Frituur in de natuur

Waar wij huren, geven we water aan schapen en potplanten, en brokjes aan de kat. Dat laatste vinden we karig, want wijlen die van ons was een met Sheba en hart verwend stadskreng dat bij andere kost hongerstaakte - maar ons bovenhuisneurootje was dan ook niet dag en nacht schrik voor veldmuis en jong gevogelte. Zoals deze. Die komt om de dag kijken of haar mensen- en hondenfamilie nog niet terug is. Nee dus. Verontwaardigde geluiden, wat visbrokjes, een slokje uit het tuinvijvertje, een tukje in de buitenserre en spoorloos.

Van grasmaaien blijken we vrijgesteld, terwijl ze niet eens weten dat ik van die eenvoudige opdracht bij een ander huis ooit een studieobject voor gelovigen in buitenaardse wezens of landschapskunst maakte. Cirkels kon je het niet noemen - eerder ‘Terreinvernietiging IV’ (1992). De buurman doet die klus en drinkt na afloop een kopje mee. Oprecht prijzen we zijn paradijs. Wat zozeer streelt dat hij de slang ter tafel brengt: buurman boer aan de andere kant van de dijk ('Goeie kerel, niks mee mis’) bouwt wat en waar hij wil, begint zonder vergunning 'kamperen bij de boer’, heeft vijftig in plaats van maximaal vijftien standplaatsen, caravans in plaats van tenten, adverteert met 'rivierstrand’ dat er niet is, plaatst reclameborden langs de dijk, krijgt vergunning voor nieuwbouw van enorme varkensstallen, verkoopt die en mest- en varkensrechten aan een soort Wien van den Brink en wil een 'frituur in de natuur’. Overigens 'goeie kerel, niks mee mis’. Maar dat laatste was een brug te ver en dorpelingen verzetten zich.
Tenminste, die aan de buitenzijde. Want richting kerkje en kern is ieder ziende blind en horende doof en heeft nooit waar dan ook last van. Niet de windrichting bepaalt die houding; daar wonen de autochtonen, hier de import. Begrijp goed, import uit een straal van vijftien kilometer, en niet eens het type puissant rijke stedelingen dat de dienst even komt uitmaken. Maar de nieuwkomers hebben niet op dezelfde lagere school gezeten, en hun verzet tegen overlast en vernietiging levert hen het predikaat 'asielzoekers’ op - wat daar niet liefkozend wordt bedoeld.
Op het gemeentehuis, wat dorpen verderop, is het horen zien en zwijgen. Tel daarbij op een gevecht tegen de vergunning voor jetski’s en parasailing boven de rivier, afgegeven door de gemeente aan de overzijde, en de vrije tijd van deze dijkbewoners ('die iemand niet gunnen dat-ie een boterham verdient’) is goed gevuld. En de boer ('goeie kerel overigens’), hij frituurde voort.
Ik ben stedeling in hart en nieren, maar ook romanticus en onverbeterlijk in de hoop dat de kleine gemeenschap 'nog’ zuiver zou zijn. Wat-ie natuurlijk nooit geweest is (al is het beeld dat Van Deursen van Graft in de zeventiende eeuw tekent in Een dorp in de polder - nuchter, redelijk, vriendelijk - er niet mijlenver van af).
Ach, hoe heerlijk leek Vlieland - tot bleek dat er burgeroorlog heerst, evenals op Schiermonnikoog.
En wat te denken van onze hartelijke Limburgse vakantiebuurman, fruitteler in ruste? Elke ochtend een babbeltje over het weer, het gewas, het dorp. Dan valt de term 'verslaafde’ en vriendelijk vraagt hij zich af wie dat probleem toch op kan lossen. En had het gekund, zegt hij, Adolf. Daar bedoelt hij verder niks mee hoor, maar waar is het wel. Of Josef, denk ik. Frisse buitenlucht schijnt wonderen te doen.