‘friezen zijn ont-zet-tend open’

Boer zou hij worden, maar zijn vader zag voor hem meer toekomst in de journalistiek. Nu keert Hylke Speerstra als schrijver terug naar zijn roots. Een bevlogen realist over de onafwendbare teloorgang van de plattelandscultuur. ‘Friesland is een twintig-minutenland geworden.’
IN ZIJN eigen Friesland is de schrijver/journalist Hylke Speerstra (59) wereldberoemd. Hij schreef een tiental boeken waarin het Friese plattelandsleven van de jaren twintig en dertig even kleurrijk als nauwgezet werd vastgelegd. Van zijn bekendste werk, Neaken en bleat foar de dokter, gingen zo'n twintigduizend exemplaren over de toonbank. Zijn literaire ambitie combineerde Speerstra zeventien jaar lang met het hoofdredacteurschap van het weekblad voor de Rijn- en binnenvaart Schuttevaer.

Tevens was hij oprichter en hoofdredacteur van het Agrarisch Dagblad. Een opmerkelijke man. Gezaghebbend journalist tussen boeren en binnenschippers, een wereld waarvoor de media doorgaans weinig clementie hebben. Maar ook een romantische boerenzoon die zichzelf, gehuld in dure pakken, als hoofdredacteur tussen vier muren terugvond. Liberaal van opvattingen, conservatief in zijn gevoelens, en opmerkzaam getuige van een proces dat zijn weerga in de Friese geschiedenis niet kent.
Speerstra: ‘In de 35 jaar dat ik in de journalistiek zit is een oeroude agrarische cultuur weggesijpeld. Gestaag, maar bijna onmerkbaar. Als dat proces zich in tien jaar had voltrokken, was heel Nederland verbijsterd geweest.’ Hij hekelt de nieuwe grootschaligheid en globalisering en de daarmee gepaard gaande teloorgang van oude structuren en tradities 'die Friesland zoveel eigenheid en kleur hebben gegeven. Maar anderzijds ben ik toch ook voorstander van die vooruitgang. Ik kan het niet hebben dat de inkomenspositie van deze provincie achterraakt bij de rest van Nederland.’
'Dubbel’, noemt hij zichzelf tot drie keer toe gedurende het interview. Bijvoorbeeld over de festiviteiten rond zijn vertrek bij de Leeuwarder Courant, waarvan hij de afgelopen zeven jaar samen met Rimmer Mulder de hoofdredactie vormde. Speerstra is begin deze maand met de Vut gegaan. Tijdens dit gesprek, vlak voor zijn afscheid, zegt hij dat het komende handengeschud en geborrel hem vervulde met 'elschottiaanse droefenis’. 'Zo'n afscheid hoort bij de liturgie van het leven. Je komt heel stil, en je zou ook graag heel stil weg willen gaan. Mijn voorganger, Jacob Noordmans, hield bij zijn vertrek een bescheiden drinkgelag in een Leeuwarder etablissement. Heerlijk. Maar ik heb me later laten wijsmaken dat het niet goed is voor de krant. De krant dringt zich iedere dag op aan het volk, maar een redactie belandt al snel in een ivoren toren. Wanneer je als hoofdredacteur niet oppast, vereenzaam je. De lezers hebben er recht op te weten wie er achter die namen zitten.’
Zijn naam kwam vooral naar voren in de hoofdredactionele commentaren op de voorpagina van de Leeuwarder Courant, die hij, liberaal, om toerbeurt met zijn sociaal-democratische collega Rimmer Mulder schreef. Speerstra: 'Als zo'n commentaar puntig en inspirerend is geschreven, kan er een katalyserende werking van uitgaan. De voorpagina geeft impact. De magie van het geschreven woord is daar groter dan op pagina vijf. Ik vond het heel leuk om zeven jaar mede opinie te maken in zo'n provincie. Al ben ik geen persoon met veel zendingsdrang, enige hang naar performance is mij niet vreemd.’
In een van uw boeken noemt u de krant een middel om de bevolking te verheffen. Geldt dat voor de Leeuwarder Courant nog steeds?
Speerstra: 'Vroeger kon een krant bijdragen aan het zelfbewustzijn van een bevolkingsgroep. Die pretentie moet je nu niet meer hebben. Binnen het dagelijkse informatiebombardement dat over ons wordt uitgestort, is de zeggingskracht van een krant geringer. Nu is het enige streven elke dag een betere krant te maken met de juiste informatie op de juiste plaats.’
De oplage van de Leeuwarder Courant stijgt de laatste jaren amper. Kan juist een becommentariëring van het nieuws de concurrentiepositie van de krant niet versterken ten opzichte van Internet of de lokale omroep?
'In mijn 36 journalistieke jaren is de informatiestroom sneller gegroeid dan ooit tevoren. En dat proces zet door. Tegelijkertijd begint in een stad als Leeuwarden de ontlezing op gang te komen. De mensen zeggen hun abonnement niet op omdat ze een andere krant beter vinden, ze nemen helemaal geen krant meer. Hele gezinnen plukken willekeurig nieuws van Teletekst. Door het overstelpende aanbod komt men niet meer tot een juiste keuze. Ik ben bang dat mensen in de zee van informatie verdwalen, dat de apathie toeslaat. Apathie past bij deze tijd, we leven in het luchtledige. Wat er bijvoorbeeld in de politiek gebeurt, dat is helemaal niks. Politici laten zich meeslepen door technocratische processen als bestuurlijke vernieuwing. Als daar geen tegenbeweging op komt, zie ik het zwart in.’
Maar is het aan de kaak stellen van die tendens voor een journalist geen gouden materiaal?
'Het is te hopen dat de pers daar een corrigerende invloed op heeft. Maar kranten dreigen ook te vervallen tot dezelfde institutionalisering. De rapportentaal van beleidsmakers sluipt de krant binnen. Het is een hels karwei om dat dagelijks te vertalen.’
DAT HELSE KARWEI is voor hem nu dus afgelopen. Op de vraag waarom hij vrijwillig al vijf jaar voor zijn pensioengerechtigde leeftijd opstapt, zegt hij: 'Omdat ik geen onverbeterlijke nieuwsjager ben. Ik wil schrijven zonder het commando van het dagelijkse nieuwsaanbod, me laten gaan in mijn droomwereld. Een mooie novelle schrijven, een kort verhaal. Bovendien: ik ben een echt buitenkind, altijd geweest. Ik voelde mij nooit op mijn plek tussen vier muren, maar ik heb eraan moeten geloven. Nu wil ik er weer uit, terug naar waar ik vandaan kom: de ruimte, de gewone mensen - het platteland.’
Speerstra werd in 1936 geboren in het gehucht Eemswoude, onder de rook van Bolsward in de Friese Zuidwesthoek. Een eenvoudig boerengezin met, zegt hij, een zekere hang naar intellectualisme, naar lezen, verhalen. 'Mijn opa schreef commentaartjes in opschrijfboekjes. Soms was hij zo onder de indruk van een redactioneel commentaar in de krant dat hij dat in mooi handschrift overschreef. Mijn vader wees me eens op een jezuïet die in de opkamer van een boerderij altijd zat te schrijven. Dat maakte op mij diepe indruk. Als jongen van zeven, acht jaar verzamelde ik spreekwoorden. Totdat ik in een boekhandel kwam en een citatenboek ontdekte.
Mijn vader had de dood aan bureaucratie en ambtenarij. Zo op het oog een hele platte aversie, pas later begreep ik de achtergrond. Hij werd boer in de prachtige jaren twintig. Het was de tijd dat boeren auto’s kochten en de charleston dansten in Amicitia te Sneek. Toen kwam de crisis en lag Den Haag ineens ontzettend ver weg. Het boer-zijn, een cultuur met een zekere status, werd bedreigd. De burgemeester had een steunplan getroffen. Maar dat heeft mijn vader later juist ontzettend bang gemaakt. Zodra er weer geld was, werd het door de overheid opgeëist. Hij voelde zich een horige in een wingewest. Na de oorlog heeft hij zich rotgewerkt voor de voedselvoorziening. Toen kwamen de belastingaanslagen. Het werd hard ploeteren, tot diep in de jaren vijftig. Dat heeft mij een zekere solidariteit bijgebracht met mijn vader.
Ik zou ook boer worden. De opvolging van mijn vader was iets vanzelfsprekends. Na de middelbare landbouwschool ging ik een tijdje naar Frankrijk om de taal te leren. Toen ik terugkwam, lag er op een zaterdagochtend een advertentie op mijn bord. Er werd een journalist gevraagd bij het Fries Landbouwblad. Dat was kenmerkend voor mijn vaders levenshouding. Hij heeft nooit gezegd: daar moet je op reageren. Nee, hij legde alleen die advertentie daar neer.’
Waarom wilde hij niet dat u boer werd?
'Het was een stille wenk, hij wist dat de tijd dat iedereen boer kon worden voorbij was. Op dat moment, in de late jaren vijftig, begon de ontvolking van het platteland. De auto heeft een enorme invloed gehad op de samenleving, maar in de agrarische sector is de melkmachine de grote motor achter de sanering geweest. Voor de komst van de melkmachine waren er op een boerderij met 35 koeien zeker vier, vijf mensen nodig; na de melkmachine nog maar één.
Ik schreef een lyrische sollicitatiebrief aan het Landbouwblad, veel te lyrisch. “Vanmorgen om kwart voor twaalf is mijn hart sneller gaan kloppen”, dat was de eerste zin. Er stond ook nog een dt-fout in. Toch mocht ik op gesprek komen bij de secretaris van de Friese Maatschappij voor Landbouw in Leeuwarden, ingenieur Swierstra. Hij zei: “U mag het worden, maar dan moet u wel bijlessen in taal nemen.” Ik werd hard aangepakt. Moest zelfs op zaterdagochtend nog naar de krant toe om het archief bij te houden. Daar ben ik, op zijn Fries gezegd, niet slechter van geworden. Alleen heb ik het ontzettend moeilijk gehad tijdens de eerste zomer in het redactiegebouw - ik kon er niet uit en ik wist dat de boeren aan het hooien waren. Langzaam maar zeker sla je die primitieve gevoelens er wel uit, maar ik zie het als een verademing dat ik straks vaker buiten kan zijn. Op mijn boot heb ik een computeraansluiting laten aanbrengen. Ik wil aan boord schrijven; desnoods flink ingepakt, of’ - hij grijnst - 'als een boer gekleed.’
VAN 1969 TOT 1986 was Speerstra hoofdredacteur van het binnenvaartweekblad Schuttevaer. Ik leg het meest recente nummer aan hem voor. Koppen over de lozingen van sojaschroot, de structuur van de duikbranche, 'weinig wind bij Pieperrace’. Wat fascineert hem in de waterwereld? Hij zegt dat binnenschipper meer dan een beroep is; het is een levenswijze. 'Je vaart met je hebben en houwen van Rotterdam naar Basel. De natuur, hoog en laag water, is geen marginale informatie, ze is een randvoorwaarde voor het varen op de grote rivieren en ze is van grote economische invloed op de vrachtprijs. Dat element vind ik zeer fascinerend. Daarnaast hebben binnenvaartmensen vaak veel meer talent dan hun opleiding doet vermoeden. Ze hebben iets directs, oorspronkelijks, ja, iets bijna literairs in hun optreden. Ik heb nooit mooiere vergaderingen meegemaakt dan bij de Koninklijke Vereniging Schuttevaer of de onafhankelijke schippersvakbond, waar mensen met hart en ziel voor hun belangen opkwamen, in een taal en bewogenheid die je nergens meer ziet in deze vergalde maatschappij.’
Uw fascinatie voor de wereld van boeren en binnenschippers wordt door het gros van de media niet gedeeld. Meestal overheerst de ironische ondertoon. Hoe komt dat?
'Zodra het milieuprobleem werd onderkend, heeft met name de boer zijn image verloren. De landelijke pers toont geen respect meer, maar de boer is ook zijn zelfrespect kwijt. Hij is gaan twijfelen aan de oeroude overtuiging dat hij rentmeester was, dat wat hij deed goed was voor het land. Nu is hij een producent van afvalstoffen. De boer is slachtoffer geworden van ruimtegebrek en schaalvergroting.’
In uw boeken legt u door middel van interviews de tradities van het platteland vast. In feite zijn het monumenten voor de laatste echte boer, de laatste echte schipper. Zijn er schrijvers met wie u zich verwant voelt?
'Ik praat er veel over met Geert Mak, die voelt hetzelfde. En de Amerikaanse oral history: ik voel me verbonden met schrijvers als John Steinbeck, zijn Druiven der gramschap’.
Wat fascineert u in zo'n boek?
'The struggle for life. Ook een heel simpel verhaal als Hemingways The old man and the sea, dat heeft iets heel, eh, basics.’
Hij vertelt dat hij als hoofdredacteur weinig heeft kunnen lezen. 'Ik ben geen intellectueel die supersnel kan absorberen en lozen. Ik ben niet zo gauw tevreden, ik wil graag poetsen. Ik heb flink moeten boksen om mijn stukken op tijd af te hebben.’
Honderden, duizenden Friezen moet Speerstra gedurende zijn carrière hebben geïnterviewd. Op de vraag of er zoiets als een Friese ziel bestaat, zegt hij handenwrijvend: 'Nou moet ik oppassen, want dit is gevaarlijk. Nee, het is geen uniek volk, er is niets bijzonders mee aan de hand, en toch… Ik heb in de jaren zestig en zeventig tientallen oude schippers in Friesland en Groningen geïnterviewd. De Groningers hadden absoluut een andere mentaliteit dan de Friezen. De kleine Friese binnenvaart is gestorven in schoonheid. Kijk naar die oude schepen met hun prachtige lijnen: de naarbinnen gebogen wangen, de geveegde achterscheepjes - vormen die haaks staan op de rationele vervoerseconomie. De Groningers maakten hun schepen massiever, robuuster, met minder gebogen vormen, waardoor er meer lading in kon. Het is geen wetenschap wat ik zeg, geen statistiek, maar mijn gevoel, mijn ervaring zegt me dat de schippers in Friesland emotioneler zijn, meer van hun schip houden. Een schip dat behalve ribben ook een ziel heeft, een buik en een slappe lul als scheepsonderdelen, en ook een kop en een kont. De schippers zijn in zekere zin het spiegelbeeld van hun schip. In Groningen heb ik verscheidene schippers dapper horen vertellen dat ze hun schip naar de sloop hebben gebracht en een nieuw schip lieten bouwen. Friezen schoten vol bij dergelijke verhalen.’
'Ja’, zegt hij vervolgens, 'Friezen zijn emotioneel, en ont-zet-tend open.’ En hij vertelt over zijn nieuwste, deze maand te verschijnen boek It Simmerlân, gebaseerd op nieuws dat te klein was om de krant te halen. 'Dan sprak ik mensen op straat aan. In een mum van tijd keerden ze zich helemaal binnenstebuiten over hun bestaan, over hun eenzaamheid.’
Dus het randstedelijke beeld van Friezen als gesloten stijfkoppen behoeft bijstelling?
'Inderdaad, dat beeld klopt niet. Aan de andere kant: Friezen zijn natuurlijk niet zo handig, verbaal. Het komt door die tweetaligheid. Er is een aardig percentage Friezen dat volgaarne in de rijkstaal kond doet van wat hen beweegt, maar dat droomt in het Fries. Pas in die taal kom je echt dichtbij.’
FRIESLAND IS al lang geen wingewest meer. Het bedrijfsleven komt er maar mondjesmaat van de grond. Hoger opgeleiden trekken weg. Moet Friesland niet een groot natuurgebied worden?
'Het grote dilemma waar Friesland mee worstelt is dat het aan de ene kant zijn oorspronkelijke karakter wil houden en aan de andere kant niet wil vervallen tot economisch achterstandsgebied. Misschien worden we daaruit gered door het mechanisme van de vrije economie: de bedrijven willen kennelijk niet naar Friesland komen. Alles klontert samen in de Randstad.’ Hij vertelt over de nieuwe autosnelweg dwars door de provincie. 'In twintig minuten ben je van noord naar zuid. Friesland is een twintig-minutenland geworden.’
Is dat jammer?
'Het is realistisch. Het kan niet anders. Tiden hawwe tiden zegt de Fries dan, tijden zijn vergankelijk. Als de gemeenten het heft maar in eigen handen nemen, en de projectontwikkelaars de deur wijzen. Die spelen het wel klaar om in korte tijd hele wijken op poten te zetten, maar het is eenvormigheid troef. Daarmee is Friesland al te ver gegaan, daar moeten ze mee stoppen. Ik behoor overigens niet tot de categorie afzwaaiers die zeggen dat het vroeger allemaal mooier was. De geschiedenis herhaalt zich, maar als de verwondering dreigt weg te gaan moet je wegwezen. Er is niks erger dan cynische journalistiek, dan identificeer je jezelf met de achteruitgang. Lichtelijk kalt-klinisch mag je best zijn, keuzes zijn tenslotte belangrijk. Maar in plaats van je laten inspireren door rapporten of dingen, moet je wel van mensen blijven houden.’