Gümüs-t-shirt

Ik schaam me diep en betreed daarom op kousevoeten de ruimte die voor dit stukje is gereserveerd. Het voelt alsof ik over een paadje geplaveid met verse eieren schuifel. Ik hoor al het gekraak onder mijn voeten en zie me al spoedig, als in een van mijn ergste nachtmerries, in een rauwe reuzenomelet verdrinken en verdwijnen.

Maar kan ik er wat aan doen dat ik me niet onlosmakelijk verbonden voel met Gümüs? Ik las wel ergens dat - volgens mevrouw Anja Versnel van het Gümüs-actiecomité De Pijp - Amsterdam en zelfs heel Nederland ‘onlosmakelijk verbonden zijn met Gümüs’. Maar ikke niet. Ik woon ook niet op het Gümüsplein en heb niet vol afschuw de Gümüs Noodklok zondag in de Zuidertoren horen luiden. Evenmin heb ik een Gümüs-kaart met de dramatische boodschap 'De Pijp uit?’ ondertekend en naar de Tweede Kamer gestuurd. Ik denk ook niet dat ik, als die artikelen binnenkort op de markt worden gebracht, een Gümüs-T-shirt zal dragen, uit een Gümüs-bord zal eten en op koninginnedag mezelf een bitter glas Gümüs-oranje zal inschenken.
Ik heb trouwens niets tegen Gümüs en vind zijn naam met al die puntjes best mooi. Van mij mogen vader Gümüs en zijn gezin nog honderd jaar in Nederland blijven wonen en ook nog het voorrecht krijgen om in de toekomst de maatpakken van Willem-Alexander te leveren. Maar mezelf onlosmakelijk verbonden voelen met Gümüs lukt me ondanks vele pogingen nog steeds niet.
Wat mankeert er aan mij? Ben ik soms een egoïst met een stenen hart?
Wel voel ik, bijvoorbeeld, een zekere verbondenheid met die talloze asielzoekers die, het geweld en de oorlog ontvluchtend, met een koffer vol ellende hier zijn neergestreken zonder veel kans te maken een officiële status van politiek vluchteling te verkrijgen. Of met uitgeprocedeerde Iraniërs die zonder pardon op een vliegreis naar Teheran worden getrakteerd.
Maar als Gümüs enigszins op mijn sympathie kan rekenen, dan is het louter en alleen omdat ik een beetje anarchistisch ingesteld ben en hij een wetsovertreder is. Een kleine delinquent die door het rode licht zoeft en hoopt dat er geen flits in zijn achteruitkijkspiegel zal weerschijnen. Gümüs is primair geen slachtoffer, maar van oorsprong een bewust dader.
Toch heeft hij niemand kwaad gedaan. Toen hij in 1989 Nederland naderde, zag hij voor hem al die lichten op rood springen. Hij kende de betekenis ervan, want die dingen heb je in Turkije en elders ook. Hij reed resoluut door, maar had het geluk niet gefotografeerd te worden. Geen slachtoffer dus maar wel een goeie gokker.
Ook ik vind dat de overheid haar blunder van toen niet moet wreken door Gümüs zeven jaar na dato een gepeperde boete te sturen in de vorm van uitzetting. Maar wat ik niet begrijp is waarom er een plein, ook al blijkt het officieus te zijn, naar Gümüs is genoemd. Die eer komt meestal helden, burgemeesters en doden toe en de betrokkene behoort tot geen van die categorieën.
Een veel gehoord argument om de uitzetting van Gümus te pareren, is dat de kleermaker geïntegreerd is en vooral heel hard werkt. Maar ik ook! Evenals honderdduizend andere buitenlanders in dit land. Waarom wordt er impliciet verondersteld door discriminerende Nederlanders dat een hardwerkende buitenlander een rariteit moet zijn, een schaars specimen dat alleen op grond hiervan zijn plaats in deze samenleving heeft verdiend? Dit gebeurt paradoxaal genoeg in een tijd waarin de autochtone bevolking zich massaal op de aandelenmarkt stort met als nieuw ideaal slapend en snurkend rijk te worden.
Nu weet ik ineens een andere reden die maakt dat ik me niet onlosmakelijk verbonden voel met Gümüs: het komt doordat hij zelf onlosmakelijk verbonden is met een stel fanatici en hypocrieten die tegen zijn zin de noodklokken laten luiden totdat hij er bijna doof van wordt, of die goede sier willen maken door te dreigen met het opzeggen van hun partijlidmaatschap als de kleermaker het land wordt uitgebonjourd. Om maar niet te spreken van de gepikeerde brievenschrijvers die de kranten met hun solidaire proza overspoelen en genade eisen voor de man die tegen de wet heeft gezondigd. Dit zijn vaak dezelfde sociaal-controlerende zuurpruimen die doorgaans dura lex, sed lex schreeuwen en je bij de reinigingspolitie aangeven als je je vuilniszak een paar uur te vroeg op straat hebt gezet. Vandaag hebben ze één troetel-allochtoon gevonden om een tijdje op te kauwen, maar morgen spugen ze weer als gewoonlijk hele bataljons zwartjes uit hun aardappelkelen.