Fritzi wordt Frederike

Na alle mythevorming rond Frederike Harmsen van Beek onthult Maaike Meijer in haar rijke biografie niet ‘de’ waarheid. Wel schetst ze een fijnzinnig beeld van hoe leven en werk van de kunstenares met elkaar samenhangen.

Frederike en Remco Campert 1956/57 © Beelden uit het besproken boek

Het summum van roem is als je alleen een voornaam bent geworden – zonder achternaam weet iedereen al om wie het gaat. Het overkwam de dichteres en kunstenares F. Harmsen van Beek. Toen zij in 1965 debuteerde met de dichtbundel Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten stond zij al bekend als ‘Fritzi’, de koosnaam uit haar jeugd. Die bekendheid droeg er ongetwijfeld toe bij dat haar bundel meteen als ‘overrompelend’, ‘uniek’ en ‘voorbeeldig’ werd ontvangen en de dichteres op één lijn werd geplaatst met Leo Vroman en Lucebert.

Maar haar roem maakte ook dat er naar aanleiding van haar debuut een biografisch stuk over haar verscheen in de Haagse Post, van de hand van Betty van Garrel, waarin vooral cafépraat van haar broer Hein en andere bekenden over haar werd opgetekend. Ze werd geportretteerd als de kasteelvrouw van een ‘in deplorabele staat verkerend’ landgoed in het Gooi, waar ze ‘haar bohemienne levensstijl pleegt te etaleren’. De toon van het stuk was badinerend, er werd gerept van de ‘huisvlijt’ die ‘Fritzi’ bedreef, de woeste feesten waar ze het middelpunt van was en de drank die ze ‘veel te veel gebruikt’.

Met het verhaal in de Haagse Post, waaraan Harmsen van Beek zelf weigerde mee te werken (‘Ik voel er niets voor om mijn privéleven met een vreemde te gaan bespreken’), is de toon gezet. Er is een mythisch beeld geschapen van een excentrieke vrouw, een beeld dat de decennia daarna, zeker ook na het verschijnen van Annejet van der Zijls Jagtlust: Hoe in een Goois buitenhuis de wereld openging in 1998, telkens weer door journalisten wordt gereproduceerd.

In haar biografie van Harmsen van Beek, Hemelse mevrouw Frederike, richt Maaike Meijer dan ook niet alleen haar vizier op het werk van de multikunstenares, maar pelt ze ook de korst human interest van de ‘celebrity’ af. Ze betoont zich zeer kritisch over de journalistiek die het smeuïge verhaal over de ‘flodderdiva’ van Jagtlust maar blijft rondpompen. Niet alleen wordt zo een mythe en niet de werkelijkheid steeds weer opgedist, door het voortdurende gebruik van het koosnaampje ‘Fritzi’ wordt een intimiteit gesuggereerd die er niet is. Het is misschien zelfs als een vorm van diefstal te bestempelen. Meijer gebruikt daarom, behalve als het over haar kindertijd gaat, de naam Frederike, waar Harmsen van Beek zelf de voorkeur aan gaf.

Hemelse mevrouw Frederike laat zien dat achter het gestolde beeld van de bohemienne in werkelijkheid een complexe en getormenteerde persoonlijkheid schuilging. Natuurlijk, er waren heus wel eens feesten op Jagtlust en ze dronk meer dan goed voor haar was, maar Harmsen van Beek was vooral een intelligente, erudiete vrouw met een groot creatief talent, die iedereen wist te vervoeren met haar eigenzinnige, maniëristische taalgebruik, of dat nu gesproken was of op papier. Zeker toen ze ouder was, in het Groningse dorpje Garnwerd woonde, ze niet meer publiceerde en de telefoon haar levenslijn was, ging het om gesproken taal, ‘monologues extérieurs’, die ze over haar gesprekspartners uitstortte. Haar hele leven ging ze gebukt onder de slechte relatie met haar moeder en in haar verhalen keerde ze terug naar haar jeugd, alsof ze die alsnog gelukkig wilde schrijven.

Opvallend zijn vooral de schijnbare tegenstellingen die ze in zich verenigt. Ze had iets ‘door en door chics’, om met de dichteres Vasalis te spreken, maar ze verafschuwde burgerlijkheid. Ze was soeverein, maar kon tegelijkertijd geen nee zeggen en leed aan wat ze zelf noemde een ‘dienstbodementaliteit’ (een van de butsen die ze in haar jeugd had opgelopen, toen haar werkende moeder haar als ‘dienstmeid’ gebruikte). Haar gedichten zijn klassiek geworden, terwijl ze toch vooral gelegenheidswerk maakte. Niemand zag haar ooit schrijven, de publieke rol van dichter ambieerde ze niet, ze schreef, zoals ze het zelf zei, ‘voor de onzin gewoon’. Haar werk behoort inmiddels tot de literaire canon, terwijl ze geen duurzaamheid nastreefde. Ze was doordrongen van de vergankelijkheid van alles, wilde juist ‘aandacht geven aan iets dat geen enkele overlevingskans had’. Zoals een haarscherpe tekening op een bevroren ruit, met de zekerheid dat die smelt zodra de zon erop schijnt. ‘Of het beschilderen van een bij voorbaat al ten dode opgeschreven paasei.’

© Beelden uit het besproken boek

De vergankelijkheid is ook een voornaam thema in haar werk. In de beschilderde eieren, de miniatuurtjes in lege walnootdoppen en de fragiele papierknipsels die ze maakte, alleen al door het gebruikte materiaal, maar ook in haar poëzie. Al in het gedicht (DIT IS DE STEM VAN MIJN WORGENGEL:), waarmee ze in Tirade debuteerde, gaat de stamelende uitnodiging aan de geliefde om de liefde te bedrijven (‘kom/ kom bij mij/ kom in tot mijn/ bekommering’) hand in hand met de onafwendbaarheid van de dood. ‘Zit met mij uit!’ vraagt ze hem, laat het minnespel zo lang duren dat de dood op zich laat wachten. Het is een onomwonden seksueel vers, dat tegelijk melancholiek is.

‘Of het beschilderen van een bij voorbaat al ten dode opgeschreven paasei’

Ook in Wat knaagt?, een bundeltje met zes verhalen uit 1968, draait het om vergankelijkheid en verlies. ‘Het komt nooit meer goed want er is geen begin aan of geen einde, het is onhanteerbare afbraak, sloping en ondermijning, langzame vervuiling, verwording, verdwijning zwakjes, dood doodstilletjes, amper bewijsbare aanwijzingen’, schrijft ze in DAT KOMT NOOIT MEER GOED. Wat knaagt, dat is de sterfelijkheid en het nabij sluipende einde, dat niet te zien en te horen is, maar alom aanwezig.

Waar komt die melancholie vandaan? Misschien is het, lijkt Maaike Meijer te suggereren, omdat de geboorte van Harmsen van Beek als kunstenaar tegelijk plaatsvindt met de ‘geboorte van het afgewezen kind’. Er was de letterlijke geboorte van Frederike, op 28 juni 1927, in een welvarend kunstenaarsgezin. Haar vader was een succesvolle illustrator, die nadat hij de opdracht kreeg strips voor ‘Flipje van Tiel’ te tekenen, een mooie villa voor het gezin kon laten bouwen in Blaricum. Haar moeder, een frêle schoonheid, tekende ook; ze maakte onder meer illustraties voor kinderboeken. Maar naast de ‘administratieve’ geboorte zijn er, aldus Meijer, ‘de meer betekenisvolle processen van ontstaan en vergaan, vernieuwing en verlies’.

Zo’n sleutelmoment in haar jeugd is een gesprek tussen haar ouders dat Frederike in haar puberteit opvangt. Het gaat over haar en ze hoort haar moeder zeggen dat ze haar zo ‘verschrikkelijk lelijk’ vindt, ook nog met het brilletje dat ze moet dragen. Haar vader is het daar niet mee eens en vraagt of zijn vrouw tenminste voor betere kleren voor haar kan zorgen, ze loopt in oude lappen. Daar is geen beginnen aan, zegt haar moeder, ze is ook zo ‘afschuwelijk dik’ en heeft ook nog eens ‘monsterlijk grote voeten’. In de opgetekende herinnering aan dit gesprek concludeert Harmsen van Beek: ‘Dus ik heb mij altijd lelijk ontstaan gevoeld.’

Meijer staat stil bij de merkwaardige uitdrukking ‘lelijk ontstaan’, die erop wijst dat de lelijkheid ontstaat op het moment dat Frederike haar moeder zo hoort praten – ‘Op dat ogenblik wordt het meisje dat zichzelf lelijk vindt als het ware geboren.’ De afwijzing van de moeder zou later een constante zijn in haar leven. ‘Het gapende gemis uit de jeugd dat tot een redeloze behoefte aan versmelting leidt’, zou haar vriendin Charlotte Mutsaers dat later noemen. Het werd een tweede constante in het leven van Harmsen van Beek, in haar relaties met haar vele verloofdes en aspirant-verloofdes, zoals zij ze betitelde: het verlangen gered te worden, aan een sterke man, en de onvermijdelijke teleurstelling en breuk.

Misschien ook dat het oordeel van haar moeder, het beeld van haar als lelijk en dik dat zich in haar vastgenageld had, Harmsen van Beek later zo gevoelig maakte voor het vastgepind worden in het mythische beeld van de koningin van de bohème. Haar zelfbeeld had in haar jeugd een te grote knauw gekregen om de beelden van anderen onverschillig van zich af te laten glijden.

Maar behalve van zwaarmoedigheid en van het besef van vergankelijkheid getuigen het leven en werk van Harmsen van Beek van een grote vitaliteit, die zich met name uit in haar taal. In haar gedichten wemelt het van het taalspel, van de neologismen, van archaïsche uitdrukkingen die abrupt worden afgewisseld door platte spreektaal. Haar gedichten, schrijft Meijer, lijken geschreven door iemand ‘met een zware vorm van linguïstische adhd’. Zoals ze in Jagtlust alle zelfgemaakte en gevonden kleinoden uitstalde, zo is haar poëzie een etagère van wat een dichter allemaal vermag.

© Beelden uit het besproken boek

Boeiend zijn de passages die Maaike Meijer wijdt aan de overeenkomst in taalgebruik tussen Harmsen van Beek en Gerard Reve. Reve was ook een van de vele kunstenaars – onder wie Remco Campert en Peter Vos, met wie Harmsen van Beek ook liefdesrelaties had, Cees Nooteboom, Anton Koolhaas en Adriaan Roland Holst – die Jagtlust bezochten. Hij had de beeldvorming van Harmsen van Beek als excentriekeling in de hand gewerkt met zijn Brief uit Amsterdam in Op weg naar het einde (1963), waarin hij hyperbolisch schreef over zijn bezoek aan ‘mevrouw Oofi haar landgoed’ en een feest waarop er ‘van de 144 stuks gehuurd glaswerk slechts één sherryglas, op een bibelot of etagèretje staand, de volgende ochtend over was, welk glas nog gebarsten bleek te zijn’.

Met de nieuwe vorm die Reve vond in zijn reisbrieven doorbrak hij een impasse in zijn schrijverschap. Het ‘geoudehoer waar Gods zegen op rust’, de ellenlange zinnen waarin ironisch gebruikte stadshuistaal overgaat in spreektaal, plechtstatigheid in humor, heeft veel weg van het barokke taalgebruik van Harmsen van Beek. Het is daarbij de vraag wie wie heeft beïnvloed. Meijer acht het heel goed mogelijk dat zij hem met haar ‘stijlbacil’ en de vrijmoedige opheffing van de scheiding tussen kunst en leven heeft besmet.

Hemelse mevrouw Frederike is een buitengewoon rijke biografie, waarin, zoals Meijer bescheiden stelt, niet ‘de’ waarheid over Harmsen van Beek wordt onthuld, maar een fijnzinnig beeld wordt geschetst van hoe leven en werk met elkaar samenhangen. Hoe haar leven dat geplaagd werd door de afwijzing van haar moeder, grote armoede, gebroken liefdes en warme vriendschappen, de zorgen om haar zoon Gilles, die eerder stief dan zij, hoe dat alles leidde tot een uitzonderlijk kunstenaarschap dat glorieus aan alle ellende ontsnapte.