Valt er wat te lachen in de psychoanlyse?

Freuds vele vijanden

Al sinds de verschijning van zijn boek ‹De droomduiding›, honderd jaar geleden, valt er voor velen met Freud niet te lachen. Zijn streven om de conservatieve wereld op z’n kop te zetten leidde vaak tot heftige reacties. Maar deze sigarenroker van vlees en bloed verdient beter.

De kritiek op Sigmund Freud, de oervader van de psychoanalyse, is inmiddels tot orkaansterkte aangezwollen, hetgeen de oude baas enigszins aan zichzelf te danken heeft, want in zijn eerzuchtige streven de wereld op haar grondvesten te laten schudden heeft hij een paar lelijke fouten gemaakt. Laat ik u het overbekende verhaal besparen over Emma Epstein, zijn patiënte, die bijna stierf aan Freuds, door de obscurantist Wilhelm Fliess ingefluisterde theorie dat er een directe dwarsverbinding bestaat tussen de neus en de geslachtsorganen. Laat ik liever een heroïsche poging doen Freud tegen zijn vadermoordenaars in bescherming te nemen. Want het betreft niet zelden dames of heren die zich ooit onder de gelovigen hebben bevonden, hetgeen de ijver verklaart van wat freudianen hun fanatisme en anti-freudianen hun waarheidsliefde plegen te noemen. Een van de anti-freudianen is de Engelsman Peter Swales, die zijn leven in dienst heeft gesteld van de theorie dat Freud een verhouding had met Minna Bernays, de schoonzuster van de geleerde. Het bewijs lijkt te zijn verscholen in Freuds hoofdwerk De droomduiding, honderd jaar geleden verschenen en nog altijd de wetenschappelijke kern van zijn omvangrijke oeuvre. Freud spreekt over de droom als wensvervulling. ‘Een vriend die mijn droomtheorie kent en zijn vrouw erover heeft geïnformeerd, zegt op een dag tegen mij: ‘Ik moet je van mijn vrouw vertellen dat zij gisteren heeft gedroomd dat zij ongesteld was geworden. Jij zult wel weten wat dat betekent.’ Natuurlijk weet ik dat; als de jonge vrouw heeft gedroomd dat zij ongesteld is, is de ongesteldheid uitgebleven.’ In feite, aldus Swales, ging het niet over die vage vriend respectievelijk diens echtgenote, maar om Freud zelf, die vermoedde dat Minna Barnays zwanger van hem was. Eén ding is zeker: het bewijs is zo mager als het karkas van de laatste koe in het hongerende Ethiopië. Zelfs als het waar zou zijn, is het een verwaarloosbare waarheid die noch over Freud noch over zijn werk iets zegt. Tweehonderd dromen, waaronder vijftig van hemzelf, heeft Freud in De droomduiding geanalyseerd. Ik herlees het boek met een zekere geamuseerde scepsis. Is de droom te duiden? Wat wordt er allemaal onder de doorzwete beddensprei uitgebroed? Freud had in elk geval overal een antwoord op, of het ging over de verbloemende termen in La dame aux camélias of de beierende stormklokken tijdens de Junirevolutie van 1848. Niettemin, Freuds centrale droomtheorie – de droom als verhulde vervulling van onze wensen, veelal op het gebied der seksualiteit – lijkt mij nog steeds plausibel, zelfs als de dromen waarop de theorie is gebaseerd tweehonderdvoudig uitgedragen sprookjesvertellerijen zouden zijn geweest. De moeder van de Nederlandse psychoanalyse, Jeanne Lampl-De Groot, las De droomduiding in 1912 en was onmiddellijk 'onbeschrijfelijk gefascineerd’. Zij wilde vervolgens naar Wenen, Freuds woon- en verblijfplaats, om zich deze ontbottende tak van de wetenschap eigen te maken, maar zij diende eerst zelf – dat was in die tijd gebruikelijk – in analyse te gaan. Daar lag zij dan als jonge vrouw bij Freud op de couch, terwijl de bejaarde psychoanalyticus zorgvuldig zijn bevindingen noteerde. Het was een problematische periode in zijn leven. Hij kreunde onder de vergevorderde kaakkanker, het directe gevolg van zijn ongebreidelde verslaafdheid aan sigaren. 'In de dertien jaar dat Freud toen nog geleefd heeft, moet hij zo’n dertig operaties hebben ondergaan, een teken van een ongelofelijke wil tot overleving’, zei Jeanne Lampl-De Groot. In een bovendien allengs vijandelijker wordende samenleving, met nazi’s en andere tegenstanders van de 'joodse wetenschap’ die de psychoanalyse in nationaal-socialistische ogen was – een vijandschap die hem er uiteindelijk toe noopte naar Engeland uit te wijken. Daar zat hij in zijn leunstoel, van huis en haard verdreven, oud en stervensziek, terwijl zijn kleine Anna met een klerenhanger in zijn gedrochtelijke gebitsprothese wroette om daar het onontbeerlijke rokertje tussen te kunnen schuiven, waarna de patiënt weer een dag lang, al lezende en lerende, probeerde de mensheid tegen beter weten in wat wijzer te maken. Het aardige van Sigmund Freud was dat hij een mens van vlees en bloed was, een mens die sigaren rookte, snel op zijn tenen getrapt was, het prototype van de echte, omnipotente intellectueel die tussen de bedrijven door de dramatiek van de zich emanciperende, Midden-Europese joden representeerde en ondertussen een wetenschappelijke belangstelling had voor een aards ogend onderwerp als 'Der Witz und seine Beziehung zum Unbewussten’. Het is een boek dat ik iedereen van harte kan aanbevelen. Twee joden ontmoeten elkaar bij het plaatselijke badhuis. Zegt de ene jood tegen de andere: 'Ik neem elk jaar een bad, of ik het nodig heb of niet.’ De bruidegom neemt, na aan zijn veronderstelde aanstaande te zijn voorgesteld, de huwelijksmakelaar terzijde. 'Wat maakt u me nou?’ fluistert hij. 'Ze is lelijk en oud, ze is scheel, het water loopt haar uit de ogen en de tanden rotten in haar mond.’ Zegt de huwelijksmakelaar: 'U hoeft niet te fluisteren, hoor. Doof is zij ook.’ Sigmund Freud, de man aan wiens studie ik het bovenstaande ontleen, vond het vertellen van moppen niet in strijd met zijn professorale waardigheid. ’s Middags droeg hij in zijn behandelkamer het verhaal voor over de kleine Jitzak, die op school de vraag moest beantwoorden wie eigenlijk die Mozes is geweest. Antwoordt de kleine Jitzak: 'Mozes was een zoon van een Egyptische prinses.’ Zegt de onderwijzer: 'Dat is fout. Mozes was de zoon van een Hebreeuwse moeder. Die Egyptische prinses vond hem in een biezen mandje, aan de oever van de Nijl.’ Zegt de kleine Jitzak: 'Ja, ja, ja, dat beweerde ze.’ En diezelfde avond werkte Freud het- zelfde thema uit tot de diepzinnige studie Der Mann Moses und die monotheistische Religion, waarin hij inderdaad trachtte te bewijzen dat Mozes, de man die de joden naar het Beloofde Land heeft geleid, in werkelijkheid zelf van Egyptische herkomst is geweest. Groot zijn Freuds verdiensten voor de lijdende mensheid, wat zijn vele critici ook aan fundamentalistische, opvallend onwelwillende kritiek op hem hebben uitgeoefend. Hoe geslaagd de behandeling van de Kleine Hans of Anna O. moge zijn geweest, ik weet het niet, ik kan dat niet beoordelen. Bewezen is in elk geval dat hij een allerberoerdst moppenverteller was. Bij de eerste de beste Witz die hij in zijn hooggeleerde moppenboek behandelt, gaat het al helemaal mis. Het onderwerp van gesprek is Heinrich Heines fragment 'Die Bäder von Lucca’. Daarin zegt Hirsch/Hyacint, een specialist in het verwijderen van eksterogen: 'En God moge mij bewaren, Herr Doktor, ik zat naast Salomon Rothschildt en die behandelde mij als zijn gelijke, helemaal familjonair.’ Wij scharen ons onder Freuds katheder en beluisteren de wijze waarop hij deze Witz analyseerde: 'Om te beginnen is er sprake van een belangrijke coupure’, leert Freud. 'Wij moeten om de pointe van de grap geheel recht te doen aan de zinsnede ‘R. behandelde mij als zijn gelijke, helemaal familjonair’, een aansluitende zinsnede toevoegen: ‘Dat wil zeggen, voorzover een miljonair tot zoiets in staat is.’ De modificatie die de tweede zin aan de eerste toevoegt, de zin waarin over een familiaire behandeling wordt gesproken, is in de grap verloren gegaan. Maar niet zonder een vervangend element, waardoor een reconstructie mogelijk is. Er is sprake van een tweede wijziging. Het woord ‘familiair’, een niet zo grappige formulering, is in de tekst in ‘familjonair’ veranderd en is daardoor ongetwijfeld verantwoordelijk voor het humoristisch effect van de grap. Deze nieuwe woordconstructie valt, wat nieuwe lettergrepen betreft, samen met ‘familiair’, terwijl de laatste lettergreep betrekking heeft op het ‘miljonair’ uit de eerste zin. Men kan dus spreken van een samengaan van de componenten ‘familiair’ en ‘miljonair’, hetgeen als volgt grafisch kan worden uitgedrukt (…).’ Sigmund Freud moge de wereld net als Newton en Darwin uit haar halfslaap hebben geschud, daar staat ten negatieve tegenover dat hij als geen tweede een goede Witz wist te versjteren. Het pleit vóór Freud dat in zijn tijd de complete academische onderwereld tegen hem werd gemobiliseerd. Hoogleraar A. noemde de psychoanalytische behandeling 'niets anders dan een massage van de geslachtsorganen’. Hoogleraar B. riep, krachtig met zijn vuisten op de katheder slaande: 'Dit is geen onderwerp voor een wetenschappelijke vergadering, het is veeleer een zaak voor de politie!’ Hoogleraar C. bewees dat er onmogelijk seksuele factoren in de hysterie aanwezig konden zijn omdat de meeste hysterici immers frigide waren. Er bevonden zich onder Freuds vroege vijanden nogal wat loslopende gekken, hetgeen men van zijn eigentijdse critici niet kan beweren. Wel heeft het inmiddels iets modieus gekregen om op bruiloften en partijen tegen hem tekeer te gaan. Eigenlijk wordt het eigentijdse denken over Freud het best gedocumenteerd in een tekening van Peter van Straaten. Men ziet drie enigszins aangeschoten typen, verwikkeld in een intellectueel middenstandsdiscours. Zegt de een: 'Kom nou, Fred, die Freud van jou deugde toch voor geen meter!’ In Nederland wordt het koor der Freud-verachters aangevoerd door zonder meer achtenswaardige denkers als Karel van het Reve, Maarten ’t Hart en Han Israëls. Zij beschouwen, naar eigen zeggen, de oervader der psychoanalyse als een zwendelaar en een kwakzalver. Hun troefkaart is de studie Eine Kindheitserinnerung des Leonardo da Vinci, berustend op Da Vinci’s dagboekaantekening waarin hij beschreef hoe, toen hij een kleine, Italiaanse baby was, een 'Geier’ – de vertaling is van Freud – op zijn wiegje zou zijn neergestreken. Da Vinci groeide, net als de gier, vaderloos op en hechtte daardoor zo sterk aan zijn moeder dat hij daar homoseksueel van werd. Helaas, zo weten wij al bijna tachtig jaar, betrof het een vertaalfout: Da Vinci sprak over een 'nibbio’, en dat is geen gier, maar een wouw, ornithologisch een wereld van verschil, hetgeen Freuds hypothese op losse schroeven zet. Laten wij Freud enig krediet geven. Het betreft hier een misverstand, geen proeve van bewuste misleiding. Misschien zijn al die beroemde 'ziektegeschiedenissen’ inderdaad pure nonsens, waarbij de schrijver de waarheid af en toe heeft bijgekleurd in de richting die hem het best uitkwam. Dat is laakbaar, wellicht berustend op de oneigenlijke haast die Freud had bij zijn streven de conservatieve wereld van die tijd op z’n kop te zetten. Niettemin, zijn zonden zijn mijns inziens niet toereikend om bij wijze van represaille zijn Gesammelte Werke bij het asvat te zetten. Ik heb ook zo mijn ironische twijfels over de seksuele symboliek, gedroomd of niet, van dolken en paraplu’s, kisten en kasten, corresponderend met het mannelijk en vrouwelijk genitaal; ik ben er niet van overtuigd dat de bontkraag inderdaad zijn rol van fetisj dankt aan de associatie met de beharing van de mons veneris, net zomin als ik weet of het als bewezen moet worden beschouwd dat de stropdas het symbool van de bungelende penis is. Driekwart van de wetenschappelijke theorieën uit Freuds tijd ogen inmiddels als curiosa uit een ver verleden, en daarop vormt het oeuvre van de 'Viennanese Witch Doctor’ (zoals de Freud-hater Vladimir Nabokov hem noemde) geen uitzondering. Toch blijft het Freuds verdienste dat hij de rol van onze innerlijke huishouding, met name op het gebied van de seksuele driften, bespreekbaar heeft gemaakt, tot wilde woede van de aartsreactionairen die hem op een ongehoorde wijze de huid hebben vol gescholden, waarbij zij zich natuurlijk niet de kans lieten ontnemen op zijn – laat ik zeggen: exotische – afkomst te wijzen. Hij is een Semitische kwaadstichter in het kwadraat genoemd, vergelijkbaar met joods geboefte als helers, woekeraars en kwartjesvinders, hetgeen al een reden op zichzelf is hem tegen zijn tegenstrevers in bescherming te nemen. 'Misschien heeft Freud zich soms vergist’, zegt de psychoanalyticus A. van Dantzig, 'maar zijn vergissingen hebben meer allure dan de meeste waarheden van gewone mensen.’ Gewone mensen die zich vaak van Freuds onmiskenbare waarheden bedienen, zonder zich te realiseren dat die allemaal door hem zijn uitgevonden, zoals hecht in onze cultuur verankerde begrippen als de verdringing, de Fehlleistung, het ego, het super-ego, de anale en de orale fase, het oedipuscomplex en de freudiaanse vergissing. Dat dergelijke begrippen zo’n vast onderdeel van onze cultuur zijn geworden, wil overigens nog niet zeggen dat zij de laatste wijsheid representeren. Werkt de verdringing inderdaad zoals de psychoanalyse beweert? De geheugenspecialisten H.F.M. Crombach en H.L.G.J. Merckelbach menen dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend is dat wij de onaangename dingen des levens uit ons brein proberen te bannen. Integendeel, sommige dingen des levens – ons verblijf in het concentratiekamp, bijvoorbeeld – herinneren wij ons met martelende scherpte, en wij zouden er alles voor over hebben als ons de genade werd vergund het allemaal te mogen vergeten. Niettemin, het 'is en blijft mijns inziens een onsterfelijke verdienste – en dat de theorieën waarop hij deze ontdekkingen baseerde vaak niet meer dan luchtspiegelingen blijken te zijn, zonder aantoonbare wetenschappelijke basis, moge hem, vind ik, van harte worden vergeven’. Hier citeer ik de aartsscepticus Pierre Vinken, die in zijn tijd als neurochirurg menig schedel heeft gelicht en dus verstand van de materie heeft. Freud was ongetwijfeld een soort sekteleider die de gedachte niet kon verdragen dat iemand iets beter wist dan hij. En hij was een klager die zich een leven lang miskend heeft gevoeld. 'Geen blad heeft zich bewogen’, zei hij, een kwart eeuw na de verschijning van De droomduiding. 'Ik stond volkomen geïsoleerd. In Wenen werd ik gemeden, het buitenland nam geen kennis van mij, aan mijn Droomduiding werd in de vakpers nauwelijks aandacht besteed.’ En zo weerklonk ook Ernest Jones, Freuds devote discipel en biograaf. 'Zelden heeft een zo belangrijk boek zo’n geringe echo gehad’, schreef hij. Het is een decennialang nageprate legende, die in de wereld is gebracht door een man die blijkbaar behoefte had aan de mythe van de eenzame heros, die zijn solitaire strijd tegen de boze buitenwereld heeft moeten voeren. In werkelijkheid is Freuds hoofdwerk rond de eeuwwisseling tientallen keren gerecenseerd – en veelal in positieve zin. De droomduiding, zo was de teneur van de recensies, zowel in de kranten als in de wetenschappelijke publicaties, is een boek 'vol rijke gedachten’, dat 'scherpzinnige, vaak ook gewaagde onderzoekingen’ bevat, 'zeer de moeite van het lezen waard’ is en bovenal 'een verrukking voor iedere kindervriend’. De laatst geciteerde criticus moet de passages over het hoofd hebben gezien waarin Freud onze lieve kleintjes beschrijft als potentiële vadermoordenaars en seksmaniakale motherfuckers. Een enkeling mopperde wat over het speculatieve karakter van sommige droomanalysen. Een topstuk uit De droomduiding is het verhaal van de dame die in haar slaap door drie leeuwen werd bezocht, want haar vader had leeuwenmanen en haar Engelse lerares heette Miss Lyons, terwijl een kennis haar vertrouwd had gemaakt met de balladen van de componist Carl Loewe. De criticus was echter de valse toon in het koor van unanieme bijvalsbetuigingen. Van Freuds zieligheidsvertoon blijft uiteindelijk weinig over. Het is allemaal zelfbeklag en ijdeltuiterij. Niettemin, als wij een halszaak zouden maken van zelfbeklag en ijdeltuiterij, werd het stil, héél stil in de internationale academische wereld. Het is een feit dat Freud bij leven en welzijn door opvallend veel twijfelachtige vijanden was omgeven: christenen en communisten, kruideniers en oerfeministes, zedelijkheidsmaniakken en niet te vergeten de hooggeleerde heren doktoren van het Wiener Allgemeine Krankenhaus die hem openlijk 'een psychopaat’ en 'een sadistische mishandelaar van zielszieken’ noemden. Bovenal was Freud natuurlijk een geliefd doelwit van de antisemieten. De weerstand tegen hem en de psychoanalyse, zei hij ironisch, was aanmerkelijk minder geweest als hij niet Freud, maar Oberhuber had geheten. Het is moeilijk géén zwak te hebben voor een man die zo subliem uit de hoek kon komen, om het even wat hij met de Rattenman en de Man Mozes, Israeliër of Egyptenaar, heeft uitgespookt. Freud heeft bij het bestuderen van de menselijke ziel onmiskenbaar fouten gemaakt. Van de menselijke natuur had hij echter zonder enige twijfel veel verstand, getuige twee van de essays die hij heeft geschreven: Die Zukunft einer Illusion en Das Unbehagen in der Kultur. Zelden hebben wij zulke verstandige, genuanceerde teksten onder ogen gehad. Het had voor de hand gelegen wanneer Freud, als rationele jood in een irrationele, agressieve, christelijke wereld, zijn vingers aan de godsdienst had afgeveegd. Daarentegen constateerde Freud dat het christendom een ordescheppende factor was in een beangstigende wereld vol duisternis, onzekerheid en verdriet. Het christendom verzoent de mens immers met het leven en het troost u en mij in het aangezicht van de dood door te beloven dat het leven na dit leven alle aardse ontberingen zal compenseren. Al komt men er – met alle respect – niet onderuit de godsdienst als een infantiel verschijnsel te beschouwen, het plechtanker van de hulpeloze mens die in zijn wanhoop de uitgestoken hand van Christus grijpt, de hulpeloze mens die zich niettemin ooit, zelfstandig en volwassen geworden, aan de 'religieuze illusie’ dient te ontworstelen en manmoedig – hoe zwaar dit ook is –de boze buitenwereld zal moeten betreden. En zo heeft Freud ook opvallend wijze woorden gesproken over die plaatsvervangende godsdienst, het communisme, in een periode waarin menig gewaardeerde West-Europese intellectueel braaf achter Stalin aansjokte. Het naasten van het particuliere eigendom, zoals de communisten dit propageerden en praktiseerden, was een hersenspinsel, betoogde Freud. 'Uit psychologisch oogpunt ben ik gedwongen het een onverdedigbare illusie te noemen.’ Het heeft namelijk geen enkel nut. 'Macht en invloed, de elementen van het agressieve misbruik, blijven wezenlijk onaangetast. Zij zijn niet uit het verschijnsel eigendom geboren, zij heersten vrijwel onbelemmerd in de oertijd, toen het eigendom een zeer bescheiden rol speelde. Maakt men een einde aan de individuele aanspraak op materiële goederen, blijft nog altijd de bevoorrechte positie in seksuele aangelegenheden, die de bron is van de meest schrijnende jaloezie en de meest heftige vijandschap tussen – in ander opzicht gelijkberechtigde – individuen.’ Men hoeft, driekwart eeuw later, slechts de biografieën van Erich Honecker, verzamelaar van westerse pornofilms, en Leonid Brezjnev, bezitter van twintig hoogkapitalistische Mercedessen, te bestuderen om in te zien dat Sigmund Freud in bepaalde opzichten een visionair denker is geweest. Toegegeven, een denker is niet per definitie een man van de wetenschap. Toegegeven, het is allemaal haast wáár wat de contemporaine critici voor lelijks over hem zeggen – niettemin ben ik van mening dat er reden is om de oude baas, ondanks zijn streken, met compassie en generositeit tegemoet te treden.