Fritz’ coming out

Jarenlang was de literatuurwetenschapper Fritz J. Raddatz, als chef kunst bij het weekblad Die Zeit, een der machtigste mannen van cultureel Duitsland. Toen maakte hij een malle fout in een artikel over Goethe en werd het object van de nationale lachlust. Zozeer dat zijn bazen hem wegpromoveerden tot cultureel correspondent te Parijs, wat mij een milde straf lijkt.

Gaat Raddatz nu wéér die inkthyena’s over zich heen krijgen? In zijn pas verschenen Heine-biografie (Taubenherz und Geierschnabel) signaleert hij het feit dat de revolutionaire dichter een paar vrij kruiperige brieven aan de contrarevolutionaire staatsman Metternich heeft geschreven. Typisch het gedrag van een Duitse intellectueel, zegt Raddatz. Want die hoereren graag met de macht. Heiner Müller sprak met de Stasi. Grass protegeerde Brandt. Feuchtwangler schmoesde met Stalin. En bovenal: ‘Karl Marx babbelde met Bismarck.’
Maar Marx babbelde geen seconde met Bismarck. Bismarck babbelde met Marx’ concurrent Ferdinand Lasalle, in de Friedrichstrasse te Berlijn. Raddatz kan het nalezen in zijn eigen Marx-biografie uit 1975.
Er is met Raddatz, behalve met zijn geheugen, iets vreemds aan de hand. Hij schreef in 1977 een Heine-monografie (Heine, ein deutsches Märchen) waarvoor ik in mijn enthousiasme (tevergeefs) een Nederlandse uitgever probeerde te vinden. Een zeer goed boek, onbevangen jegens de geportretteerde, ook waar Heine zich duidelijk misdroeg in zijn grappenmakerij over de homoseksuele dichter August Graf von Platen. Niettemin, 'Heine was geen spitsburger’, schreef Raddatz, en 'homoseksualiteit als zodanig interesseerde Heine niet.’
Het gaat om het beruchte fragment uit Heines 'Die Bäder von Lucca’, waarin de schrijver zich wreekt op een onmiskenbare antisemitische passage in een van Platens toneelstukken. Dus besloot Heine de dichtende edelman de cultuurgeschiedenis uit te schrijven, wat hem aardig is gelukt, want er is tegenwoordig (behalve ik) niemand meer die Platen leest.
Maar wij spreken niet over Platen, maar over Raddatz. Wat is er inmiddels, twintig jaar na zijn eerste Heine-boek, in die man gevaren? Nu is het fragment over Platen plotseling 'riooljournalistiek’, 'zedeloos getier’ van een 'rauwdouwer met een verderfelijke geest’, 'het schunnigste wat Heine ooit geschreven heeft’.
In werkelijkheid zijn de betreffende bladzijden over de homoseksuele graaf misschien niet erg verheffend, maar wèl behoorlijk geestig, veel geestiger dan de insinuaties van August Graf von Platen in de richting van de 'gedoopte Heine’.
Je kunt in twintig jaar van mening veranderen, ook op het gebied van zede en moraal. Maar Raddatz’ gewijzigde opvatting over het conflict tussen Heine en Platen is zó opvallend dat dit om een nadere verklaring vraagt.
Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is een onvriendelijke. Er verschijnt op het ogenblik over Heine vrijwel alleen maar jubeldrukwerk, zodat Raddatz, met een schuin oog op de kassa, behoefte had aan een eigen, afwijkend geluid. De tweede is wat vriendelijker. Deze Heine-biografie van Raddatz is een onderdeel van de coming out van een biograaf die zich op dezelfde wijze tegen Heines Homosexualitätsbeschimpfung wil keren als Heine zich keerde tegen Platen, de man die het had gewaagd om Heines jodendom bespottelijk te maken.