28 juni 1927 – 4 april 2009

Fritzi Harmsen van Beek

Fritzi Harmsen van Beek schreef een klein oeuvre van sprookjesachtige poëzie, maar werd vooral bewonderd en bemind.

EEN JONGGESTORVENE had het haar niet kunnen verbeteren: zo’n klein oeuvre en zo’n mythische allure. Frederice Martine ten Harmsen van der Beek, oftewel Fritzi Harmsen van Beek, werd echter 81 jaar oud, zij het dat ze al ruim dertig jaar niet meer van zich liet horen en zich eigenlijk ook niet meer liet zien. Zelfs verbood ze het haar uitgever haar oude werk opnieuw uit te geven, zodat de roemruchte bundels Geachte muizenpoot en achttien andere gedichten (1965), Neerbraak (proza, 1969) en Kus of ik schrijf (1975) alleen nog maar antiquarisch te verkrijgen zijn.
Ogenschijnlijk vederlicht werk is het, met onnavolgbare wendingen en grappige taalvondsten, en een melancholieke ondertoon. ‘Geachte Muizenpoot,/ Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel/ vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten/ aan U en ben ik ook heel eenzaam’. Het gedicht gericht aan ‘mijn neerslachtige poes, ter verstrooiing bij het overlijden van zijn gebroed’ opent met de inmiddels gecanoniseerde regels ‘Goedemorgen? Hemelse mevrouw Ping/ is u de zachte nacht bevallen, hebben de on/ deugende, geheimzinnige planten naar behoren/ gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige/ zuigelingen aan de builenpest bezweken?’
Sprookjesachtige poëzie, even banaal als verheven, een tikje doorgeslagen en volstrekt wereldvreemd, maar vooral: nergens anders op lijkend. Iets dergelijks geldt ook voor de vrouw achter de poëzie, die haar levenlang werd aanbeden en verzorgd als een koningin, al noemde ze zichzelf liever een ‘impertinente prinses’. Het hoogtepunt van haar regeerperiode lag in de eerste tien jaar die ze op Jagtlust woonde, het vervallen landhuis in Blaricum dat ze een tijdlang voor het symbolische bedrag van een gulden per jaar huurde van de gemeente Amsterdam, dankzij een haar goedgezinde functionaris aldaar (de vader van Bernlef). Annejet van der Zijl beschrijft in Jagtlust (1998) hoe vanaf het moment dat Fritzi haar intrek nam in het huis, juni 1954, met haar driejarige zoontje Gilles en haar jongere broer Hein, daar de wereld openging. Het familiefortuin, vergaard dankzij het commerciële tekentalent van vader Eelco ten Harmsen van der Beek, die onder meer de befaamde reclamestrip Flipje van Tiel had bedacht, was er al doorheen gejaagd, maar er waren altijd wel mecenassen in de buurt.
Toen de 26-jarige Remco Campert haar op het Boekenbal in 1956 ontmoette, stapte hij de volgende ochtend vroeg met haar op de bus naar het Gooi en ging niet meer weg. Het huis werd een toevluchtsoord voor de Amsterdamse scene rond het Leidseplein. Cees Nooteboom, Bert Schierbeek, Louis Lehmann, Jan Vrijman, Frits Müller, Jan Sierhuis, Ed van der Elsken, zij behoorden tot de vaste gasten van het eerste uur en leefden erop los alvast in de geest van de jaren zestig, die officieel nog moesten losbarsten. Wat ze gemeen hadden waren hun talent en veroveringszucht, en hun dédain voor alles wat zweemde naar burgermansplicht, -kloffie en -bestaan. Er werd lustig gedronken, gerookt, geslikt en gesekst; ‘mooie generatie/ vol van in de tijd verzonken gelijk’ dichtte Campert in Brief die is blijven liggen.
Fritzi was de magneet, omringd door bewonderaars – die haar wilden redden – en bewonderaarsters – die haar wilden nadoen. Want gered moest ze worden, roeszoekend en wars van ieder maatschappelijk bewustzijn als ze was. In ‘het onzinnige idee dat hij haar daarmee kon behouden’ trouwde Campert met haar in december 1957. Eerder dat jaar had hij ervoor gezorgd dat haar gedichten geplaatst werden in Tirade, net zoals hij bewerkstelligde dat ze een werkbeurs ontving. Zelfs ontving ze de Poëzieprijs van de stad Amsterdam nog voor er een bundel gepubliceerd was. Het werd het patroon in de omgang met haar eigen productie.
Tot diep in de jaren tachtig maakten uitgevers haar het hof, keken uit naar ieder snippertje van haar hand, terwijl zijzelf zich liever toelegde op het knutselen van een minikoetsiertje met een zweepje gemaakt uit een kattensnorhaar of het uithollen van walnoten om er miniatuurvoorstellingen in te maken. ‘Alles wat ik doe heeft alleen maar de pretentie van een goed geslaagd grapje.’ Het nam niet weg dat toen ze op haar 38ste debuteerde haar poëzie onmiddellijk werd ingelijfd als nooit vertoond en boven alles verheven. Ongrijpbaar, maar – of dus – prachtig. Of zoals Kees Fens schreef: ‘Wat zich niet laat indelen, is wellicht juist daarom heel goed.’
De minnaars kwamen en gingen; Peter Vos, Hugo Brandt Corstius en zelfs de bejaarde Adriaan Roland Holst werden door haar aangeraakt. Fritzi veranderde nooit. ‘Ik ben een onbeschreven blad, dat is het mooiste wat er is.’ Een onbeschreven blad, wier zoon ondertussen aan de heroïne raakte en voor wie ze het pijnlijke Beauty and Decay schreef, dat verhaalt van een gevangenisbezoek: ‘Zal ik dan in godsnaam maar, een vogeltje voor je/ kopen?’/ ‘Nee, in Gods Naam niet. Je weet toch dat ik niet van/ tralies hou, zo onverdiend voor onverdachte,/ levendige/ schepseltjes, die niemand kwaad hebben gedaan, ik/ red me/ met je brieven’.
Toen Jagtlust verkocht moest worden, regelde een groepje vrienden een onderkomen voor haar ver weg van het randstedelijk gewoel in het Gronings dorpje Garnwerd. Op een opname halverwege de jaren tachtig voor de VPRO-radio is haar hese voordracht in het plaatselijke café vastgelegd. ‘Nog eentje’, smeken medevoorlezers Jan Eijkelboom en J.P. Guépin, onverminderd idolaat. Met lichte tegenzin leest ze ‘dan maar “De Muizenpoot”’. Nog in 1994 kreeg ze een oeuvreprijs, maar naar verluidt maakte ze de brief niet eens open.
Zoveel ongezochte bewondering, het is bijna niet te bevatten.