Woedende muziek voor de opgroeiende mens

Fuck ‘you’

De Deftones komen naar Amsterdam. Het genre dat ze vertegenwoordigen, de nu metal, is morsdood. Wat moet je anno 2011 dan, als boze puber? Er lijken weinig alternatieven te bestaan.

TWEE MAANDEN GELEDEN, op donderdagavond 23 juni, trad de Amerikaanse band Korn op in Nederland. In 2000 en 2002 stond die band nog in Ahoy’ (tienduizend plaatsen) in Rotterdam. Vier jaar later was dat de half zo grote Heineken Music Hall in Amsterdam, al ging die show uiteindelijk niet door. En nu stond Korn in 013 in Tilburg, een zaal met 2200 plaatsen. Pas een paar dagen voor de show ging de laatste kaart van de hand.

Het was tijdens het optreden nog steeds niet moeilijk voor te stellen waarom Korn eind jaren negentig en begin van dit decennium een ongekend populaire band was. Weinig rockbands hebben een bassist die zich zo rechtstreeks richt op de onderbuik van de luisteraar. Ieder nummer van de band drijft op een zware groove en eindigt in een muzikale kloppartij.

En toch wrong er van alles. Hier stond een stadionband inmiddels in een club, maar nog steeds met een afstandelijkheid van een band die voor een verre massa speelt, in plaats van voor mensen op slechts een paar meter afstand. Wat waren die twee figuren die zich daar achterin, zelfs achter de gitaarversterkers, in het zweet stonden te werken, maar tijdens de hele show nooit een spot op zich gericht wisten, oogcontact met de andere bandleden hadden of werden genoemd? Dat waren de relatief nieuwe bandleden, kennelijk goed genoeg voor de arbeid, maar niet voornaam genoeg voor het krediet. In zo'n kleine club viel eigenlijk pas goed op wat voor onsympathieke band Korn is.

Waarom viel dat niet op toen de band nog miljoenen cd’s verkocht en de lijst artiesten op grote festivals aanvoerde? Omdat succes veel vergoelijkt, ook arrogantie. Maar ook omdat het wel paste bij al die nu metal-bands, die in tekst, symboliek en dus ook in gedrag op en naast het podium een afkeer van samenleving en medemens uitdroegen. ‘People = Shit’ is een tekst die iedere bezoeker van Lowlands, Pinkpop en andere grote festivals de afgelopen jaren minstens een paar keer op een T-shirt heeft zien staan: het was de titel van een nummer van metalband Slipknot uit Iowa. In het nummer komt de zin 'Get the fuck outta my face’ langs, een zin die werkelijk vrijwel iedere nu metal-band in haar teksten opnam. Ook die band die het genre aanvoerde samen met Korn en aanvankelijk Deftones, maar al snel met Slipknot: Limp Bizkit.

De verwording van het genre tekent zich het meest prangend af aan de hand van die band. Fred Durst, de zanger van Limp Bizkit, was samen met Jonathan Davis van Korn het gezicht van een nieuw genre, maar ook van de levenshouding die daarbij hoorde.

Beiden bezongen het getroebleerde leven van de eenling die zich niet geaccepteerd voelde door het collectief, hun teksten stonden bol van boosheid en frustratie, en zeker in het geval van Davis werd dat thema autobiografisch geladen. Hij had zelfs in het mortuarium gewerkt. Met name de eerste jaren van zijn wereldroem een dankbaar onderwerp in alle interviews: hoe die jongen uit Bakersfield, met zijn fascinatie voor gotiek en horror, vol enthousiasme aan het werk mocht gaan met lijken. Betaald oog in oog met het belangrijkste onderwerp van al zijn favoriete kunst: de dood.

'I could cut up flesh and not have to go to jail!’ zei hij erover in een interview.

WAT AAN DEZE nieuwe iconen van rebelse jongeren opviel in vergelijking met hun voorganger uit begin jaren negentig of de decennia daarvoor waren twee zaken: hun strikt geïndividualiseerde beleving van en opvatting over onrecht, en hun ronduit hedonistische levensinstelling. Met name Fred Durst wilde nog wel eens in de 'wij’-vorm zingen, maar die collectiviteit sloeg dan op een verder onbenoemde leeftijdscategorie, niet op een klasse, of andere culturele, sociaal-economische of sociologische afbakening. Naar wie Durst en Davis die middelvinger opstaken, wie die 'you’ was die een fuck naar zijn hoofd kreeg: dat mocht de luisteraar zelf invullen. Fuck you, dat liet zich lezen als fuck [vul hier je eigen pestkop/demoon/vijand in].

Een wezenlijk verschil met Rage Against The Machine, de op afstand beste uit honderd procent rebellie opgetrokken band van de jaren negentig, bij wie de 'you’ in de zinsnede 'fuck you, I won’t do what you tell me’ nummer na nummer werd benoemd, in ronkende retoriek waarin Marx, Trotski, Mandel, Luxemburg, Bakoenin, Guevara, Zapata en tientallen andere ideologen van de opstand doorklonken, soms zelfs met naam en toenaam. Rage Against the Machine was (en is) een tot in haar vezels politieke band; nu metal-bands als Korn en Limp Bizkit waren volstrekt apolitiek.

Waar Fred Durst er prat op ging naast muzikant ook zakenman te zijn (onder meer bij een platenlabel), daar leefde Davis zo openlijk mogelijk het leven van de nieuw-rijke die alle rijkdom zelf heeft vergaard en dus de omgang daarmee aan niemand hoeft te verantwoorden. De vooral in Los Angeles, alleen al om logistieke redenen logische, hechte band tussen de muziek- en porno-industrie sublimeerde zich in de gedaante van Davis, die zich graag liet omringen door pornosterren en op hun feestjes verscheen. De nu metal-muzikant Matt Zane uit LA, zoon van een pornogrootheid, probeerde er zelfs een filmgenre op te baseren, en wist verschillende in de jaren negentig grote bands (onder andere Papa Roach) te strikken voor (geklede) gastrolletjes in pornoproducties. Maar alleen al hierdoor werd duidelijk dat nu metal een wat merkwaardige combinatie was van de, in ieder geval in tekst en woord, beleden afkeer van opgedragen normen die ze deelde met een deel van de punk uit de jaren zeventig en tachtig, maar dat dan in combinatie met de verveelde decadentie van de stijfgeföhnde hardrockbands uit de jaren tachtig.

Coke en hoeren, en dat allemaal tegen het establishment - of zoiets. Zelf hielden ze van Kurt Cobain (Durst verwijst zelfs in een titel naar hem), maar Cobain zou op ze hebben gekotst, juist omdat ze zo leken op alles uit de jaren tachtig waar Nirvana begin jaren negentig mee afrekende.

Het was een aantal jaren zeer populair, de muziek van Durst, Davis en hun vele volgelingen, maar die jaren liggen definitief achter ons. Ook Limp Bizkit was onlangs in ons land, en de beelden daarvan op YouTube-video’s roepen ongeveer net zo veel plaatsvervangende schaamte op als het bekijken van een marathon van The Office. In een bij lange na niet uitverkochte Heineken Music Hall staat Fred Durst, een man van veertig, met een baseballpetje op zijn hoofd te zingen over 'My generation’ - terwijl hij die van zijn kinderen bedoelt. De nieuwe nummers van Limp Bizkit, van de dit jaar verschenen volkomen flop Cold Cobra zijn nog erger: daarin probeert Durst in vrijwel ieder nummer de luisteraar van zijn authenticiteit en street credibility te overtuigen. Werkelijk hilarisch is zijn sneer naar Wikipedia, als vervormer van feiten. Durst versus de populaire wetenschap: de ironie ervan ontgaat hem zelf duidelijk volledig.

NU METAL IS muzikaal, ideologisch en functioneel dood. Artiesten in het genre die meer te vertellen hadden dan Durst en Davis, en zich muzikaal ook meer ontwikkelden (Deftones, Marilyn Manson) bestaan nog, maar vergeleken met hun hoogtijdagen alleen nog in de marge. Maar de muziek was niet voor niets een tijdlang zo populair: iedere boze puber heeft behoefte aan zijn even boze muziek, aan vier minuten samengebalde frustratie in een nummer dat opvoeders en leeftijdgenoten met een andere smaak met zorgen, en anders toch minstens weerzin moet vervullen. Zijn die artiesten er niet meer, de artiesten die niet zozeer maatschappelijk onrecht bezingen, als wel het grote persoonlijk onbehagen, dat niettemin zo universeel is dat jongeren zich er wereldwijd in herkennen? Natuurlijk wel. Ieder subgenre heeft zijn eigen iconen, en wie door bladen als Alternative Press of The Source bladert, ziet talloze subculturele helden van respectievelijk de hardcore/punk/emo of de hiphop. Wie de soundtrack bij de binnenkant van het hoofd van, pak ’m beet, een Britse reller wil horen, heeft keuze genoeg - maar dan wel ver onder het commerciële maaiveld. Maar de meerdere genres overstijgende helden, die de hitlijsten aanvoeren, dat zijn momenteel niet de vertegenwoordigers van boosheid.

De best verkopende zangeres ter wereld is Adele, een reuzegezellige dikkerd die zingt met een bijna onwerkelijk gemak, en haar twee cd’s kan iedere puber ter wereld zonder enig voorbehoud onder de kerstboom leggen voor zijn ouders.

De grootste harde rockband is Foo Fighters van Dave Grohl, de Mark Rutte van de rock: zelfs zijn grootste tegenstanders vinden hem sympathiek. En Grohl zingt nergens over, zijn teksten laten zich samenvatten tot 'Yeaaaah.’

De grootste punkband ter wereld is nog steeds Green Day, een feestband in punkverpakking, op dit moment gevolgd door Rise Against uit Chicago, een ongelooflijk sympathieke band die vroeger nog wel eens zong over bivakmutsen, maar tegenwoordig keurig binnen de lijntjes kleurt, een lief meezingliedje over een zielige veteraan zingt en in haar cd-boekje schrijft dat je moet geven voor het goede doel.

Twee van de drie grootste rappers ter wereld (Jay Z en Kanye West) zijn twee verklaarde muzikale genieën, wier grootste zorg lijkt hoe ze nu weer over hun laatste artistieke en commerciële hoogtepunt heen komen, en die tweede is al jaren samen met een van de beroemdste zangeressen ter wereld, Beyonce. En uiteraard ogenschijnlijk dolgelukkig. Alleen die derde, die blanke, Eminem ja, daar blijft altijd een randje aan zitten, een zekere risicofactor, een sluimerend gevaar. Onder die hoodie kolkt het. Wie worstelt met zijn adrenaline of testosteron of met welk hormoon dan ook, die zal van de grote sterren bij Eminem nog steeds terecht kunnen. Maar ook Eminem wordt volgend jaar al veertig. Net zo oud als Fred Durst. Maar dan zonder het zelf te ontkennen.

Deftones, Paradiso (23 augustus); Eminem, Pukkelpop, Hasselt (18-20 augustus); Rise Against, Lowlands, Biddinghuizen (19-21 augustus). Alle drie: uitverkocht