling, die de leeggevallen plek zal opvullen met zijn bestaan. Hij is drie jaar ouder dan Freud, minstens even onbekend en nog veel berooider. Uiterlijk lijkt hij een beetje op hem, met zijn getrimde baard en zijn doordringende blik, en zelfs deelt hij met Freud diens voorkeur voor Zola (kort voor zijn geestelijke ineenstorting in 1888 leest hij van deze auteur Le rêve — de droom). Deze man zal een parallelle weg volgen als zijn Weense dubbelganger, al ligt zijn toekomst reeds achter hem.


In februari 1886 heeft hij nog maar vier jaar en vijf maanden te leven. Die jaren zullen zijn meest productieve maar ook meest wanhopige zijn. Als hij op 29 juli 1890 sterft aan de gevolgen van een door hemzelf toegebrachte schotwond is hij de grootste mislukte kunstenaar aller tijden, een icoon van marginaliteit, wiens werk als schietschijf wordt gebruikt door de kleinzoons van de arts van het gesticht waar hij zijn laatste jaar heeft vertoefd: Vincent Willem van Gogh.


Min of meer uit Antwerpen gevlucht, waar ze zijn werk op de kunstacademie niet serieus nemen, trekt Van Gogh naar Parijs, waar hij korte tijd een appartement met zijn broer Theo deelt voordat hij op driehoog een kamertje betrekt aan de Rue Lepic 54.


Hij stelt zich veel voor van Parijs, vooral vanwege Theo, die immers kunsthandelaar is voor de firma Goupil en co., en ‘weet heeft van een schilderij’. Parijs zal ook voor Van Gogh een ommekeer betekenen. Voor het eerst leert hij schilders kennen die op gelijke voet met hem staan: Emile Bernard, met wie hij een briefwisseling begint, de pointillist Paul Signac, onder wiens invloed hij eventjes staat, en natuurlijk Paul Gauguin, de hogepriester van de impressionisten, die in de fatale winter van 1888 bij hem zal zijn wanneer hij zijn oorlel afsnijdt. Ook voor Van Gogh betekent Parijs werken als een paard. Een glaasje absint houdt hem op de been.


Vaak wordt gezegd dat Van Gogh in Parijs de kleur heeft ontdekt. En inderdaad worden zijn donkere doeken ineens lichter, vluchtiger, minder Hollands. Toch is de belangrijkste ontdekking die hij daar doet een andere: zichzelf. Uit zijn Parijse periode zijn 33 zelfportretten bewaard gebleven (schilderijen en tekeningen), vaak omschreven als zelfanalysen. De man die we op de doeken met een vorsende blik zichzelf zien bekijken, lijkt vastberaden maar tegelijkertijd verontrust. De ontdekking die hij in de spiegel deed, moet huiveringwekkend zijn geweest, alsof de schilder voor het eerst besefte dat de onderwereld hem in beroering had gebracht. Hij zal zijn leven opofferen, maar in het zekere besef dat het niet voor niets is geweest, want ‘voor een generatie schilders die nog lang zal voortbestaan’. Ondertussen vergaat hem de lust tot lachen. ‘Rimpels in het voorhoofd en om de mond, stijf, houterig, een zeer rode baard’, omschrijft Van Gogh het bekende Zelfportret voor ezel. En als altijd wanneer hij zichzelf bezingt, eindigt ook dit lied met het refrein: ‘ontredderd en triest’.


Eind februari 1888 ontvlucht hij uitgeput Parijs. Het verdriet neemt hij met zich mee. ‘Aan de droefheid zal nooit een einde komen.’



NOOIT WAREN DE wegen van Freud en Van Gogh elkaar zo dicht genaderd als op die laatste zondag van februari 1886. Voor de laatste maal loopt Freud over de Boulevard Hausmann en werpt een blik op het Louvre dat hij in oktober het jaar daarvoor had bezocht. Hij bekeek er de antieke afdeling, zag de Venus van Milo, die weinig indruk op hem maakte, en liet zich nog het meest imponeren door de beelden van Assyrische en Egyptische keizers en goden, waarvan hij zelf verzamelaar in het klein was. Ook Van Gogh heeft het Louvre bezocht, en wel onmiddellijk bij aankomst in Parijs, wanneer hij een kruier een briefje aan broer Theo laat brengen: ‘Ben in het Louvre vanaf een uur of twaalf, of eerder als je wilt.’


Het Louvre, de tempel van de kunst, die voor Freud meer historische dan esthetische waarde had, moet voor Van Gogh de maatschappelijke erkenning hebben gerepresenteerd die hij bij leven niet zou krijgen maar die hem postuum in een krankzinnige wurggreep houdt: van de meest onderschatte is ‘Vincent’ de meest overgewaardeerde kunstenaar aller tijden geworden.


Naar verluidt verklaarde de conservator van het Louvre in 1923 op de vraag welke Van Goghs dit museum in zijn bezit had, met de uitroep: ‘Het Louvre zal nooit een Van Gogh aankopen!’ Een historische vergissing. In 1894 ging Fabrieken bij Clincy voor 100 frank weg, in 1928 werd voor hetzelfde doek 180.000 frank betaald en in 1957 bracht het 31.000 pond op (een stijging van 158.900 procent ten opzichte van 1894 en 448 procent ten opzichte van 1928). Daarna ging het heel hard. Voor De zaaiers 250.000 dollar in 1965; anderhalf miljoen gulden voor het Portret van madam Ravoux in 1966. Het perverse hoogtepunt vormt het Portret van dr. Gachet, dat in 1990 voor 84 miljoen dollar van de hand ging. Het is het duurste schilderij dat ooit is verkocht.


Uitgedrukt in citaten laat de waardering voor het werk van Freud overigens een vergelijkbare stijging zien. Van een omstreden figuur werd Freud al heel spoedig een gevierd auteur, en nu — vijftig jaar na zijn dood — is hij de meest geciteerde schrijver. Op Jezus na is hij de bekendste figuur in het Westen en minstens even invloedrijk. Ons zelfbeeld is radicaal en voorgoed veranderd door zijn toedoen. Het idee, bijvoorbeeld, van een verdrongen traumatische jeugdervaring behoort zozeer tot het alledaagse gedachtegoed dat een verdachte zich er schaamteloos (en vaak met succes) op kan beroepen in de hoop op strafvermindering. Freud werd een ‘klimaat van meningen’, zoals W.H. Auden met een vooruitziende blik schreef.


Freud leefde lang genoeg om de rijzende ster van Van Gogh te hebben kunnen aanschouwen. Toch heeft hij nooit over hem geschreven of, voorzover valt na te gaan, gesproken. Debet daaraan is ongetwijfeld zijn conservatieve smaak op het gebied van kunst. Maar merkwaardig is het wel. Van Gogh zou een ideaal model voor psychoanalytische beschouwing zijn geweest. Wat te zeggen van de symbiotische relatie met broer Theo waarin een incestueus verlangen lijkt te liggen; de onderdrukte homoseksuele elementen in zijn vriendschap met Gauguin; de symbolische zelfcastratie aan het oor; de dwangmatige herhaling van motieven (in De zonnebloemen) of de symboliek in het werk zelf, zoals in De zaaier? Gefundenes Fressen voor de psychoanalyse.


Toch hebben verrassend weinig analytici zich gewaagd aan een beschouwing over deze kunstenaar. Maar zij die het wel deden, bijvoorbeeld de Nederlander Westerman Holstijn, bleken niet in staat iets anders te bieden dan wat al overduidelijk in het werk en leven van Van Gogh aanwezig was. Ook Marthe Robert, die een van de meest scherpe analyses over Van Gogh heeft geschreven vanuit klinisch gezichtspunt, moet toegeven dat ‘Van Gogh, die op zevenendertigjarige leeftijd zelfmoord heeft gepleegd, op een tijdstip dat hij zijn grootste meesterwerken schept, in het licht van een psychoanalytische theorie over sublimatie niet anders beschouwd kan worden dan als een der meest grandioze gevallen van mislukking’. De mislukking, voor alle duidelijkheid, ligt aan de kant van de duiders, die er niet in slagen door te dringen in de geest van Van Gogh.


Alleen Viviane Forrester heeft het aangedurfd een duiding te geven waarin leven en werk van Van Gogh niet worden teruggebracht tot wat zichtbaar is. Een enkele gebeurtenis uit het leven van Vincent acht zij beslissend: de geboorte van Vincent Willem van Gogh, de doodgeboren broer die dezelfde naam droeg en die op 30 maart 1852 ter wereld kwam, op de kop af één jaar voor zijn eigen geboorte. Altijd zou Vincent die dode bij zich dragen, steeds duikt hij versluierd op, in brieven, in schilderijen (de kraaien boven het korenveld, het laatste doek waaraan hij werkt, vormen een veelheid aan V’s en W’s), tot hij hem tot slot het graf injaagt, waar hij eindelijk rust vindt. En inderdaad is Vincent in de laatste twee dagen van zijn leven ‘opmerkelijk rustig’. Tevreden en innerlijk kalm rookt hij zijn pijp; hij laat de dood zijn werk doen. Die interpretatie is tegelijk zo overtuigend en zo geforceerd dat het niets anders dan een ontmaskering kan zijn van de psychologische ontmaskeraars, en duidelijk maakt dat in de kern van de zaak Van Gogh onbegrepen moet blijven.



ANTONIN ARTAUD, poète maudit en zelf ervaringsdeskundige in de psychiatrie, begreep als geen ander waarom Van Gogh immuun moest zijn voor psychologische analyse: niet hij, maar de wereld was gek geworden. Vooral dr. Gachet, Vincents vriend en toeverlaat in de laatste maanden van zijn leven, moest het ontgelden. De ‘geïmproviseerde zenuwarts’ Gachet, die volgens Van Gogh trouwens ‘minstens even erg aangetast is’ als hijzelf, was volgens Artaud de ‘directe, werkzame en toereikende oorzaak van zijn dood’. Vermorzeld door de maatschappij en kapotgemaakt door de psychiaters was Van Gogh de zelfmoord in gedreven. De kraaien boven het korenveld, meende Artaud, zijn de zwarte zelfmoord-microben die hij heeft vrijgelaten.


We zullen Artaud de overdrijving niet kwalijk nemen en geven toe dat hij op tenminste één punt de spijker op zijn kop slaat. In het werk van Van Gogh, de vleesgeworden waanzinnige kunstenaar, komen geen demonen, geen visioenen, geen hallucinaties voor. Het werk is, zegt Artaud, volstrekt gezond.


In tegenstelling tot Gauguin, die vond dat de kunstenaar moest streven naar een symbolische, mythische weergave van de werkelijkheid, probeerde Van Gogh juist het mythische van de werkelijkheid in een alledaagse voorstelling te vangen. Net zoals Freud de waanzin niet in het afwijkende, maar juist in het alledaagse probeerde te analyseren.


‘Is het niet de emotie, de zuiverheid van het gevoel voor de natuur die ons leidt?’ vraagt hij aan zijn broer. Een ‘diepere gelijkenis dan die van de fotograaf’ streeft hij na. En hij slaagt daarin. Nooit waren landschappen, portretten en zelfs stillevens zo doorleefd.


Van Gogh was psycholoog, niet alleen van het landschap maar ook van zijn eigen ziel. De romantische voorstelling van Irving Stone en anderen ten spijt, die de schilder als een dromerig en vooral naïef karakter zien, wist Van Gogh precies wat er in hem omging. Hij zag bij zichzelf een ‘melankolische’ gesteldheid en een zwak zenuwstel, zoals dat toen heette. ‘Mijn god wat een somberheden en neerslachtigheid.’ Duidelijker kan iemand zich niet uitdrukken. En vlak voor zijn instorting: ‘weer eens bijna teruggebracht tot de krankzinnigheid (…) en was het niet dat ik een soort dubbele natuur heb, als het ware tegelijk die van een monnik en van een schilder, dan zou ik allang in die toestand zijn geraakt, en wel geheel en ten volle.’ Maar ook in zijn ‘hersenkoorts’ verloor hij zichzelf niet uit het oog. Nadat hij zijn oorlel had afgesneden schreef hij aan zijn moeder: ‘Wilt u zo goed zijn in uw oor te knopen…’ en aan Theo: ‘Luister nu eens goed…’ Zelfs de moeite die hij bij zichzelf bespeurde om zijn broer te feliciteren met diens huwelijk analyseerde hij genadeloos: ‘een soort nerveuze tic van mij…’ En zijn rouw om het verlies van Gauguin verwerkte hij in twee studies: een van een brandende kaars op een lege stoel, ‘juist die van Gauguin’, en een andere van zijn eigen lege stoel. Wat valt daar nog aan toe te voegen? Wie heeft daarbij nog een psychoanalyticus nodig?


Niet Van Gogh. ‘Ik denk dat ik maar eenvoudig mijn beroep van gek accepteer’, schrijft hij aan zijn broer. En hij trekt de consequentie uit dat besluit en laat zich vrijwillig opnemen in het gesticht.



HET IS ZONDAG 28 februari 1886, iets voor tweeën. Zoals altijd is Freud veel te vroeg op het station. Hij gaat even zitten op een bankje, schuift zijn koffer opzij en wil net aan een brief aan een vriend in Berlijn beginnen als er naast hem een wat verfomfaaide man komt zitten met een grote vilten hoed op en een pijp tussen zijn rotte tanden. Ze knikken elkaar toe, zitten dan een ogenblik zwijgend naast elkaar.


Freud, die de lust tot briefschrijven is vergaan vraagt: ‘Ben u ook op doorreis?’


‘Neen’, antwoordt de ander, ‘ik ben zojuist aangekomen.’


‘Ah’, zegt Freud begrijpend, ‘een prachtige stad, nietwaar? Blijft u langere tijd?’


‘Ja’, zegt de ander weinig toeschietelijk.


‘U bent schilder?’ raadt Freud, die de ezel in de bepakking van de ander heeft gezien.


‘Weet u’, vervolgt hij als er geen antwoord komt, ‘ik heb altijd kunstenaar willen zijn, maar het ontbreekt mij aan…’ Hij zwijgt en zoekt naar een woord.


‘Talent?’ vraagt de ander.


‘Neen’, zegt Freud aarzelend, ‘ik zal u eens wat vertellen: het ontbreekt mij aan voldoende onbehagen. Ik zie het zo. Wie gelukkig is fantaseert nooit, dat doet alleen degene die onbevredigd is. De onbevredigde wensen moeten volgens mij de drijvende kracht achter de fantasie zijn. Ik geloof dus dat de fantasie een correctie is op die onbevredigende werkelijkheid, een soort wensvervulling.’


‘De verlangens die ik heb worden niet altijd vervuld’, geeft de ander toe. ‘Maar wat heeft dat met schilderen te maken? Op goede dagen werk ik zonder dat ik het merk, en volgen de penseelstreken elkaar op alsof ze samenhangen als woorden in een brief. Maar u moet bedenken dat er ook heel wat zware dagen volgen zonder inspiratie.’


‘Dan bent u die dagen niet ongelukkig genoeg’, schertst Freud.


‘Ik zal nog wat verder moeten genezen van de beschaving?’ antwoordt de ander.


‘Precies!’ lacht Freud die zich over het verbazingwekkende psychologische inzicht van de ander verwondert. ‘Dan kan u niets gebeuren!’


De trein naar Bremen is gearriveerd. Freud staat op en neemt afscheid. Pas als de trein het station verlaat, herinnert hij zich dat hij is vergeten te vragen hoe zijn gesprekspartner heet.



Voor de citaten uit de brieven van Van Gogh is gebruik gemaakt van de editie van Jan Hulsker: Vincent van Gogh: Een leven in brieven (Amsterdam, 1985). Voor citaten uit de brieven van Freud: Briefe 1873-1939 (Frankfurt, 1980). Citaten uit ‘De schrijver en het fantaseren’, in: Sigmund Freud: Nederlandse Editie, Cultuur en religie 2 (Meppel, 1983). Citaten uit Artaud: Van Gogh, der Selbstmörder durch die gesellschaft (München, 1977); citaat uit Auden: In Memory of Sigmund Freud (1939); citaat uit het essay ‘Het genie en zijn dubbelganger’ van Marthe Robert in: Genie en wereld: Van Gogh (Hasselt, 1974).