Freud op de divan

In Joseph Schwartz’ ‘Cassandra’s Daughter’ is de psychoanalyse een fascinerend vakgebied dat, in tegenstelling tot wat Freud-begravers graag beweren, allesbehalve achterhaald is.

‘EEN GETROUWDE vrouw van zesentwintig met twee kinderen kwam voor behandeling van een cyclus van manische episoden. Ze was het enige, verwende kind van welvarende ouders, had een normale kindertijd gehad maar leek altijd “oversexed”. Ze was op de Titanic toen die zonk, had twee kinderen gered en had een flinke shock gehad. Ondanks dit was ze ervan overtuigd dat deze ervaring niets te maken had met haar huidige toestand. Ze had een uitzonderlijk zware bevalling gehad bij zowel haar eerste als haar tweede kind. Na de geboorte van haar eerste kind ontwikkelde ze een ernstige depressie met inertie, vermoeidheid, hoofdpijnen en morbide pessimisme. Niets leek de moeite waard. Daarna beleefde ze een opgewekte periode waarin ze veel bezoekers had, vele brieven schreef, veel geld uitgaf en smoezelige grappen vertelde. Ze was door zes van deze cycli heengegaan voordat ze zich tijdens een depressieve fase voor behandeling meldde.’
Psychoanalytische casusbeschrijvingen lijken op ingedikte romans, en soms ook op kruiswoordraadsels, en ze vormen verslavende lectuur, of ze nu 'gunstig’ aflopen of niet. Het lijkt alsof deze beknopte beschrijvingen het genoegen bieden om in een oogopslag de essentie van een heel leven te zien, dankzij het sprekende detail en de afwezigheid van uitwijdingen.
Tot op de huidige dag, vermeldt Joseph Schwartz, zijn gezondheidswerkers verdeeld over de vraag of de oorzaken van mentale pijn organisch zijn of het resultaat van een opeenstapeling van relationele mislukkingen. De psychoanalyse, waarvan de Europese en Amerikaanse geschiedenis in Cassandra’s Daughter wordt beschreven, ontwikkelde zich in de loop der jaren van een mechanistische, negentiende-eeuwse driftpsychologie tot een leer die zich verdiepte in de gevolgen van mislukte interpersoonlijke relaties. Schwartz maakt duidelijk dat de geschiedenis van de psychoanalyse meer is dan de wederwaardigheden van Freuds opvattingen; hij beschrijft een fascinerend vakgebied dat, in tegenstelling tot wat Freud-begravers graag beweren, allesbehalve 'achterhaald’ is.
HOE MEN OOK over Freuds prestaties mag denken, zonder hem zou de psychoanalyse moeizamer van de grond zijn gekomen, bij gebrek aan een centrale, stuwende kracht. Freud beschikte zonder twijfel over het Petrus-achtige vermogen om een nieuwe leer door de eerste moeilijke fase heen te loodsen, waarbij het niet altijd zo veel uitmaakt of de uitgangspunten wel onbetwistbaar juist zijn - Karl Popper heeft ooit gezegd dat je beter verkeerde hypothesen kunt formuleren dan helemaal geen. Sigmund Freud had volgens Schwartz veel mee: hij was een schitterende schrijver, hij was ambitieus, hij hield van theorie en hij werd daadwerkelijk gefascineerd door psychologische motieven.
Freud was een gigant, evenals die twee andere grote Midden-Europeanen, Marx en Einstein. Toch is het fascinerend om te zien hoe die 'grootheid’ tot stand komt - tastend, aarzelend, op een opportunistische manier. Als neurowetenschapper leverde Freud geen bijzondere presta ties, wat hem volgens Schwartz een levenslang gevoel van inferioriteit bezorgde; hij miste de belangstelling voor de 'problemen van de natuurlijke wereld’, hij bedacht liever theorieën. Toen hij vernam dat Charcot in Parijs patiënten met hysterische verlammingen onderzocht, begreep Freud meteen dat hier nog kansen op roem en erkenning lagen, zoals je toekomstige Nobelprijswinnaars soms ziet zoeken naar het gat in de markt. Freud zou de moeder van alle prijzen overigens nooit krijgen, misschien omdat de wetenschappelijke status van de psychoanalyse door velen werd betwijfeld.
Het verwijt dat de psychoanalyse onwetenschappelijk zou zijn meent Schwartz te kunnen pareren. 'Onwetenschappelijk’ betekent meestal niet veel meer dan 'subjectief’, een beschuldiging die in onze streken om de een of andere reden zwaar weegt. De psychoanalyse, legt Schwartz uit, creëert betekenissen die verschillen van de natuurwetenschappen, en je kunt volhouden dat zij wel degelijk een wetenschap is, met haar eigen methoden, een terminologie en klinisch bewijsmateriaal. Schwartz vindt dat de verwijten voortkomen uit een verkeerd besef van wat wetenschap is; wanneer we wetenschap opvatten als een manier van begrijpen, is psychoanalyse een wetenschap in die zin dat zij probeert 'de menselijke subjectiviteit in materiële termen te begrijpen - zij situeert het onderzoek naar de menselijke subjectiviteit in de wereld van de doorleefde ervaring’. De psychoanalyse is de enige discipline die het gevoel serieus neemt, waarbij oorzaken ook of vooral worden gezocht op het niveau van het psychisch functioneren. Schwartz schetst uitvoerig de symptoomverschillen tussen hysterische verlammingen en echte verlammingen - hysterie is 'onkundig van het zenuwstelsel’ - om duidelijk te maken wat Freud scherper zag dan vele van zijn tijdgenoten: de Eigengesetzlichkeit van de psychische wereld. Dromen, onbewuste motieven, pijn en verwarring zijn échte dingen, ook al zal men in de windingen van het brein tevergeefs zoeken naar iemands jeugdervaringen.
FREUD-WEERLEGGERS wijzen met oprechte liefde op alle onzin die hij heeft beweerd. Schwartz blijft mild wanneer hij de dogma’s van de grondlegger beschrijft, maar het beeld is duidelijk: wanneer je Freuds hypothesen op hun geldigheid toetst, stuit je op raadselachtige aannamen en willekeur, die vooral gebaseerd lijken op zijn persoonlijke ervaringen en voorkeuren. Dat neurosen helemaal moeten worden teruggevoerd op seksueel misbruik in de kindertijd valt niet vol te houden (veel misbruikervaringen bleken neer te komen op fantasieën); het oedipuscomplex kreunt en steunt in zijn mythische voegen; 'doodsdrift’ staat haaks op iedere dierlijke overlevingsdrang, en de gedachte aan zoiets als 'penisnijd’ wekt niet alleen bij feministen de lachlust op. Colin McGinn demonstreert in Freud Under Analysis (New York Review of Books, 4 november) wat er gebeurt wanneer je Freuds hypothesen aan een kritische beschouwing onderwerpt. Uit alles blijkt dat dromen niet noodzakelijk zijn om een mens in slaap te houden - waar Freud van uitging - en dat het onwaarschijnlijk is dat achter alle dromen onbewuste wensen zouden schuilgaan, of dat het dromen van vervulling even bevredigend zou zijn als het werkelijk vervullen van een wens. Ook met het idee van verdringing is van alles mis: er zou een censor zijn die onwelgevallige herinneringen en gedachten onderdrukt, en die zichzelf tegelijkertijd bewust zou moeten zijn van de wensen die worden verdrongen - 'je kunt niet iets verdringen waarvan je het bestaan niet kent, maar als je het kent is het niet onderbewust’, vat McGinn de paradox samen.
Voor iemand die het irrationele zo graag wilde indammen - hij wilde dat het ego de 'ruiter’ was op het paard van de 'wilde, richtingloze driften’ - kon Freud behoorlijk irrationeel zijn. In Totem en Taboe kwam hij met een mythische vertelling over een wrede en dominante oervader, vermoord door zijn zonen, die zich vervolgens tot in lengten van dagen 'schuldig’ voelden, een omweg die Freud bewandelde om uit te leggen hoe het menselijk geweten zou zijn ontstaan, terwijl hij zelf al eerder een veel bruikbaarder en volkomen naturalistische verklaring had gesuggereerd, zoals Henry Staten in zijn essay 'Radical Evil revived’ in Radical Philosophy uitlegt. De grootste angst van een kind is liefdeverlies; het kan zijn agressie niet botvieren op de ouder, van wie het immers afhankelijk is, en het resultaat is dat de agressie naar binnen wordt gekeerd in de vermomming van schuldgevoel; schuld is daarmee niets anders dan 'topografische variëteit van de angst’.
Hoe je ook over dit soort verklaringen mag denken, Freud heeft er in elk geval geen transcendentale fratsen voor nodig; zijn terugval in mythische vertellingen verraadt helaas een gebrekkige absorptie van Darwin (ervaringen zijn niet erfelijk, hebben we tot nader order afgesproken), en verder had Freud ook zijn persoonlijke 'belangen’ en blinde vlekken, waarover ook weer eindeloos is gespeculeerd. Toch kunnen deze imponerende tekortkomingen niet verhinderen dat je het eens kunt zijn met de conclusie van Robert Wright in Darwins geweten: 'Het sterkste punt van Freud is dat hij zich bewust was van de paradox van het buitengewoon sociale dier dat de mens is: terwijl we in de kern wellustig, hebzuchtig en in het algemeen zelfzuchtig zijn, moeten we toch fatsoenlijk met andere menselijke wezens samenleven en langs de kronkelige weg van samenwerking, compromissen en beheersing onze dierlijke doelen bereiken.’ Zelfs wanneer dit alles zou zijn geweest (quod non), dan was het meer dan voldoende.
DE HOOFDSTUKKEN rond Freud vormen een zeer toegankelijke samenvatting van de geboorte van de psychoanalyse - het ontstaan van het 'analytische uurtje’, dat gebaseerd was op de samenwerking tussen Breuer en Freud, de medische blunders van Fliess (die Freud verdrong), de debatten rond de seksuele oorzaken van neurosen en Freuds beslissing om dat onderwerp in de steek te laten en zich op de 'normale psychologie’ van de droomduiding te storten. Het schisma Freud-Jung wordt van nabij gevolgd; het is volkomen duidelijk dat Freud, die het onderbewuste als bedreigend zag, vroeg of laat een conflict moest krijgen met de verdediger van een 'collectief onderbewuste’ - wat mij betreft een van de meest luxueuze waanideeën uit de cultuurgeschiedenis - als een dieptepsychologische 'schatkamer’. Vaak lijkt het alsof Freuds tegenstanders redelijker zijn dan hijzelf: C.G. Jung, die volgens Schwartz de 'collectieve psychologie van de boerenstand belichaamde’, keek wat verder dan de driftpsychologie en Adler wees erop dat mensen niet uitsluitend het willoze slachtoffer zijn van hun biologie, maar organismen die ook wel eens iets van plan zijn. Wilhelm Reich, die voordat hij zich tot charlatan ontwikkelde wel degelijk wat te melden had, krijgt opvallend weinig aandacht.
Na de eeuwwisseling vestigde de psychoanalyse een bruggenhoofd in Amerika. Schwartz beschrijft de ontwikkelingen in de nieuwe wereld, waar James Putnam, Stephen Mitchell, Abraham Brill, Havelock Ellis, Ernest Jones, Adolf Meyer, William Alanson White en Harry Stack Sullivan de psychoanalytische theorie en praktijk verder ontwikkelden. Sullivan leerde dat de therapeut moest proberen de eigen 'logica’ van de patiënt te ontrafelen door contact te zoeken en zijn uitlatingen niet als 'woordsalade’ te beschouwen; een schizofreen dacht volgens hem binnen een normaal kader, zij het 'inadekwaat’. Hoewel sommige theoretici meer dan aartsvader Freud oog hadden voor relationele en interpersoonlijke aspecten, hadden de Amerikanen een zekere voorkeur voor lichamelijke oorzaken en de bijbehorende aanpak. In diverse instituten greep men onbekommerd naar ruwe fysieke middelen - lobotomieën, het lukraak trekken van tanden, platspuiten en elektroshocks; de patiënten gingen er meestal niet op vooruit, maar het moreel van de staf in hoge mate wel. Eugenetische praktijken waren in die jaren normaal; er werden vijfentwintigduizend gedwongen sterilisaties uitgevoerd, en de nazi’s beriepen zich voor hun sterilisatieprogramma nota bene op Amerikaanse wetten en praktijken.
DE BRITSE tak van de geschiedenis wordt gedomineerd door persoonlijkheden als Winnicott en Fairbairn en door de controverse tussen kinderpsychologen Melanie Klein en Anna Freud. Fairbairn meende dat de mens in de eerste plaats een relatiezoeker is, geen plezierzoeker, en hij liet zien hoe met name herhaaldelijk falen in de buitenwereld tot mentale stoornissen en afwijkend gedrag kon leiden; hij was het die volgens Schwartz de volledige theorie van de persoonlijkheid ontwikkelde waarnaar Freud rond de eeuwwisseling op zoek was geweest. De ontwikkelingsgang van de Engelse psychoanalyse markeert zo het einde van een eenzijdige driftenpsychologie ten gunste van het 'relatie-paradigma’.
Melanie Klein was een moeilijke vrouw, ze had vijanden en volgelingen maar geen vrienden, een krachtige persoonlijkheid die mensen zowel kon 'uitputten’ als 'inspireren’. Klein herkende in kinderen - was het toeval? - de haat, de agressie, de anaal- en oraal-sadistische impulsen; ze werd gefascineerd door de 'gotische’ verschrikkingen van hun fantasiewereld. Ze had de twijfelachtige gewoonte om haar eigen kinderen te analyseren, wat tot gevolg had dat Melitta Klein haar moeder begon te haten en zelf psychoanalytica werd. Om de diepten van de kinderziel te peilen initieerde Klein de speltherapie, een techniek waarbij speelgoed wordt gebruikt als substituut voor de vrije associatie, en het was ook Klein die opmerkte dat psychoanalyse nu eenmaal geen 'aardige’ methode was: ze kon de patiënt niet al het lijden besparen, en dat gold ook voor kinderen.
Schwartz illustreert met Kleins analyse van Fritz (7) tot welke diepte dit soort analysen kon afdalen. 'Hij vertelde me dat hij wel zou houden van naar school gaan als er tenminste geen straat was. Hij fantaseerde dat hij, om de straat te vermijden, een ladder legde van het raam van zijn kamer naar dat van zijn schooljuffrouw, zodat hij en zijn moeder samen konden gaan, door van sport naar sport te klimmen. Daarna vertelde hij over een touw, gespannen van raam naar raam, waarlangs hij en zijn zuster naar school werden getrokken.’
Klein meende dat het vermijden van de straat onderdeel was van een uitvoerige fantasie rond 'voortplanting en geboorte’, en toen kleine Fritz fantaseerde over een machine, die een touw naar verschillende delen van de stad kon werpen zodat hij nooit over straat hoefde te gaan, legde ze dat uit als een uiting van 'voortgebracht zijn door zijn vader, vermengd met ideeën over coïtus van zijn kant’. Fritz heette eigenlijk Erich en hij was - de lezer vermoedde het reeds - Kleins jongste zoon, die in het Berlijn van 1921 regelmatig door buurtjongens werd afgetuigd omdat hij een jood was, zodat hij de straat liever vermeed - maar zijn psychoanalytische moeder was zo gericht op interne verklaringen dat ze de invloed van de buitenwereld over het hoofd zag.
Schwartz betwijfelt of er wel een tegenstelling bestaat tussen de traditionele drift-benadering en het relatieperspectief, invalshoeken die op vruchtbare wijze gecombineerd zouden kunnen worden. Diverse malen bekritiseert hij de mythe van de Mens Alleen. 'Het concept van volwassen onafhankelijkheid dat de meesten van ons als ego-ideaal huldigen, is een schadelijk onderdeel van het ethos van de Westerse beschaving.’ 'Het ideaal van de Mens Alleen is een ideaal dat het te pijnlijk vindt om toe te geven dat mensen belangrijk zijn voor elkaar’, immers, 'there is no such thing as the Man Alone’. De psychoanalyse heeft voor de komende eeuw nog werk in overvloed.