G

De Zuid-Koreaanse Vinnie Ko kwam in 2009 naar Groningen voor zijn studie wiskunde. Hij hapt haring, leest Jip en Janneke, staat voor een brugklas in Emmen en wint een schrijfwedstrijd. Driewekelijks schrijft Vinnie over de successen en hindernissen van zijn integratie.

Het was een van de eerste lessen van de cursus Nederlands. De docente las één voor één de letters van het alfabet voor en we deden haar na. De uitspraak van de letters ging ons gemakkelijk af, tot de zevende letter.

‘G’, deed de docente ons voor.

‘Ggchee’, we waagden onze beste poging.

Haar uitspraak klonk lelijk en die van ons nog lelijker. We barstten in lachen uit.

‘Ik weet dat het moeilijk is, maar probeer het nog een keer. G.’

‘Ggchee.’

‘De klank moet van achter uit je keel komen.’

‘Ggggch’, een van ons maakte een rochelend geluid.

‘Nee. Niet rochelen! Je moet van achteruit lucht blazen, terwijl je je tong omhoog tilt.’

‘G’ bleef lastig. Als ik niet goed op mijn uitspraak lette, kreeg ik een opmerking dat ik ‘huh’ zei. Als ik wel aandacht besteedde aan de articulatie kreeg ik te horen dat mijn ‘g’ te kunstmatig, te hard en te lelijk was. Zelfs nadat ik het verschil tussen ‘l’ en ‘r’ onder de knie had gekregen en ‘rijst’ en ‘lijst’ niet meer door elkaar haalde, ging mijn ‘g’ voor geen meter. Toen ik na veel zelfopnamen en oefeningen eindelijk dat onmogelijke ‘g’-geluid goed kon nadoen, had ik niets meer te vrezen. Graag vertelde ik dat ik in Groningen woonde, dat ik elke dag langs grachten fietste en dat ik Grolsch dronk.

Op een dag stond ik in de rij voor de pinautomaat bij een bank. De man die voor me stond, zei iets tegen me. Ik verstond hem niet. Ik liet het hem een paar keer herhalen, maar hij gebruikte voor mij te moeilijke woorden.

‘Spreekt u Encchhels?’ vroeg ik uiteindelijk.

‘Ja, maar de “g” in “Engels” spreek je niet als “g” uit, hoor.’

‘Ja maar, meneer, dat kunt u niet menen. Ik heb er zoveel energchhie ingestoken om het te leren…’