Friedrich Schiller, Zijn werk

Friedrich Schiller

(1759-1805)

Zijn werk

Peter-André Alt

Schiller I+II: Leben, Werk, Zeit

C.H. Beck, 1424 blz., € 24,90

Sigrid Damm

Das Leben des Friedrich Schiller:

Eine Wan derung

Insel Verlag, 489 blz., € 24,90

Rüdiger Safranski

Schiller: Oder Die Erfindung des

Deutschen Idealismus

Carl Hanser Verlag, 559 blz., € 25,90

Friedrich Schiller

Über die ästhetische Erziehung des

Men schen

Reclam, 286 blz., € 6,40

Friedrich Schiller had op 9 mei 1805 zijn werk niet voltooid, zijn bureau lag nog vol plannen, maar toch, toen hij die dag op 45-jarige leeftijd stierf in zijn huis aan de Esplenade in Weimar doordat zijn zieke lichaam een ruïne was geworden, had zijn dichtkunst al de onsterfelijkheid bereikt. Zijn literaire werken, en met name zijn grote historische drama’s als Don Karlos, de Wallenstein-trilogie, Die Jungfrau von Orleans en Wilhelm Tell, hadden hem een gelijkwaardige plaats verschaft naast zijn grote vriend Johann Wolfgang von Goethe, met wie hij later samen werd vereeuwigd in het bekende monument voor het theater van Weimar.

Peter-André Alt heeft in zijn indrukwekkende, tweedelige Schiller-biogra fie geschreven: «Schillers literaire prestaties zijn het product van gedisciplineerde inspanning en meedogenloze uitbuiting van het eigen lichaam.» De schrijver werd begin 1791 zo ernstig ziek dat al spoedig het gerucht over zijn dood de ronde deed en zelfs Denemarken bereikte. Maar hij werd beter, al ver liet de ziekte, die benauwdheid, darmkrampen en koorts veroorzaakte, hem nooit meer. Schiller, die een medische opleiding had, wist dat hem geen lang leven beschoren zou zijn. Maar dat was geen reden zichzelf te ontzien. Als het aardse bestaan van korte duur zou zijn, dan moest het leven, dat wil zeggen het werk, naar een hogere versnelling. Is het niet immers «de geest die zich een lichaam bouwt»? En die geest was krachtig, vruchtbaar en vol goede moed. Wie tracht het werk te overzien dat in dit relatief korte leven werd geproduceerd, valt stil van verbazing en bewondering.

Wat was de geest van dat werk? Goethe en Schiller: samen zijn ze goed voor de Weimarer Klassik. De term kenmerkt de bloeiperiode van de Duitse literatuur rond 1800, maar geeft ook aan hoezeer Goethe en Schiller (en anderen) de kunst van het oude Griekenland bewonderden. Ze verdiepten zich in de antieke dicht- en theaterkunst, grepen terug op verhalen uit de Griekse mythologie, koesterden het ideaal van een vrijere en betere mensheid. Maar de Griekse Oudheid was zeker niet hun enige inspiratiebron. Zij waren bezield van de rationele geest van de Verlichting en de wetenschap. Hun werk werd evenzeer bepaald door de actualiteit of de jongere geschiedenis; bij Schiller vooral de tijd van de Reformatie en de godsdienstoorlogen.

De grote vriendschap tussen Goethe en Schiller was uniek en voor de Duitse literatuur van eminente betekenis, maar ze was allerminst vanzelfsprekend. Goethe was tien jaar ouder en al een zeer gerespecteerd en welgesteld persoon, vriend en raadsman van de hertog van Weimar, toen de arme Schiller in de periode 1787/1788 toenadering zocht tot de door hem zeer bewonderde dichter. Deze ging op deze toenaderingspoging niet in, hoogstwaarschijnlijk omdat beiden bij alle verschillen iets gemeenschappelijks hadden. Ze waren beiden al jong beroemd geworden door een werk dat bij verschijning grote beroering wekte. Bij Goethe was dat de roman Die Leiden des jungen Werthers en bij Schiller het drama Die Räuber, dat in februari 1781 zijn première beleefde in Mannheim. Over deze uitvoering vertelde een ooggetuige: «Het theater leek een gekkenhuis; rollende ogen, gebalde vuisten, stampende voeten, hese kreten uit het parket! Vreemde mensen vielen elkaar snikkend in de armen, vrouwen wankelden bijna bewusteloos naar de deur. Chaos, maar uit de nevel was iets nieuws geboren.»

Beide werken behoren tot de Sturm und Drang, een beweging van jonge schrijvers met wilde gebaren en grote gevoelens, die lak hadden aan conventies en leefden en werkten naar eigen regels. Goethe had dit alles achter zich gelaten, toen Schiller in Weimar opdook. Met de auteur van Die Räuber wilde hij niets te maken hebben. Waaruit Schiller de conclusie trok dat hij op eigen kracht carrière moest maken. Goethe, noteerde hij, is een «egoïst» en lijkt op een «trotse preutse maagd bij wie je een kind moet maken om haar voor de hele wereld te vernederen».

Maar laten we beginnen bij het begin. Friedrich Schiller had zijn jeugd doorgebracht op een uiterst strenge militaire school, de Hohe Karlsschule, een stichting van de tirannieke Württembergse hertog Carl Eugen, die hoogstpersoonlijk toezicht hield op het gedrag van de rond vierhonderd scholieren en studenten. De jonge Schiller werd er opgeleid tot regiments arts. Hij maakte op deze academie echter ook kennis met filosofie en literatuur, en schreef in het geheim Die Räuber, een bloedstollend drama over twee adellijke broers, Franz en Karl von Moor. De arglistige Franz heeft een totaal verdorven karakter, terwijl de ander in wezen goed is maar door de omstandigheden wordt gemaakt tot een roverhoofdman.

Schiller behoorde tot de eerste Duitse schrijvers die van dichten hun be roep maakten, en dit betekende dat zijn schrijverschap ook onder economische dwang stond. Vooral Sigrid Damm benadrukt dit in haar biografie die is gebaseerd op de vele brieven van Schiller. De dichter moest leven, geld verdienen en dat leidde ertoe dat hij in 1786 het maken van drama’s opgaf om geschiedschrijver te worden. Hij had drie jaar aan Don Karlos gewerkt en «ik ben met onlust beloond», schreef hij aan een vriend. «Wat ik geef, staat niet in verhouding tot wat ik ontvang.» Bij geschiedschrijving, zo verwachtte hij, zou dat anders zijn.

En dat was ook zo. Aan het einde van de achttiende eeuw groeide het lezende publiek snel en dat toonde grote belangstelling voor historische werken. Schillers keuze viel op de geschiedenis van de Nederlanden. Met de «vlijt van een ezel» bestudeerde hij de bronnen en in 1788 verscheen het eerste deel van Geschichte des Abfalls der Vereinigten Niederlande von der spanischen Regierung. Het boek werd ook daarom een groot succes omdat de dichter zich had voorgenomen deze geschiedenis in een «mooie, edele stijl» te schrijven. Volgens Rüdiger Safranski, die na E.T.A. Hoffmann, Schopenhauer, Heidegger en Nietzsche nu ook een biografie over Schiller heeft geschreven, is hij daar helemaal in geslaagd: «Met een dergelijk literair meesterschap is vóór Schiller in Duitsland nog nooit over geschiedenis geschreven. Hij had zijn gevoel voor ritme uit de verzen van Don Karlos meegenomen naar het proza.»

Het tweede deel over de Tachtigjarige Oorlog kwam nooit tot stand, wat typerend is. In zijn levensloop stuit men steeds weer op werken en projecten die enthousiast ter hand worden genomen, maar niet worden voltooid. De dichter heeft of zijn belangstelling verloren of ander, interessanter werk heeft zich aangediend of er kan met iets nieuws meer geld worden verdiend.

De eerste historische studie had twee gevolgen. Schiller werd, op aanraden van Goethe, benoemd tot bijzonder hoogleraar in de geschiedenis aan de universiteit van Jena, een stad op twintig kilometer afstand van Weimar. Een eervolle baan, maar helaas zonder salaris. Uitgever Göschen uit Leipzig kwam wel met een financieel aantrekkelijk aanbod. Hij wilde voor zijn Historische Calender für Damen een studie over de Dertigjarige Oorlog, de godsdienstoorlog die in de eerste helft van de zeventiende eeuw het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie verscheurde, en betaalde vierhonderd daalder, toen een flinke som geld. In 1790 verschenen in het tijdschrift de eerste twee delen van deze geschiedenis; de eerste oplage van zevenduizend exemplaren was snel uitverkocht. Schiller heeft deze geschiedenis overigens wel voltooid, zij het met veel moeite vanwege zijn ziekte. Daarna stapte hij over op een andere tak van de wetenschap: de filosofie.

Het klinkt paradoxaal, maar die overstap werd vergemakkelijkt door die slopende ziekte. Schiller kon tot ongeveer tien jaar voor zijn dood niet leven van zijn werk en was aangewezen op on dersteuning door vermogende bewonderaars en vrienden, onder wie twee Deense edellieden, prins Von Augustenburg en graaf Von Schimmelmann. Toen zij hoorden dat de schrijver in levensgevaar had verkeerd, besloten ze hem drie jaar lang een stipendium te geven van duizend daalder per jaar. Schiller kon zich zonder grote zorgen overgeven aan de studie van de filosofie van Kant.

Naast de revolutie in Frankrijk voltrok zich destijds ook, zij het minder spectaculair, een revolutie in Duitsland. Het was een revolutie in het denken, uitgevoerd door Immanuel Kant in het Oost-Pruisische Königsberg in zijn Kritiek van de zuivere rede. Schiller begon zijn studie niet met dit werk maar met de Kritik der Urteilskraft, Kants theorie over de schoonheid. Het was een theorie die Schiller niet bevredigde. Voor Kant was schoonheid een aangelegenheid van het gevoel, niet het verstand – een subjectieve aangelegenheid dus. Ethiek en esthetica hadden voor Kant niets met elkaar te maken.

Schiller meende dat schoonheid ob jectief kon worden bepaald. Zijn de fi ni tie luidde: schoonheid is vrijheid in verschijning. En bovendien was hij ervan overtuigd dat esthetica en ethiek juist niet van elkaar gescheiden zijn. Hij wilde bewijzen dat politieke problemen alleen opgelost kunnen worden door «de weg te nemen door het esthetische, omdat het de schoonheid is door welke men naar de vrijheid wandelt». Kunst is in staat de mensen te verheffen tot vrije wezens die moreel handelen. Dat is zo men wil Schillers revolutie.

Zijn filosofie van de schoonheid, voor het eerst ontvouwd in zijn brieven aan prins Von Augustenburg en later nog eens uitgewerkt in Über die ästhetische Erziehung des Menschen, heeft direct te maken met zijn beoordeling van de Franse Revolutie. Die revolutie, die hij aanvankelijk met sympathie gadesloeg, was in 1793 in zijn ogen mislukt. Ze was uitgelopen op een bloedbad. De Franse revolutionairen hadden Schiller vanwege zijn Räuber in 1792 weliswaar tot ereburger van Frankrijk benoemd, maar Schiller verwierp hun geweld. Hij schreef: «De poging van het Franse volk zijn heilige mensenrechten te verankeren en zijn politieke vrijheid te verwerven heeft alleen maar zijn onbekwaamheid en onwaardigheid aan het licht gebracht en niet alleen dit ongelukkige volk, maar ook een aanzienlijk deel van Europa een hele eeuw terug geslingerd naar barbarij en knechtschap. Het moment was zeer gunstig, maar het trof een verdorven generatie aan.»

Niet revolutie maar evolutie is de weg. «Politieke en burgerlijke vrijheid blijft altijd en eeuwig het heiligste der goederen, het meest waardige doel van alle inspanningen en het grote centrum van alle cultuur. Maar men zal dit heerlijke gebouw alleen op de vaste bodem van een veredeld karakter kunnen uitvoeren. Men moet dus beginnen burgers te scheppen, voordat men de burgers een grondwet kan geven.» En hoe vormt men die burgers? Door een «esthetische cultuur», die onafhankelijk is van de staat. Het scheppen van deze nieuwe mens zal tijd vergen, het is «werk voor meer dan een eeuw».

Opmerkelijk is dat Schiller ook wijst op de schaduwkanten van Verlichting en wetenschap. In zijn kenschets van de moderne mens loopt hij vooruit op wat tientallen jaren later Karl Marx zal schrijven over vervreemding, arbeidsdeling en specialisatie. In tegenstelling tot de antieke Griekse cultuur met zijn «heerlijke mensheid» is de moderne mens verworden tot een «brokstuk». Hij overziet niet meer het geheel, maar is een radertje in een «vindingrijk uurwerk». En «met eeuwig het eentonige geruis van het tandwiel dat hij beweegt, in zijn oor, kan hij nooit de harmonie van zijn wezen ontwikkelen». Ook hier kan de cultuur uitkomst bieden. Schiller in zijn beroemde paradox: «De mens speelt slechts waar hij in de volle betekenis van het woord mens is, en hij is alleen daar geheel mens waar hij speelt.»

De vriendschap met Goethe, die begint in het najaar van 1794, luidde het einde in van zijn filosofische jaren. Hij keerde terug naar de literatuur en naar zijn eerste en eigenlijke roeping: het drama. Goethe heeft daaraan zeker bijgedragen. Vriendschappen waren voor Schiller zo belangrijk dat hij er zijn beroemde Ode an die Freude (later door Beethoven opgenomen in zijn Negende Symfonie) aan wijdde, waarin naast het bekende «Alle Menschen werden Brüder» staat: «Wem der grosse Wurf gelungen/ Eines Freundes Freund zu sein».

Vriendschappen voorzagen in Schillers grote behoefte over zijn werk te communiceren. De communicatie be reikte een ongekende intensiteit in de vriendschap met Goethe. Toen Schiller Wallenstein had beëindigd schreef hij Goethe: «Ik vind duidelijk dat ik boven mezelf ben uitgegroeid en dit is de vrucht van onze omgang met elkaar.» Goethe liet weten: «U heeft me een tweede jeugd verschaft en me weer tot dichter gemaakt, wat ik zo goed als niet meer was.»

In die laatste jaren, waarin het ene historische drama na het andere ontstond, werd Schiller de «Duitse Shake speare», zoals een recensent had voorspeld. Een passende titel, die duidt op het universele karakter van Schiller. Mede als gevolg van Napoleons oorlogen en expansiedrift ontstonden in Duitsland, verdeeld nog in tientallen vorstendommen, nationale gevoelens. Schiller wees die af als iets voor «onrijpe naties». Een van de beroemde spotverzen van Schiller en Goethe luidt: «Een natie te vormen, dat hopen jullie, Duitsers, tevergeefs/ Ontwikkelen jullie je, als jullie dat kunnen, vrijer tot mensen».

Dat was Schillers grote hoop. Duitsland moest zich ontwikkelen tot een cultuurnatie, moest geduldig bouwen aan de ontwikkeling van betere mensen. De natievorming zou daarbij vertraging oplopen, maar dat was niet erg.

Dat die hoop werd bedrogen, althans tot de tweede helft van de twintigste eeuw, is inmiddels bekend. Safranski schrijft aan het slot van zijn biografie: «Schiller heeft zich in de verste verte niet kunnen voorstellen dat uit de vertraagde natie in plaats van democratische en culturele rijpheid zonderlinge hysterie en ressentimenten zouden ontspringen, dat de langzaam gegroeide cultuur en intellectuele vorming niet krachtig genoeg zouden zijn om de barbarij te verhinderen, en dat deze cultuur zich zelfs als instrument zou laten misbruiken voor de doeleinden van de barbarij.»