Fundamenten

Het ensemble van Jan Dibbets laat zien dat ook in conceptuele kunst inventies niet alleen gedacht maar ook gemaakt moeten worden.

VOOR ONS hebben we een vergeelde afdruk van de plattegrond van het Stedelijk Museum. Met rood potlood staat aan de bovenkant geschreven: Museumsokkel met 4 hoeken van 90º No 1 en Museum: Stedelijk Museum Amsterdam. Gesigneerd Jan Dibbets. Als zijn bijdrage aan de tentoonstelling Op losse schroeven, in 1969, had de kunstenaar om de vier hoeken van het gebouw sleuven gegraven van ongeveer een meter breed, aan elke kant van de hoek twee meter lang, met een diepte van zo'n driekwart meter. Op de plattegrond staan de sleuven met rood potlood (gearceerd) aangegeven. De hoeken zijn ook, eveneens in rood, genummerd: linksonder 1 en dan met de klok mee 2, 3 en 4. De nummers corresponderen met twee witte kaarten (1 en 2, elk daarvan met rood potlood gemarkeerd met een kruis) en twee simpele snapshots van de uitgegraven hoeken 3 en 4 - geplakt op de plattegrond.
Na deze eerste versie in Amsterdam heeft Dibbets het project in datzelfde jaar nog vier keer gemaakt en gedocumenteerd: in (of aan) de Kunsthalle Bern (No 2), het Folkwang Museum in Essen (No 3), het Haus Lange in Krefeld (van Mies van der Rohe) (No 4) en Nash House in Londen, de elegante classicistische zetel van het Institute of Contemporary Art (No 5). Van elk van die latere uitvoeringen heeft hij, met plattegronden, zwart-witfoto’s en rood potlood, grafische documenten gemaakt, soortgelijk aan die voor Amsterdam. De formaten zijn alle verschillend omdat plattegronden die hij ter beschikking kreeg verschillend van formaat waren. Ook moest hij veelal gebruik maken van foto’s van museumhoeken die anderen, ter voorbereiding, voor hem maakten. Soms zijn ze (Essen) van een afstand genomen, soms ook van heel dichtbij (Bern, Krefeld). Alleen in Amsterdam zijn dus twee foto’s gemaakt van hoeken uitgegraven. In die tijd moest alles voor weinig geld gerealiseerd worden. Bij het maken van de documenten moest Dibbets dus de snapshots gebruiken die hem al eerder waren toegestuurd.
Close reading van dit materiaal laat ook zien in welke praktische strubbelingen een simpel concept terecht kan komen als het moet worden uitgevoerd. Vanwege de ligging van het gebouw aan een steile helling konden in Bern bijvoorbeeld twee hoeken maar voor de helft ontgraven worden - terwijl in Londen het Nash House zo tegen een ander gebouw aan was gebouwd dat twee hoeken min of meer opgingen in de naastliggende bouwsubstantie. Op elke plek dus moest de idee zijn praktische vorm vinden.
Deze vijf werken (of documenten van werken) hangen nu in de expositie Taking Place in de vernieuwde oudbouw van het Stedelijk. Hoewel sommigen beweren dat we in die tentoonstelling vooral ouwe koek te zien krijgen, is dit ensemble van Dibbets nouvauté. Het heet nu Vijf sokkels voor een museum 1969 en de vijf dingen hebben nooit eerder zo bij elkaar gehangen, noch zijn ze ooit in catalogi zo gepubliceerd. Ikzelf heb ik 1969 de Amsterdamse versie gezien. Van die in Bern had ik weet. Het lijkt onwaarschijnlijk dat iemand, behalve de kunstenaar, ze indertijd alle vijf gezien heeft. Bovendien, Dibbets zelf loopt ook niet te koop met zijn vroegste werk. Zijn doorbraak kwam met de befaamde, essentiële Perspective Corrections (1967-69) waarin hij een zekere greep kreeg op een abstract en eigenzinnig soort fotografie waarvan de wendbaarheid uiteindelijk voerde naar zulke werken als bijvoorbeeld Bourges I - een cirkelvormige vormgeving van de luisterrijke ruimte van die gotische kathedraal, een monumentale constructie met een reeks opeenvolgend verschuivende fotografische gezichtspunten die, ten gevolge van de eigen logica, tot een perfecte, onweerlegbare voltooiing komen.
Het vroegste werk van Dibbets ging veel over meting van ruimte en afstanden - over processen dus. Ik herinner me uit 1969 een werk over tien kilometer Afsluitdijk. Hem interesseerde de rechte lijn van die autoweg. Per kilometer maakte hij een foto in voorwaartse richting: een document dus van tien foto’s - de witte lijn in het midden van de kaarsrechte weg. Hij maakte, denk ik, zulke dingen omdat hij zeker wist dat er een nieuwe beeldende kunst te vinden was - alleen hij wist nog niet waar en hoe. Dus hij begon maar, zoals elke kunstenaar begint.
Het uitgraven van de hoeken van een museum, en zo een conceptuele sculptuur maken, was ook zo'n experimenteel werk. In dat geval kwam er nog bij dat hij voor die tentoonstelling Op losse schroeven die over het nieuwe moest gaan, ook iets wilde doen wat hij nog nooit gedaan had. Maar zo vreemd als dat werk was, in de manier waarop het zich bezighield met de concrete fysiek van architectuur is er achteraf toch een verbinding te vinden met latere werken als bijvoorbeeld Bourges I. Dat gaat ook over de meetbare en zichtbare substantie van een gebouw - zoals een museum dat op een fundament staat. Dat geklooi met die vier hoeken, indertijd vooral een sprong op goed geluk, heeft achteraf toch geholpen klaarheid te krijgen. Ook in conceptuele kunst moeten inventies niet alleen gedacht maar ook gemaakt worden. In het maken bewijst zich de weerbaarheid van het concept. Vijf sokkels voor een museum is een vondst uit de romantische oergeschiedenis van de conceptuele kunst. Het werk laat ook zien dat kunst maken altijd moeilijk is. Een ontroerende en, nu zeker, leerzame gedachte.