Frits korthals altes

Hij was het sinistere middelpunt van de beerput-Slavenburg, die mondiale hossel met miljoenen zwart geld, commerciële seks, drugs en frauduleuze handel in olie en wapens. Reken maar dat het voorzitterschap van Frits Korthals Altes zal zorgen voor leven in de brouwerij van de Eerste Kamer.
LANGE TIJD GOLD de Eerste Kamer als een curieus openluchtmuseum voor uitgerangeerde politici die zich vanuit hun ereloge, als die twee bitse oudjes van de Muppetshow, kakelend verlustigden aan de misstappen en uitglijders van het jonge volk op het podium van de Tweede Kamer, kritisch doch geheel verstoken van relevantie. De senaat ademde de sfeer van een oer-Haagse sociëteit, alwaar vleesgeworden anachronismen in opperste beslotenheid onder het genot van een glas port en Davidoff-sigaren keuvelden over de tijdgeest en de beurskoersen.

Aan dit aangename bestaan aan de boorden van het volle leven kwam toch nog onverhoeds een eind. Tegenwoordig is de senaat veranderd in een hogedrukketel van politieke activiteit, overkokend van gezagsondermijnende opzetjes en komplotten. De voorheen zo stoffige vertrekken van de senaat gonzen van daadkracht en ademen de geest van verzet uit. De wil tot manifestatie en zucht tot daad is hier en daar zelfs jeugdig te noemen in zijn richtingloosheid. Zo speelde senator Hirsch Ballin het onlangs klaar om te stemmen tegen een wetsvoorstel tot de acceptatie van de dubbele nationaliteit, een plan dat hij zelf nog indiende als minister van Justitie. Zeer vers in het geheugen ligt ook nog de zenuwoorlog die de Eerste Kamer voerde met de minister van Justitie over het voorstel om het bij de sluiting van als ‘drugspand’ beschouwde etablissementen met de wetgeving niet zo nauw te nemen. Hoe het ook zij, de Eerste Kamer beleeft dezer dagen een verse incarnatie. Bedeeld met versgevijld kunstgebit en nieuw bloed zet de oude dame onder de politieke instituten zich aan een tweede leven.
DE SCHEPPER van dit fenomeen is niemand minder dan VVD-godfather mr. Frits Korthals Altes, die als dank voor deze prestatie van formaat dan ook eerder deze maand op 65-jarige leeftijd de voorzittershamer van de senaat mocht overnemen van de naar de Raad van State vertrokken PvdA'er Herman Tjeenk Willink. Frits II wordt hij tegenwoordig in de liberale wandelgangen genoemd, hetgeen niet alleen duidt op Korthals Altes’ positie binnen de VVD als tweede man achter Bolkestein, maar mogelijk ook op het onverwachte opleven van deze eerder algemeen afgeschreven politicus pur sang. De tweevoudige minister van Justitie onder Lubbers leek na november 1989, toen hij zijn burelen overdroeg aan Ernst Hirsch Ballin, klaar om bijgezet te worden in het wassenbeeldenmuseum van de nationale politiek. In dat geval zou hij de geschiedenis zijn ingegaan als de schrik van iedere bijstandsmoeder.
Erger dan Korthals Altes kon eigenlijk niet. Als huisadvocaat van Slavenburgs bank dook de naam van de Leidse patriciërszoon telkens weer op in marathonvoorstellingen van ongekende financiële schandalen. De medio jaren tachtig opengebroken beerput-Slavenburg, die mondiale hossel met miljoenen zwart geld, vertakkend naar de wereld van commerciële seks, drugs en frauduleuze handel in olie en wapens, voorzag het imago van Korthals Altes voor altijd van een zekere sinistere glans, die nog eens werd versterkt door de sluwe wijze waarop hij zichzelf (zoals overigens ook alle andere topmannen van het gewezen Slavenburg-imperium) juridisch buiten schot wist te houden.
Het sloperswerk dat Korthals Altes als minister van Jusittie onder het voortdurend aanroepen van 'normen en waarden’ ondertussen verrichtte aan de fundamenten van de rechtsstaat - met als kroon op het werk de liquidatie van de sociale advocatuur - vervolmaakte het beeld van een slechterik die een zekere lust ontleende aan zijn neiging tot listige destructie.
Korthals Altes was kortom geknipt voor een hoofdrol in de gelederen van de hardvochtige saneerders van de no nonsense-kabinetten Lubbers I en II. Maar in 1989, met het aantreden van het 'socialere’ kabinet Lubbers III, leek zijn rol uitgespeeld. De sloop van de Berlijnse muur impliceerde ook dat de machtspositie voor neoliberale haviken als hijzelf ten einde was gekomen.
Maar Korthals Altes beschikt over zeven politieke levens, zoals de liberale Gideonsbende rondom Ed Nijpels al eerder mocht ervaren. Keer op keer was 'kleine Frits’ de Kop van Jut geweest voor nieuwe liberalen die wilden breken met de belegen Wassenaarse zeden van de VVD en trachtten door te stoten naar een ware liberale volkspartij. Telkens weer wist Korthals Altes het gevaar te keren met een fatale tegenstoot. Dat deed hij in 1986, toen de groep-Nijpels pal na de dramatische verkiezingsnederlaag van de VVD in 1986 in een party-boerderij te Bunnik een regelrechte politieke aanslag beraamde op het boegbeeld van de liberale mannenbroeders. De vanuit de Amsterdamse VVD geïnstigeerde coup tegen Korthals Altes eindigde met een ware Bartholomeüsnacht in VVD-gelederen, waarvan dan wel het opstandige volk het slachtoffer werd.
FRITS KORTHALS Altes is politiek onzinkbaar, zo lijkt. Het doet er niet toe hoe hoog de golven der verandering binnen de VVD opspelen; als het schuim eenmaal is opgetrokken, is het toch weer mr. Frits die komt bovendrijven. De hoop dat hij met zijn vertrek naar de senaat in 1993 zou zijn uitgespeeld, bleek ijdel. Binnen de kortste keren had de die-hard zich opgewerkt tot fractievoorzitter.
De machtige VVD-fractie in de Eerste Kamer - 23 van de 75 zetels occuperend - kondigde onder zijn leiding een groots politiek offensief aan. Tijdens de algemene politieke beschouwingen van de Eerste Kamer maakte Korthals Altes verleden jaar al duidelijk dat hij van plan was om zo veel mogelijk wetsvoorstellen af te knallen. 'Veelal zal het gaan om wetsvoorstellen waarvan het voortbestaan van het kabinet of van de coalitie niet afhankelijk is’, zei hij ter geruststelling. 'Het gaat er bij samenwerking om dat enerzijds evenwicht wordt gevonden bij het verwezenlijken van doelstellingen die niet op algemene (politieke) steun kunnen rekenen en anderzijds dat de coalitiepartner wordt gespaard op punten die voor die partner van wezenlijk belang zijn.’ Maar het mes lag open en bloot op tafel. Nederland kwam maar niet van Korthals Altes af.
AL IN ZIJN ROTTERDAMSE wieg was Frederik Korthals Altes voorbestemd om een sleutelfunctie in het koninkrijk der Nederlanden te vervullen. Voor deze telg uit een vermaard juristengeslacht - vader was lid van de Hoge Raad, moeder zat in het bestuur van onder meer de Vrouwenraad en de Kunstnijverheidsschool - was het af te leggen maatschappelijk traject van meet af aan duidelijk. Als lid van de Leidse studentenvereniging Minerva kon Korthals Altes aan het begin van de jaren vijftig nog even genieten van de traditionele excessen. In de Leidse Studentenalmanak van 1955 heet hij 'F. Kotst Haast Alles’, en krijgt hij het vermaan: 'Hou je hoofd eens onder het fonteintje, dat zal je goed doen (als je erbij kan)’.
Maar daarna begint al snel het serieuze leven. Korthals Altes treedt als stagiair toe tot het Rotterdmase advocatenbureau Van der Hoeven, Fokma, Kaulingfreks en Meijs en wordt vrijwel gelijk actief in de VVD. 'Weet je nog hoe we veel ondeclarabele kwartieren besteedden aan conspirerende activiteit, die ertoe moest leiden dat in het bestuur van de Rotterdamse VVD met zijn gezegende gemiddelde leeftijd ten langen leste ook eens een zgn. jongere zou worden verkozen?’ herinnerde kantoorgenoot H.C.C.L. Polak zich later.
Korthals Altes maakte zich ook verdienstelijk door kantoorgenoot Pol de Beer te assisteren bij de verspreiding van diens boekje Wat iedere katholiek weten moet over de VVD, dat in een oplage van tienduizend aan de poorten van de kerk werd uitgedeeld.
In 1962 krijgt hij zijn eerste partijpolitieke functie als secretaris van de VVD-afdeling Rotterdam. Vijf jaar later is hij opgeklommen tot algemeen secretaris van de landelijke partij. In 1975 volgt Korthals Altes Haya van Someren op als voorzitter van de partij. Vanaf dat moment is hij al uitgegroeid tot een godfather die jongere leden verontwaardigd toebriest: 'Moties? Doen wij daar nu ook al aan?’
Fulltime politicus wenst Korthals Altes dan nog niet te worden. Als vennoot in het Rotterdamse advocatenkantoor Dutilh, Van der Hoeven en Slager timmert hij daarvoor te veel aan de weg. Korthals Altes functioneert daar als exclusieve raadsman van de dynastie-Slavenburg, het bankiersgeslacht dat presideert over de spectaculairste onderneming die het Nederlandse geldbedrijf ooit heeft voortgebracht. Dat werk doet hij met overgave.
ZO IS KORTHALS Altes een van de bruggenbouwers voor de overname door het Franse Crédit Lyonnais, de door de regering Mitterrand gedicteerde Franse reus die in maart 1981 voor ruim honderdzestig miljoen gulden een meerderheidsbelang van tachtig procent in het noodlijdende Slavenburg neemt. Bij die transactie had de technische staf van Slavenburg de cijfers zo mooi opgepoetst dat de Fransen zich pas realiseerden dat zij een kat in de zak hadden gekocht toen het te laat was.
Een zetel in de Tweede Kamer is met dit soort werk niet verenigbaar. Pas in 1981 neemt Korthals Altes een vertegenwoordigende politieke functie, en dan nog in de Eerste Kamer. Een jaar later treedt hij aan als minister.
Het is tevens het begin van de affaire-Slavenburg. Op 29 maart 1982 vindt er in het filiaal van Slavenburg aan de Amsterdamse Rubensstraat een inbraak plaats waarbij alle kluisjes worden gekraakt. De drie inbrekers treffen de jackpot. De kluizen blijken afgeladen met zwart geld van de hoofdstedelijke onderwereld, van Wallen-koning Maurits de Vries tot beruchte huisjesmelkers als Fagel en Van der Putte. Er worden miljoenen buitgemaakt, maar de meeste gedupeerden durven niet eens aangifte te doen. Als de politie drie miljoen gulden terugvindt, komt geen enkele eigenaar dit opeisen. Dit alles trekt de aandacht van politie en fiscus en luidt een grootscheeps onderzoek naar de internationale handel en wandel van de familiebank in. De ene na de andere topman van de bank wordt door de politie van zijn bed gelicht op verdenking van fraude. Uit in beslag genomen papieren blijkt onder meer dat Slavenburg feitelijk al in 1980 bankroet was. Alleen via een kwistige retoucheerkwast in de boeken en met goedkeuring van de Nederlandsche Bank van Zijlstra en Duisenberg kon dit binnenskamers blijven, zodat de Fransen toch nog met hun miljoeneninjectie over de brug kwamen. De officieel opgegeven winst van een miljoen gulden over 1981 was in werkelijkheid 124 tot 200 miljoen gulden verlies.
HOOGTEPUNT is de bestorming door Fiod en politie van het Slavenburg-hoofdkantoor aan de Rotterdamse Coolsingel op 18 februari 1983. Voor de minister van Justitie is een en ander meer dan pijnlijk. Uit de in beslag genomen papieren blijkt onder meer dat hij als raadsman van Slavenburg eind jaren zeventig betrokken was bij een grootscheepse oliehossel door de firma Joc-oil van John Deuss, een playboy-zakenman die later nog grote bekendheid zou verwerven als eerste slachtoffer van RaRa, vanwege zijn aandeel in verboden olieleveranties aan Zuid-Afrika. In het geval van Joc-oil bleek Deuss de Russische staat voor talloos veel miljoenen aan olie te hebben afgetroggeld. Deuss’ huisbankier Slavenburg, vanouds beschikkend over goede connecties met de Sovjetunie, speelde hierin een vitale bijrol als partij die garant stond voor de schuld van meer dan honderd mlijoen gulden die Joc-oil inmiddels aan het sovjet-bedrijf Sojuznefte-export had opgebouwd en die nooit werd ingelost. En zo zijn er nog wel meer onthullingen in die roemruchte periode, verhalen waardoor de kersverse minister recht op zijn ontslag lijkt af te stevenen.
De situatie lijkt helemaal uitzichtloos als Vrij-Nederlandverslaggevers Barend en Van Dorp in mei 1983 onthullen dat de minister van Justitie in april dat jaar het Rotterdamse openbaar ministerie had bevolen het onderzoek naar de Slavenburg-affaire stop te zetten. De Rotterdamse officieren, aldus VN, 'verbaasden zich tijdens hun vooronderzoek steeds meer over de wijze waarop mr. F. Korthals Altes als advocaat van NV Slavenburg’s Bank was omgesprongen met zaken die hem toch duidelijk als malversaties haden moeten voorkomen’.
Dat Korthals Altes zich met veel stunt- en vliegwerk overeind heeft weten te houden in het kamerdebat over deze zaken, zegt veel over zijn juridische debating-talent, maar wellicht nog meer over het onvermogen van de Tweede Kamer. Na een slepende procesgang wist later de hele Slavenburg-top het vege lijf te redden. 'Het is mijn advocatenbloed om altijd te kruipen in het belang waarvoor je bent aangetrokken’, vertelde Korthals Altes later. Zijn uitspraak 'Ik ben grensverleggend bezig’ kreeg er ook een hele dimensie bij.
Samen met het RSV-schandaal (waarin Korthals Altes de hevig fraudulerende president-commissaris De Vries ook al de hand boven het hoofd zou houden) groeide Slavenburg uit tot de ideologische pijler waarop de nieuwe natie uit de gewezen sociaal-democratie Nederland verrees. Het voorzitterschap van de Eerste Kamer is de parel op die kroon.