3 november 1930 - 19 februari 2012

Frits Staal

Frits Staal maakte korte metten met enkele westerse filosofen en was groot kenner van de Indiase taal en filosofische traditie (niet die van de door westerlingen opgehemelde goeroes).

SOMMIGE NEDERLANDERS zijn wereldberoemd in heel Nederland. Filosoof Frits Staal was beroemd in de hele wereld maar niet in zijn geboorteland. Hij voelde zich hier zo weinig thuis dat hij in 1968 Amsterdam verruilde voor Berkeley, Californië, waar hij hoogleraar filosofie en Zuid-Aziatische talen werd. Hij bleef er werken en wonen tot aan zijn emeritaat in 1991, trouwde een Indiase vrouw en liet zich naturaliseren tot Amerikaan. De laatste jaren leefde hij teruggetrokken in een huis in Chiang Mai, Thailand, waar hij vorige week overleed.
Onder filosofen, antropologen en indologen gold Staal als een groot kenner van de Indiase taal en filosofische traditie waarin hij als Sanskritist goed thuis was. Bij een groter publiek is hij bekend geworden door zijn film Altar of Fire uit 1976, een spectaculaire reconstructie van een drieduizend jaar oud ritueel gewijd aan de vuurgod Agni, waarvoor hij de ruimhartige financiële steun van een aantal universiteiten en de welwillende hulp van tientallen brahmins en honderden vrijwilligers in de provincie Kerala mobiliseerde. Het was de culminatie van Staals langlopende onderzoek van rituelen. Tien jaar voordat de westerse jeugd de hippie trail ontdekte, reed hij al op een rammelende Royal Enfield-motor over het Indiase platteland en verzamelde mantra’s en tradities. Die zin voor initiatief had hij niet van een vreemde.
Frits was een zoon van architect Jan Frederik Staal, een socialist en langjarige compagnon van Alexander Kropholler; samen ontwierpen ze gezichtsbepalende Amsterdamse kantoren, winkelpanden en villa’s. Zijn ouders waren ongetrouwd. Jan Frederik was een onorthodox man en ook Frits’ moeder was onafhankelijk en voor die tijd vrijgevochten. Veel heeft hij niet van hen meegekregen, want zijn vader overleed in 1940 tijdens een operatie en zijn moeder werd in 1943 als jodin gedeporteerd en kwam niet terug. Frits werd liefdevol opgenomen door kennissen die zijn pleegouders werden en hem ondanks alles een ‘fijne jeugd’ bezorgden, zoals hij in een interview stelde. Hij vond Freud een groot man, zei hij later, maar één ding had hij beslist verkeerd gezien: verdringing is niet altijd een bron van angst en ellende, het kan ook een gezond mechanisme voor zelfbehoud zijn.
Staal studeerde aanvankelijk wis- en natuurkunde en filosofie in Amsterdam en speelde viool in het Studentenorkest, maar vertrok na zijn kandidaatsexamens naar India om er oosterse filosofie en Sanskriet te studeren op een Indiase studiebeurs. Hij promoveerde in 1961 in Madras op een vergelijking van het neoplatonisme en de advaita (a-dvaita = niet-gedeeldheid), een westerse en een oosterse filosofische school die beide de fundamentele eenheid van al het zijnde betogen.
Het dagblad The Hindu, dat bijna een hele pagina aan zijn overlijden wijdt, memoreert Staals verdienste voor de rehabilitatie van de Indiase filosofie en taalwetenschap. Staal ontdekte onder meer dat de Indiase linguïst Panini in de vierde eeuw voor Christus een theorie ontwikkelde die een voorloper was van de generatieve grammatica van Noam Chomsky. Langs de omweg van de Franse antropologen Roman Jakobson en Ferdinand de Saussure beïnvloedde zijn gedachtegoed ook Claude Lévi-Strauss, Michel Foucault en andere structuralisten. Zoals Staal later stelde, veranderde de Indiër voor hem gaandeweg van een studieobject in 'een geniale collega die lang geleden is overleden’.
Staal was een universalist die meende dat het gehele universum toegankelijk is voor menselijk onderzoek met behulp van taal en logica, ook al is de resulterende kennis gedoemd onvolledig te blijven. Hij wijdde zijn inaugurele rede van 1963 aan een vergelijking van Panini en Euclides, twee geleerden die respectievelijk de grammatica en de meetkunde formaliseerden. 'Waarheid is altijd algemeen en objectief’, zei hij eens in een lezing: 'Wat niet algemeen of objectief is, is zeker niet waar.’
Fameus is zijn artikel Zinloze en zinvolle filosofie in De Gids in 1967 waarin hij de draak stak met de van abstractie en woordkramerij vergeven Duitse filosofie die destijds in Amsterdam hoogtij vierde. Staal was beïnvloed door de opkomende analytische school en maakte korte metten met de vaagheid van Edmund Husserl, Martin Heidegger, Karl Jaspers en andere Teutoonse geweldenaars. Volgens Staal hadden hun volgelingen 'filosofische heelmeesters’ nodig, al zou de kwaal ongetwijfeld 'in sommige gevallen ongeneeslijk’ zijn. Het werd hem door de collega’s niet in dank afgenomen. De daaropvolgende kleinsteedse wraaknemingen werden Staal op zijn beurt te veel. Hij verkoos de academische vrijheid aan de overzijde van de Grote Oceaan boven Amsterdam.
Staal specialiseerde zich in Berkeley verder in de Vedische rituelen en deed veldstudies naar rituele handelingen en mystiek. Hij had niets op met goeroes en andere quasi-mystieke Indiase mompelaars die in het Westen populair werden. Hij verfoeide het 'intellectuele imperialisme dat Azië beschouwt als de broedplaats van religie en het Westen als de oorsprong van de wetenschap’. Het Oosten kent vanouds niet eens godsdiensten, betoogde hij. Het kent slechts 'tradities niet met betrekking tot wat je gelooft, maar met betrekking tot wat je doet’. In Aziatische rituelen was de praktijk primair; het etiket godsdienst was er later door westerlingen opgeplakt. Door dat etiket was de rijkdom van de Indiase filosofie te lang aan het oog onttrokken. Met zijn levenslust, humor, esoterische kennis en beschaafde, rationele wereldbeeld was Frits Staal de perfecte pleitbezorger van die rijkdom.