Frits måller

‘IK BEN IN de eerste plaats tekenaar. Dat kan ik het beste. Politiek tekenaar vind ik te beperkt. De melkprijzen, varkenspest, is dat politiek? Misschien wel, maar het heeft niets meer met de partijstrijd te maken. In de tijd van Albert Hahn was een politieke tekening een wapen in de klassenstrijd. Die tekenaars waren enorm partijgebonden. Wij leveren een meer algemeen commentaar op wat zich in de samenleving voordoet. Het politieke leven is veel minder boeiend geworden. Er is veel minder strijd, het is gedrang in het midden. Terwijl wij het van het conflict moeten hebben.’

‘OP HET OGENBLIK speel ik heel weinig. Er is minder te doen, de spoeling wordt dunner. De conservatoria leveren heel veel razendknappe muzikanten af, en we hebben een grote aantrekkingskracht op buitenlandse muzikanten. En het aantal speelgelegenheden is, door die nieuwe wetten op de geluidshinder, drastisch teruggelopen. Toen ik een jonge muzikant was mocht er in elk cafÇ waar maar een piano stond worden gespeeld. Dat kan nu niet meer. Iedereen heeft het overal voor het zeggen. De tolerantie is nul komma nul.’
'TEKENEN HEB IK van jongs af aan gedaan. Zoals iedereen het van jongs af aan doet, alleen houden de meeste mensen ermee op. Een kleuterklas is ÇÇn groot tekenfeest. Tot de juffrouw tegen zo'n kind zegt: wat heb jij een mooi zonnetje getekend! En al die kinderen kijken: hoe ziet dat zonnetje eruit? Dan krijg je het conformeren, het net als de anderen willen zijn. Dan raken ze die spontaniteit, die onschuld kwijt. Sommigen blijven hun hele leven bezig om die weer terug te vinden.
Ik heb als kind de meest uiteenlopende soorten muziek geabsorbeerd. Van een willekeurig salonorkestje kan ik alles meeneuri‰n. Ook nummers als 'On a Persian Market’ en 'Holiday for Strings’, die door AndrÇ Kostelanetz en Dolf van der Linden populair zijn geworden. Zit allemaal in mijn hoofd. Nog zoiets: er wordt niet meer gezongen op school. De vreugde van met z'n allen 'Op de grote stille heide’ zingen! Ik moest er altijd bij huilen. Het geeft mij n¢g dezelfde ontroering. Dat is het wonder van de muziek.
Je kunt bij een schilderij ook wel tranen in je ogen krijgen, maar dat wordt bij mij veroorzaakt door het besef dat een mens, een medemens het gemaakt heeft. Dan is het Vermeer die tot mij spreekt. Om Vermeer huil ik. Bij muziek valt de maker weg en gaat het om een veel abstracter soort ontroering. Behalve bij impressionistische muziek, omdat die zo nauw aansluit bij de schilderkunst uit die tijd. Als ik Debussy hoor, zie ik kleuren. Het impressionisme vind ik een benijdenswaardige periode. Op alle fronten had je aanknopingspunten, je zat ingebed in een tijdperk. In deze tijd verandert er elke vijf jaar iets. Je moet helemaal op eigen kompas varen. Ik ben een paar jaar adviseur geweest op de Rijksacademie. Daar heb ik veel met jonge mensen gepraat. Waarom kies je dit vak? Er zei er niet een: omdat ik lijnolie zo'n geile lucht vind, of: omdat ik iets met verf heb. Nee, ze hebben het over ’t maken. Niet iets maken, nee: ’t, ’t! En dan liefst internationaal. Waarmee dan? Zit er zo'n meisje monochrome doeken te schilderen. Heb je niks anders aan je hoofd als je twintig bent? Er is toch maar ÇÇn reden waarom je dingen kunt doen, dat is uit liefde voor die dingen. Toch niet voor de poen!’
'OMDAT IK ALTIJD naar de radio en naar platen zat te luisteren, vonden mijn ouders dat ik iets aan muziek moest doen. Ze hadden de trekharmonica voor me bedacht. Wat ik nu een heel leuk instrument vind, maar toen schaamde ik me al rot als ik met die koffer liep. Het was de film Birth of the Blues die me op het idee bracht klarinet te gaan spelen. Vooral om het soort leven. Toen heb ik van mijn ouders een heel oude, bruinhouten klarinet met zeven koperen klepjes gekregen. Die moet uit de vorige eeuw zijn geweest. Ook daar schaamde ik me rot voor, want ik wilde zo'n klarinet als Benny Goodman. Ik heb een paar maanden les gehad, van W.G. de Buizer, maar ik wilde gillen, lelijk gillen op die klarinet. In jazz gaf hij geen les, dus dat ben ik zelf maar gaan uitzoeken. In een bandje van allemaal beginners.
Ik had niet het uitgesproken idee: nu word ik musicus. Je deed in die tijd wat je leuk vond en rolde dan ergens in. Tot mijn twintigste zat ik op de kunstnijverheidschool. Toen moest ik in dienst en na dat avontuur, dat zeven maanden geduurd heeft, kon ik op school niet meer aarden. Ik verkocht inmiddels al cartoons aan Het Parool.
Die zomer ben ik, samen met Remco Campert en onze dames, op de scooter naar Mallorca gegaan. Daar kreeg ik werk bij een Spaans orkestje, in zo'n Cubaans hemd met ruches. Ik verdiende ruim twee gulden per avond. Daar kon ik van eten en ik was dan ook van plan daar de winter te blijven. Tot ik een telegram kreeg of ik bij de Dixieland Pipers wilde komen spelen. Ik heb het paradijs verlaten en ben in m'n eentje dat pokkeneind op de scooter teruggereden. Met de Dixieland Pipers ben ik naar Duitsland gegaan. In nachtclubs spelen, zeven avonden in de week van half negen ’s avonds tot half vijf ’s ochtends. Ik kreeg daar genoeg van en ben met een smoes uit het orkest gestapt. En uit de beroepsmuziek. Heb ik nooit spijt van gehad.’
'TEKENEN, hoe direct het er ook uitziet, is veel indirecter dan muziek. Als ik met een potlood in m'n hand zit en ik bedenk iets, dan moet ik het ook nog neerzetten. Maar als ik in de jazz iets bedenk, speel ik het meteen. Alles is directer, ook de communicatie tussen de muzikanten en het publiek. In je beste momenten gaat het als vanzelf. En dan heb je nog het vermogen om waar te nemen: moet je mij nou eens horen gaan! Daar doe je het allemaal voor. Je kunt thuis wel de sterretjes van de hemel blazen, pas als je samenspeelt, kun je boven jezelf uitstijgen. Zonder enige inspanning, in alle rust.
Met tekenen kan dat ook wel, al zit ik soms te klooien met de techniek. Je staat er nooit boven. Elke keer weer moet je het opnieuw veroveren. Ik las eens over de cellist Anner Bijlsma hoe hij de ene avond een ongelooflijk fantastisch concert kan geven, bijna als in een roes, maar de volgende ochtend een fout maakt in een toonladder. Je kunt het nooit als vanzelfsprekend beschouwen. Het scheelt wel als je het veel en lang achtereen doet. Een roman schrijven is niets voor mij. Ik ben een kortebaansprinter.’
'HET ENE IDEE heb je z¢, het andere kost je uren. Soms gebeurt er iets waarvan ik denk: daar moet iets in zitten. Dan ga ik zitten denken, een beetje krabbelen. Dan wil ik wel eens de televisie aanknippen. Zit ik tien minuten een beetje wazig naar Lingo te kijken. Vooral als het idee niet komt, roept alles in je: ga wat anders doen! Opdrachtwerk stel ik vaak uit, maar mijn tekening voor de krant niet. Als ik voel dat een onderwerp een tekening kan opleveren, bel ik om half tien de krant, zodat zij erop kunnen rekenen. Dat is vrij spannend. Want ik weet nog niet precies wat het wordt, en ik moet het ook nog kunnen tekenen. Je komt regelmatig voor dingen te staan die je nooit eerder getekend hebt. Hoe ziet een paard er van onderen uit? Dat kan ik niet eens opzoeken, dus ik moet het bedenken. Word je steeds bedrevener in. En je moet zelfvertrouwen hebben.
Net als in de muziek komt met de leeftijd de wetenschap dat je met minder middelen net zoveel kunt zeggen. Het zit niet in de hoeveelheid noten: ÇÇn welgeplaatste noot kan een siddering over je rug teweegbrengen.
De muziek is voor mij ook een manier om onder de mensen te komen. Omdat we met de Hotshots op het ogenblik zo weinig spelen, mis ik dat ontzettend. Als tekenaar zit ik wel de godganse dag in m'n eentje, met uitzicht op het dak. We zouden misschien toch eens bij elkaar moeten komen en zomaar wat spelen. Gewoon om het plezier van het samen muziek maken.’