Friebel de fratsen

De man die door zijn twee nichtjes van ontucht werd beschuldigd heet G. en de klinisch psycholoog die de opdracht kreeg onder zijn schedel te kruipen heet W. Hij praatte een uurtje met de verdachte en diagnostiseerde een overmatige seksuele gepreoccupeerdheid, geobsedeerdheid, perverse neigingen, sadistische trekken en een neiging tot gewelddadig acting out-gedrag. Het vonnis, gevoed door de bevindingen van deze getuige-deskundige, luidde vijftien maanden cel.

Terwijl G. onschuldig was, zoals de Volkskrant, waaraan ik dit verhaal ontleen, aannemelijk wist te maken. Zoals Hans van Z., die eind jaren zestig drie mensenlevens op zijn geweten had, zowel schuldig als ‘natuurlijk knettergek’ (Van Z. over Van Z.) is geweest. Niettemin bevonden de psychiaters hem volledig toerekeningsvatbaar. Maar hoe komt een volledig toerekeningsvatbare man dan toch in de Van Mesdagkliniek terecht? Omdat hij interessant oefenmateriaal was voor de menswetenschappelijke 'jonge broekjes’, die over zijn rug heen het zieleknijpen wilden leren. 'De jonge artsen vochten als het ware om mijn behandelaar te mogen worden. Ze praatten me naar de bek, probeerden een wit voetje bij mij te halen. Aan dat kat-en-muisspel werkte ik wel mee, maar alleen om meer privileges te krijgen’, zegt Van Z. in de Leeuwarder Courant.
Ik zit niet te kankeren op de psychoanalyse en haar diverse vertakkingen. De psychoanalyticus/-ca is op zijn best een wijze uil, die goed luisteren kan. Maar in het strafrechtelijk verkeer, gedwongen een pertinente mening over de medemens te verkondigen, is het een en al rampspoed. Heeft opa bij zijn kleindochter zitten te friebel de fratsen? vroeg de orthopedagoge en psychomotorisch therapeute mevrouw G. aan het zesjarige meisje waarvan de grootvader van ontucht werd verdacht. Ja, zei het kind, want kinderen zeggen altijd ja, op de bewaarschool was haar nooit geleerd wat friebel de fratsen impliceert en wij, opa’s en oma’s, plegen nu eenmaal altijd met onze kleinkinderen te friebel de fratsen. Niettemin, bewijs geaccepteerd, familie aan stukken, huwelijk na vijftig jaar ontbonden en opa’s leven alsnog verwoest.
Zo is op zijn beurt de rechter op zijn best een wijze uil, die in redelijkheid dient te oordelen en zich ondertussen niets aan menswetenschappelijke wijsneuzerij gelegen laat liggen. Natuurlijk was er aan de bejaardenverpleger Frans H. te L. een steekje los. Hij waarde als de engel des doods door het verpleegtehuis en deelde dodelijke insuline-injecties uit alsof het krentenbollen waren. Hoe kwam hij daarbij? Dat komt, legde de psychiater S. uit, doordat de man autoritair, gevoelsarm, heerszuchtig, kil, onbetrouwbaar, oneerlijk, onwaarachtig, theatraal en zalvend was. De psychiater D. beschreef de verdachte daarentegen als suggestibel, steunzoekend, oprecht, niet-hypocriet, met een te groot vertrouwen in de goede eigenschappen van de mens en verbitterd over de ontstane twijfel aan zijn goede bedoelingen.
Somber blikte de verdachte in de richting van de getuigenbank. Als gelovig mens kende hij het bijbelwoord: 'Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld worde.’ Helaas, aan deze herderlijke vermaning wordt in de Paleizen van Justitie zelden het oor geleend.