Ga je op het hoofd van je dochter staan?

Hoe vind je een vocabulaire om over de holocaustervaringen te schrijven? Dichterlijke vrijheid is bijna niemand gegund.

Dieter Schlesak, De apotheker van Auschwitz. Vertaald door Jacq Vogelaar, € 24,95
Dieter Schlesak, Capesius, der Auschwitzapotheker. € 36,50
Yann Martel
, Beatrice en Vergilius. Vertaald door Marijke Versluys, € 17,95
Yann Martel, Beatrice and Virgil. € 20,75

Onlangs leende ik de klassieke Italiaanse film Novecento uit aan een twintigjarige dierbare. Let op, zei ik: er zit één scène in die door merg en been gaat. Het gaat om die verschrikkelijke scène waarin de tot meedogenloze fascist ontwikkelde Attila een kind aan de voeten ronddraait en in een aanval van waanzin en berekende agressie doodt door het hoofd tegen de muur kapot te slaan. Ieder die de film heeft gezien heeft dat beeld onthouden.
Ook in De apotheker van Auschwitz van Dieter Schlesak wordt een kind bij de voeten gepakt en met het hoofd tegen de muur te pletter geslagen. Maar dat beeld, hoe gruwelijk ook, zal zich niet in mijn hoofd vastzetten zoals bij Bertolucci’s film. Waarom?
Schlesak (1934) is afkomstig uit het Duitstalige Transsylvanië, deels Roemeens en deels Hongaars grondgebied, en vertelt de geschiedenis van een aantal verwante Volksduitsers. Vertellen is eigenlijk niet het goede woord, want Schlesak wilde juist geen vertelling maken, geen fictie. Meegesleept worden is niet de bedoeling, schoonheid ook niet. De uitspraak van Theodor Adorno, ‘to write poetry after Auschwitz is barbaric’, heeft een schrijver als Schlesak zijn pen doen bevriezen. De apotheker van Auschwitz is dan ook geen roman, maar een 'documentaire roman’, die recht wil doen aan authentieke getuigenissen en stemmen over Auschwitz. Er staan foto’s in het boek van echte daders en echte slachtoffers, en een groot deel van de tekst bestaat uit de letterlijke transcriptie van getuigenissen in het Auschwitzproces in Frankfurt in 1964. Schlesak heeft gekozen voor een montagevorm, waardoor er vele tientallen verschillende stemmen spreken. De fragmenten zijn zo gemonteerd dat je het boek eigenlijk meer moet bestuderen dan lezen: wie is er nu aan het woord, was dat nu een dader of juist niet, heb ik deze figuur al eerder gelezen of niet?
Om dat probleem op te lossen heeft Schlesak één personage wel verzonnen: Adam, een Duitstalige jood uit Transsylvanië. Adam zat in het Sonderkommando van Auschwitz, de groep die verantwoordelijk was voor het afvoeren van de lijken uit de vergassingskamers, maar ook in de verzetsgroep die vlak voor de bevrijding heeft geprobeerd met hulp van partizanen Auschwitz te ontzetten. Bovendien was hij betrokken bij de Kanadalager, waar de bezittingen van de vergasten werden uitgezocht en verdeeld. Adam is een 'realistische composietfiguur’, zoals de overtuigende vertaler van dit boek en schrijver van het nawoord Jacq Vogelaar hem noemt. Zijn dagboeken en interviewfragmenten vormen een soort rode draad in het boek. Hij heeft Auschwitz van alle mogelijke kanten beleefd. 'Adams belevenissen kunnen niet verteld worden’, schrijft Schlesak, omdat er een onoverbrugbare kloof is tussen degenen die het hebben meegemaakt en die het niet hebben meegemaakt. Volgens Vogelaar verschaft Adams meerstemmigheid een dieper inzicht dan de eendimensionale echt bestaande personages, die spreken in letterlijk opgetekende tekst.
Twee van die echte personages vallen op. Roland, de oom van Schlesak, was SS'er in het kamp en kan steeds weer betrapt worden op allerlei verdraaiingen waardoor hij achteraf zijn eigen schuld verkleint. En de apotheker van Auschwitz Victor Capesius, die alle schuld ver van zich afwerpt, die benadrukt niet meer dan bevelen te hebben opgevolgd en volgens de wet te hebben gehandeld, en die zelfverrijking, door zich de bezittingen van de vergasten toe te eigenen, botweg ontkent.
Capesius zou, als de schrijver over hem had durven fantaseren, een boeiende romanfiguur zijn geweest. Hij was apotheker en vertegenwoordiger van geneesmiddelen in het Transsylvanische Zevenbergen. In mei 1944 begon de 'Hongarenactie’ en werden honderdduizenden deels uit hetzelfde Zevenbergen afkomstige joden naar Auschwitz vervoerd. Victor Capesius staat op het perron naast Mengele en selecteert oude bekenden, die hem soms opgelucht en hoopvol begroeten, voor de gaskamers.
Geen spijt heeft Capesius, en Schlesak, die zelf ook in het boek voorkomt als interviewer en die als kind voor de oorlog pepermuntjes kocht bij Capesius, neemt hem dat kwalijk. Toch probeert hij in het hele boek 'neutraal’ te blijven en de rol van de optekenende buitenstaander te vervullen. Slechts af en toe valt hij uit zijn rol.
Er zijn meer interessante motieven en thema’s in het boek verstopt, zoals de lagerszpracha, de taal waarin de gevangenen communiceerden en waarin een muzulmaner een uitgehongerde ondode is en essenholerzy voedselverdeling betekent. Of de afkomst van Hitler, die eigenlijk Hiedler zou heten en uit een krankzinnigenfamilie vol inteelt en alcoholmisbruik zou stammen. Maar geen van die motieven mag worden uitgewerkt tot een echt verhaal. Steeds moet de lezer weer weten dat dit boek een boodschap heeft: de komende generaties mogen niet vergeten, alles moet worden opgetekend, ieder detail vastgelegd, alle getuigenissen gepubliceerd, alle namen van de vergasten verzameld, alle doden herdacht. Daarom de steeds maar zich herhalende gruwelijke vergassingen van weer een groep slachtoffers, die vaak wel een naam krijgen maar geen gezicht. Totdat je zo afgestompt bent dat verder lezen een opgelegde taak wordt.
Hoe te schrijven over de holocaust? Juist over dat probleem gaat de roman Beatrice en Vergilius van de Canadese schrijver Yann Martel (1963). Capesius, de apotheker van Auschwitz, noteerde in 1964 in zijn cel al dat Auschwitz overal opgevoerd wordt, omdat er dan 'beter valt te verkopen’. Daarvan zijn ook de redacteuren van schrijver Henry, Martels hoofdpersoon, doordrongen, maar dan moet het wel in een bepaalde vorm worden gegoten. Druipend van de ironie beschrijft Martel een sjieke lunch in Londen met vier redacteuren, een boekverkoper en een historicus, die als een vuurpeloton Henry’s gelaagde en gemengde boek over de holocaust met de grond gelijk maken: 'Waar gáát je boek over?’ Zijn idee lijkt ook zot: een flipboek, een boek zonder einde dus, waarbij aan de ene kant met het fictionele verhaal kan worden begonnen en, het boek omgedraaid, aan de andere kant met een essay. Juist zo, door beide genres te gebruiken, wil hij een nieuwe vorm bedenken om te schrijven over het 'onbeschrijfbare’, en de verbeelding én het verstand inzetten. 'De gebruikelijke invalshoek van boeken over de holocaust was vrijwel altijd historisch, feitelijk, documentair, anekdotisch en letterlijk; het waren getuigenisverhalen.’ Dichterlijke vrijheid werd bijna nooit genomen met, of gegund aan, de holocaust. Daar wil Henry verandering in brengen.
Wat met romanpersonage Henry gebeurt in het boek is gebeurd met Yann Martel nadat hij Beatrice en Vergilius had gepubliceerd. The New York Times schreef dat Martel de holocaust trivialiseerde, en noemde het zelfs een pervers boek. Een aantal critici meende dat alleen joden de holocaust mogen fictionaliseren. Art Spiegelman bijvoorbeeld, die een meesterlijke strip maakte met muizen in de rol van de joden, of een voorbeeld dichter bij huis: Arnon Grunberg. In 2008 verscheen De joodse messias van Grunberg in de VS met een door en door ironisch omslag: een in zwart en rood uitgevoerde en op nazistische wijze gestileerde adelaar. Niemand viel daarover in het doorgaans politiek correcte Amerika. Was dat ook zo geweest als Martels boek er zo uit had gezien? 'Jewish people don’t own the Holocaust’, zegt Martel stoer in een interview met The Guardian.
Bij Martel geen muis of gestileerde adelaar op het omslag, maar wel een ander dier: een ezel, Beatrice geheten, met op de rug een brulaap met de naam Vergilius. Dante’s gidsen door hemel en hel, die in het boek, dat na de afwijzing van Henry’s manuscript pas goed op stoom komt, slachtoffers van de holocaust verzinnebeelden. Ze treden op als personages in een door een fan van Henry geschreven toneelstuk in Beckett-achtige dialogen. De fan, een tachtigjarige zonderling, heeft een intrigerend vak: hij is taxidermist, zet dieren op. In zijn werkplaats heeft hij een ark van Noah bijeengebracht aan gewone, wilde en uitzonderlijke dieren. Vanaf het moment dat Henry en zijn fan, ook Henry geheten, elkaar ontmoeten vibreert de holocaust mee in al hun gesprekken. In het toneelstuk wordt zelfs een nieuw 'dierenwoord’ uitgevonden voor de term holocaust: 'Aukitz’. Het wemelt, af en toe te nadrukkelijk, van verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog: de taxidermist woont op nummer 1933, herten in doodsnood 'klommen over elkaar heen, en hun lijven met de verstrengelde geweien vormden een grote zich verplaatsende heuvel die telkens inzakte’, een beeld dat sterk doet denken aan de beschrijvingen van de slachtoffers in de gaskamer. En steeds gaat het erom hoe een vocabulaire te vinden om over de holocaustervaringen te spreken. Dat is in wezen dezelfde vraag die Schlesak zich stelt.
De taxidermist met nazisympathieën gebruikt in zijn toneelstuk de holocaust als metafoor voor de uitroeiing van diersoorten, maar Martel gebruikt de uitroeiing van dieren als metafoor voor de holocaust. Op die manier omgaan met het 'onbeschrijfbare’ of 'dat wat niet te vertellen is’, is volstrekt onacceptabel voor vele lezers en critici. 'Over Auschwitz is geen verhaal mogelijk dat zich niet aan het kader van de feitelijke gebeurtenissen houdt’, schrijft Vogelaar in het nawoord bij Schlesak.
Martel is een bestsellerschrijver; zijn boek Life of Pi heeft wereldwijd zeven miljoen exemplaren verkocht. Een cynische conclusie zou zijn dat als het erom gaat dat de generaties na ons niet mogen vergeten, zijn reikwijdte heel wat groter is dan die van Schlesak. Om niet te vergeten heeft de lezer een verhaallijn nodig, en personages om mee mee te leven. Vandaar dat iedere kijker van Novecento de scène met het kind nooit meer vergeet.
Maar ook als literatuur reikt Martel verder. Beatrice en Vergilius eindigt met een spel van dertien morele vragen. 'Je dochter is dood, geen twijfel mogelijk. Als je op haar hoofd gaat staan kom je iets hoger en daarboven is meer frisse lucht. Ga je op het hoofd van je dochter staan?’ Martels macabere spel zet de lezer uiteindelijk meer aan het denken dan Schlesaks authentieke verslag.

YANN MARTEL
BEATRICE EN VERGILIUS
Vertaling Marijke Versluys, Prometheus,176 pag., €_17,95
DIETER SCHLESAK
DE APOTHEKER VAN AUSCHWITZ
Vertaling en nawoord Jacq Vogelaar, De Arbeiderspers, 348 blz., €_24,95