Freudiaanse kladjes

Het beste schrijfadvies dat ik ken, heb ik ooit bij Sigmund Freud gelezen. De instructie is kinderlijk eenvoudig: ‘Neem enkele vellen papier en schrijf drie dagen achtereen, zonder bedrog en huichelarij, alles op wat u te binnen schiet.’

Freud citeert hier de Duitser Ludwig Börne (generatiegenoot van Heinrich Heine), die stelt: ‘Zo wordt men in drie dagen een oorspronkelijk schrijver!’

Ik heb er nooit de discipline voor opgebracht, maar weet zeker dat het werkt. Sluit je op, drie dagen, en schrijf over alles, over de mieren in je tuin, over de strijkkwartetten van Ravel, de kokos-stracciatellacombinatie in een nieuw toetje, de toestand in Syrië…

Heel lang heb ik gedacht dat schrijven in de eerste fase, die van de inventio, verwant is aan dromen en dus het best horizontaal uitgevoerd kan worden. (‘Zo, lekker aan het uitrusten meneer Cézanne?’ ‘Nee, ik ben aan het werk.’)

Maar dagdromen brengt je niet veel verder. Tenminste, niet zo ver als wanneer je dit dromen als het ware hardop doet, op papier. Er is iets wonderbaarlijks aan de fysieke handeling van het schrijven. Je kunt bijvoorbeeld eindeloos over een probleem tobben (‘Wat is er met die boot gebeurd?’), maar zodra je die vraag niet langer in je hoofd houdt, maar op een toetsenbord intikt of op papier schrijft, volgt het juiste antwoord vrijwel ogenblikkelijk. (‘Daar is haar moeder in omgeslagen op zee.’)

Hoe het werkt weet ik niet, maar het lukt altijd. Altijd, zonder uitzondering. Daarom heb ik tegenwoordig naast elk manuscript een kladmanuscript, een krabbeldocument waarin ik mezelf toesta oeverloze onzin te produceren. En daar pluk ik later de parels uit, en de juiste antwoorden op vragen die me anders uit m’n slaap zouden houden.

Blijkbaar is er een verbinding tussen de schrijvende, typende handbewegingen en de activatie van die hersendelen die betrokken zijn bij de inventio. Vindingrijkheid huist in de vingers. Zelf merk ik dat het effect nog sterker is wanneer ik het niet op een toetsenbord doe, maar, net als Börne het deed, met pen en papier. Volgens sommige verlichte denkers kan het zijn dat mijn linkshandigheid hier een rol in speelt. Er is een theorie dat linkshandigen significant creatiever zijn omdat hun schrijf- en tekenhand door de rechterhersenhelft wordt aangestuurd, de helft waarin ook de creativiteit zetelt.

Vindingrijkheid huist in de vingers

In welke tak van kunst je ook mensen spreekt, overal zeggen ze ongeveer hetzelfde: het werk ontstaat tíjdens het schilderen, dansen, componeren, beeldhouwen of bloemschikken. Nooit is het de exacte uitvoering van een plan, de realisatie van een vooraf gedroomde blauwdruk, nee, zodra je aan de slag gaat verandert het werk onder je vingers.

Vergelijk het met een afspraak die je morgen hebt. Een sollicitatiegesprek. De avond ervoor stel je je een ruimte voor waarin dat plaatsvindt, je ziet en hoort de potentiële werkgever, formuleert de vragen die hij stelt. Dat alles heeft nog een onbestemde kleur en vorm, maar wat zeker is, is dat het niet klopt met het werkelijke gesprek. Morgen is de sollicitatiekamer glashelder gematerialiseerd (blauwe schilderijlijstjes), de vragensteller is concreet (baard en snor), het gesprek neemt een totaal andere wending dan gedacht (‘Kun je ook met een heggenschaar overweg?’).

Op dezelfde manier verschilt het geschrevene van het gedagdroomde. De taal dwingt de dagdroom ineens om een exacte vorm aan te nemen, en als die er eenmaal staat, kun je ook voor het vervolg bijna geen kant meer op. Of in elk geval: steeds minder kanten op. Het werk beschikt over eigen gravitatiekrachten die alles in de omgeving meesleuren in een door het werk zelf gekozen richting. (‘Het werk schrijft zichzelf’, heet dat dan.)

Wat ik wel eens zou willen organiseren: twaalf uur in een ruimte zitten met een stuk of zes schrijvers, links- of rechtshandig, dat maakt voor dit experiment niet uit. Om de beurt vertellen we over personen die we vaag kennen – dat ielige vrouwtje van de poelier, die gespierde kerel onder de tattoos die ’s avonds altijd langskomt op z’n vouwfiets, de man van de kopieerwinkel met een lapje voor dat ene oog – en we dwingen elkaar om hun levensgeschiedenissen zo concreet mogelijk te krijgen. Hoe is hij z’n oog verloren? Hoe komt dat vrouwtje zo ielig?

Zo wordt men in twaalf uren een oorspronkelijk schrijver! Zelfs als we dezelfde personen als model nemen, zul je zien dat ze aan al die schrijftafels uitgroeien tot volstrekt andere personages en verhalen.

Vrijblijvend kletsen en vertellen zit zo’n beetje tussen dagdromen en schrijven in. Reken maar dat zo’n freudiaanse associatiesessie een voltallige shortlist van meesterwerken zal laten ontkiemen. Het aan elkaar vertellen dwingt je tot concretiseren, net als in mijn freudiaanse kladjes.