‘ga maar’

ELLEN: ‘Rogier is geboren in 1959, we schelen vier jaar. We groeiden op in Castricum, in een groot vooroorlogs huis, waarvan de zolder in de zomer aan Duitse badgasten werd verhuurd. Later werd dat Rogiers kamer.

Als oudere broer liet hij mij de wereld zien, maakte overal de weg voor mij vrij. We waren maatjes. Hadden een zelfverzonnen taaltje waar we anderen gek mee maakten.
Als Rogier ruzie kreeg met andere kinderen, kwam mijn moeder meteen voor hem op. Werd hij met een plantenspuit bespoten, dan ging zij erop af: ‘Hier die spuit!’ Die moesten de ouders van die kinderen bij haar maar terug komen vragen.
Mijn vader zat in de bloembollen, maakte veel overuren. Mijn moeder schilderde, ze is heel creatief. Rogier had aparte vriendjes, vreemde vogels, waar ik vaak een oogje op had. Rogier zette zich tegen alles af wat doorsnee was of normaal. Zijn eerste vriendinnetje kwam aan op een paard, daarna was hij op het buurmeisje verliefd. Hij maakte foto’s van haar voor een modellenwedstrijd in de Viva. Later kwamen meer meisjes over de vloer, de een nog mooier dan de ander.’
FROUKJE: 'Rogier vond mij een stuk. Ik had enorm grote borsten en lang blond haar, ik zag er uit als een seksbom. Die borsten, daar zat ik mee, ze zaten zo in de weg. Voor mannen was ik: borsten met een hoofd erboven. Rogier gaf volmondig toe dat hij ze geweldig vond. “Het lijkt hier wel wintersport.” Dat hij er zo eerlijk over was, vond ik wel leuk.
Rogier was anders dan alle andere jongens. Warm, charmant, vol sterke verhalen. Die verhalen klopten van geen kant, maar hij entertainde de boel wel. Hij speelde fanatiek handbal, was zanger in een band, zat net op de Rietveld Academie. Ik deed 4-havo.
Bij hem thuis was het nogal burgerlijk: een nadrukkelijk tikkende klok, veel schilderijen. Zijn moeder was erg op netjes: “Froukje, zeg nou toch wat van die kleren.” Hij had altijd hetzelfde sjofele colbertje aan, dezelfde spijkerbroek. Ik vond het wel bij hem passen. Rogier wilde in Amsterdam wonen. Zijn ouders weigerden dat financieel te steunen. Ze vonden Amsterdam eng.
We waren verliefd, maar ook maatjes: kletsen, lachen. Soms kwam hij niet opdagen als we hadden afgesproken. Dan was ik pissig, maar ik zei er niets van, om geen tutje te zijn. Na een half jaar maakte Rogier het uit. Hij zei dat hij kritiek had gekregen op de Academie dat hij zich niet genoeg met kunst bezig hield, zich te veel liet afleiden. Hij wilde met mij stoppen om een daad te stellen. Het was zo rationeel, vond ik, het had niets met gevoel te maken. Ik was er helemaal kapot van. Van de ene op de andere dag werd ik teruggeworpen in mijn eigen saaie leventje: proefwerkjes, hockey, zaterdagbaantje. Ik was toen nog lang geen vrouw van de wereld. Maar dat was Jolanda ook niet, en toch had hij binnen twee weken verkering met haar.’
JOLANDA: 'Rogier en ik kwamen elkaar tegen in de kroeg. Ik keek enorm tegen hem op. Hij had een vlotte babbel, deed interessante dingen. “Mag ik je een zoen geven?” zei hij tegen sluitingstijd. Ik was verbaasd dat hij het zo netjes vroeg.
We zijn zes jaar bij elkaar gebleven.
Rogier had zich voor de Rietveld opgegeven zonder dat zijn ouders dat wisten. Daar waren ze woest over. Hij moest naar de lerarenopleiding, onderwijzer worden, in Castricum blijven, vonden ze.
Zijn moeder probeerde via mij invloed uit te oefenen op zijn kleding en zo. Daar had ik moeite mee. Met Kerst vergat ik bij binnenkomst “Vrolijk kerstfeest” te wensen. Ik begroette ze met “goedenavond”. Daar was ze heel boos over. Achteraf bekeken lijkt Rogier wel op zijn moeder: aanwezig zijn, ruimte innemen, bepalen waar een gesprek over gaat. Maar toen zag ik dat niet.
Mijn eigen vader was een moeilijke man. Somber, angstig, ontevreden over zijn eigen leven. Als er bezoek kwam, zat hij meestal in zijn eentje boven. Rogier had iets van: als je vader niet tegen mij wil praten, dan praat ik wel tegen hem. Mijn vader voelde zich door hem geaccepteerd, en mijn moeder was blij: eindelijk iemand die langs kon komen zonder dat het een toestand werd.
We vonden allebei een kamer in Amsterdam. Ik was nogal verlegen, durfde weinig risico’s te nemen. Hij stimuleerde me, nam me overal mee naar toe, trok me vaak over een drempel. In die tijd heb ik veel aan hem gehad.
Tijdens mijn stage in een kinderdagverblijf werd ik ernstig ziek. Hoge koorts, opgezwollen arm. Rogier had er ’s ochtends op de academie over verteld. De kantinejuffrouw zei: “Misschien is het bloedvergiftiging.” Ze had gelijk. Als Rogier niet meteen terug was gefietst, was ik dood gegaan.
Hij kwam elke dag naar het ziekenhuis. Praatte me moed in. Ook daarna, want ik schaamde me voor de lelijke arm. Die hadden ze behoorlijk leeggeschept. “Kom op, je mag er best zijn”, zei hij dan. Als je zo dicht bij de dood bent geweest, dringt het tot je door dat het helemaal niet gezegd is dat je altijd bij elkaar zult blijven. Het kan zomaar afgelopen zijn. We spraken met elkaar af dat, mocht het ooit uitgaan, we het eerste jaar toch bij elkaar zouden blijven. Dat was dan in theorie, want met ons ging toen alles nog goed.’
FROUKJE: 'Jolanda wist niet dat Rogier en ik elkaar bleven zien. Inmiddels woonde ik ook in Amsterdam, zat op de School voor Journalistiek. “Ik hou van twee vrouwen”, zei Rogier dan. “Jij houdt van geen enkele vrouw, jij houdt alleen van jezelf’”, zei ik. Dan ging hij lachen, gaf toe. Ik vond het leuk dat hij er eerlijk over was. Maar ook verwarrend, want hij gaf mij toch het gevoel dat het goed zou komen tussen ons. Ik snapte niet wat hij in Jolanda zag. Ze was zo nuchter, zo anders dan hij.
Toen zij in het ziekenhuis lag, dacht ik: “Ziezo, dat is dan ook mooi opgelost.” Want ik had altijd het gevoel dat zij hem van mij had ingepikt. Ik durfde pas veel later eerlijk tegen Rogier te zijn: “Je komt hier maar aanwaaien, ik weet niet hoe ik het moet begrijpen.” Daar schrok hij heel erg van. Ik deed zo makkelijk en nu bleek dat het me toch meer kwetste dan hij dacht. Dat had hij zich nooit gerealiseerd. Daarna is hij nog een hele tijd met Jolanda gegaan.’
JOLANDA: 'We woonden samen. Dat was fantastisch. Langzaamaan maakte ik een hele ontwikkeling door. Ik begon Rogier met andere ogen te bekijken. Wat ik eerst leuk vond, ging irriteren. Altijd op de voorgrond, al die sterke verhalen. Ik ging steeds meer tegengas geven. Zei dat ik diepgang miste. We hadden lichamelijke intimiteit, maar praten over jezelf, je gevoel, dat kon Rogier niet. Ik kan me niet herinneren dat hij ooit moest uithuilen.
Hij was altijd van alles aan het doen: spelen in een band, filmpjes maken, vrienden. Ook andere vrouwen, al wist ik dat toen niet. Dat ik steeds meer op de rem ging staan, kwam slecht uit. Want Rogier wilde vooral leven.
Hij kreeg een baantje bij de televisie. Dat was het helemaal. Zijn droom was de VPRO. Mijn opleiding, de hulpverlening, vond hij veel te gewoontjes: “Ga toch wat anders doen.” Zijn ambitie was geld, maar vooral beroemd worden. Soms ging hij een paar dagen weg om te filmen. Bij thuiskomst eerst met collega’s kijken naar de opnames. Roken, drinken, huis vol rotzooi tot diep in de nacht. Terwijl het voor mij was: hij is weer thuis. Maar daar was geen ruimte voor. Ons samen werd steeds meer: samen met anderen.
We besloten weer apart te gaan wonen. Om onze relatie een betere inhoud geven, dachten we nog.’
ELENA: 'Rogier speelde met zijn band op het Oerol Festival. Hij sloeg op een olieton. “Wat een gek”, dacht ik. De muziek was niet om aan te horen. Ik ging buiten een appeltje eten, toen keken we naar elkaar. Het was een soort opwinding: kijken, bekeken worden, spelletjes met ogen, wel willen, niet willen. Terug in Amsterdam ging ik over hem fantaseren. Ik was twintig, ik was alleen, op zoek naar de prins op het paard. Rogier en ik hadden elkaar gezien op de trouwdag van mijn ouders. Op mijn werk bleek dat een van mijn collega’s geluidstechnicus was van Rogiers band. Ik ging alles met elkaar verbinden, in toevalligheden tekens zien. Het voorbijkomende mannetje moest er maar aan voldoen. Egoïstisch eigenlijk, maar dat was Rogier ook. Daarom kom je elkaar ook tegen. Dus zei ik tegen die geluidstechnicus: “Geweldige band, fantastische muziek, wanneer spelen ze weer?”’
CARO: 'Het eerste wat ik leuk vond, was zijn stem. Ik was met een vriendin naar Terschelling. Het Oerol Festival was aan de gang. We fietsten met z'n allen naar het strand. Daar zei Rogier: “Mag ik je een zoen geven?” Ik was verbaasd dat hij het zo vroeg. Toen hebben we gezoend. Het was mistig, tegen de ochtend al. Op de terugweg bij een splitsing met telefooncel, moest ik naar links, hij rechtdoor. Dat afscheid voelde heel dramatisch. Dag dag, zoen zoen. Fietsen. De volgende dag voelde ik me raar, kon niet praten, kon niet eten, helemaal slap. Rogier net zo. We waren als bij toverslag hartstikke verliefd.
In Amsterdam bleek dat hij twee straten verderop woonde. “Shit, hoe moet dat nou?” dacht ik. Want ik woonde samen, al vijf jaar. Rogier gaf zijn telefoonnummer maar wilde mijn nummer niet. “Jij bent met iemand, dus ga maar naar huis, dan merk ik het wel.”’
ELENA: 'De geluidstechnicus had geregeld dat ik naar een optreden kon. Ik ging er pas heel laat heen, want ik wilde die muziek natuurlijk helemaal niet horen. Ik stapte op Rogier af: “Ken je me nog?” Hij bracht me thuis, op de stang, het regende, hartstikke romantisch. Mijn huis werd verbouwd, alles wat ik bezat, lag op de grond. Dat vond hij maar raar. “Het lijkt wel een kraakpand hier.” Hij had veel borsthaar, dus zei ik: “Ik knip er wel welkom in, kun je mooi voor de deur gaan liggen, dan krijgt het huis aanzien.” Ook dat vond hij vreemd.
We deden het meteen met elkaar, dat was heel prettig. Toen werd ik echt verliefd. De volgende ochtend moest hij vroeg weg, om het alarm op zijn werk af te zetten, zei hij. Daar geloofde ik niets van. Later bleek dat zijn ex Jolanda iedere ochtend nog belde. Ze ging ook een keer huilen aan de telefoon. Hij moest direct naar haar toe. “Is het nou uit of niet?” dacht ik.
Op een feestje verscheen nóg een gegadigde: Caro. Ze stond zo om Rogier heen te draaien, ik dacht: hier klopt iets niet. Caro zei: “Ben jij verliefd op Rogier?” Het secreet. En ik: “Nee, ik probeer via hem met jou in contact te komen, nou goed.” Toen was ik klaar. Ik dacht: zoek het maar uit, Rogier.’
CARO: 'Er was iets magisch aan de hand. Ik begreep niet hoe een gevoel zo sterk met me op de loop kon gaan. Was ook in paniek, bang mijn vriend kwijt te raken, maar die verliefdheid kreeg ik niet weg. Dus belde ik op. Rogier zei: “Ik denk de hele dag aan je, krijg het maar niet uit mijn hoofd.” We bleven bij elkaar tot diep in de nacht. Schuldgevoel, verwarring. Ik betrok een leeg kamertje in Utrecht. Mijn vriend was er kapot van. Gesprekken, dramatische stiltes, tranen. Dan weer Rogier bellen. Briefjes, kaartjes, kusjes. Midden in de nacht terug naar Amsterdam.
Rogier was net bij de lokale televisie begonnen. Had met vrienden een drietal gevormd en dat trio ging grootse dingen doen. Ik wilde ook iets met film en tv, dus vond ik het niet erg om nachtenlang erbij te zitten als zij aan het monteren waren. Soms ging Rogier met me mee foto’s maken in de stad. Hij wist wat voor camera ik moest kopen, liet me de mooiste plekjes zien, hielp me heel erg.
Op een dag ging ik zomaar huilen. Hij begreep er niets van. Ik was verbijsterd: “Heb jij dat dan nooit, dat je je rot voelt en wilt janken, gewoon omdat het leven kut is?” Nee, dat had hij nooit. Toen dacht ik: jij bent het dus niet, als je dit niet begrijpt, ben je het niet.
Misschien wilde Rogier meer lol dan diepgang. Ook vrijen was voor hem iets wat je doet, niet iets wat je voelt. Ik zag hem steeds nieuwe dingen oppakken: Turks leren, saxofoon spelen. Na een maand was hij dan saxofonist! Steeds op zoek naar meer, nog grotere kicks en nog meer opwinding. Maar hoe je moet troosten of praten over het kleine, daar had hij geen idee van. Ik maakte het uit. Hij was laconiek: “Ik zie je wel over drie weken.” En inderdaad, na drie weken ging ik toch weer naar hem toe.’
BIANCA: 'Rogier was op vakantie met zijn vriend Fred, een vreemde vogel. Ik was met een vriendin eilandhoppen in Griekenland. We zagen elkaar op een terrasje op Paros. Guitige ogen, meteen lachen. Stomtoevallig kwamen we elkaar op Antiparos wéér tegen. Ik zag hem in een straatje in de verte. We zijn naar elkaar toegerend, hij heeft me opgetild, gekust, net als in de film. Ik dacht: “Dit is geen toeval meer.”
Ik kwam uit een dorp, was net achttien, we scheelden tien jaar. Rogier liet mij Amsterdam zien: blowen, biertje drinken, veel uit. Ik vond het geweldig, want ik kende nog niks. Onze relatie veranderde snel in maatjes zijn: bellen, kletsen. Dat bellen heeft hij jarenlang volgehouden. Hij wilde altijd weten of het goed met mij ging. Als er iets was, luisterde hij wel een beetje op z'n Rogiers: meteen een advies klaar. Hij ging niet doorvragen of er lang op in. Misschien kwam dat omdat hij het gezellig wilde houden.’
ELENA: 'Toen ik hem duidelijk had gemaakt dat hij het maar moest bekijken, vond Rogier dat heel erg. Hij zat met al die schaapvrouwtjes die hij kon voorliegen en toen ging het beste paard van stal opeens op een andere renbaan lopen. Blijkbaar was ik de enige die hem vrijwel meteen doorhad. Ik vond het heel jammer: we zaten op dezelfde golflengte, zelfde soort humor, zelfde kijk op de wereld, zelfde mildheid ook. “Je bent een lafbek”, zei ik. Ik kon het niet uitstaan dat hij niet voor mij koos.
Ik kreeg een andere relatie, hij ontmoette Katinka, een mooi Amsterdams meisje. Zij paste precies in het plaatje waar Rogier zichzelf in had opgesloten: een spannende baan, een huis op de gracht, een mooie auto: een Citroën, en een creatieve vrouw, die ook nog moeder van je kinderen wil zijn. Het was het plaatje waar heel zijn generatie van droomde.’
CARO: 'Rogier had het wel es over Katinka. Dat het een leuk meisje was, dat hij haar had gesproken. Ik had er niet veel van te vinden. Was zelf ook bezig met mijn vriend, zat zelf ook stoer te doen. Toen vertelde hij dat hij bij Katinka had gegeten. Ik dacht: “Shit, voor hem koken, dat heb ik nog nooit gedaan.” We gingen altijd uit eten, koken was maar burgerlijk. Hij zei: “Het was zo raar, Katinka ging allemaal vragen stellen en ik moest opeens huilen. Ik ben bij haar gebleven. Het is nu echt voorbij, Caro.”
Ik accepteerde het onmiddellijk, dacht: die vrouw wil hem echt. Ze had hem uitgenodigd van kom maar hier, en kom ook helemaal. Dat hij met haar wel dat intieme had, vond ik heel erg. Ik had dat knopje nooit gevonden. Ik ben heel verdrietig geweest, heb vreselijk gehuild, maar dacht ook: “Ga maar, neem maar, zij wil jou meer dan ik.”’
KATINKA: 'Kennelijk heb ik een snaar bij hem geraakt, maar dat heeft hij mij niet laten merken. Misschien heeft hij voor zijn gevoel gehuild, hij liet dat niet zien.
We zijn na die avond elf jaar bij elkaar gebleven. Ik zag hem voor het eerst op het Oerol Festival. Hij is een echt podiumbeest. Hoe meer aandacht, hoe mooier en groter hij wordt. Daar viel ik helemaal voor. Dacht: “Daar is de vader van mijn kinderen”, dat gevoel had ik heel sterk.
Mijn eigen vader is een koele, afstandelijke man die nooit had geleerd zijn emoties te laten zien, te knuffelen. Hij voedde op met geld. Zelf was ik toen nog vrij contactgestoord. Zat in de mode, een perfecte façade waarachter je je kunt verschuilen. Rogier is een sociaal dier. Hij kende half Amsterdam en achter zijn brede rug leerde ook ik half Amsterdam kennen. Durfde soms ook een stapje te doen, contact te maken. Hij was de perfecte vervanger van de vader die ik nooit had gehad.
Onze relatie was in evenwicht: hij was een man van de wereld, ik liep aan zijn handje mee. Dat vond hij prettig en ik ook. Rogier is een beetje een ridder: steunen, problemen oplossen, helpen. In het begin geeft dat een beschermd gevoel, maar op den duur wilde ik het zelf doen. Zijn manier was niet altijd de mijne.
Dat verschil uitte zich bijvoorbeeld in het werk. Rogier is iemand van het concept, het idee. Ik ken niemand die daar zo creatief in is als hij. Ik ben meer van achtergronden en diepte. Toen ook ik televisie ging maken, botste dat enorm.
Rogier wilde de vaderrol omdat hij slecht bij zijn gevoel kan, dan is het fijn met gevoelens van anderen bezig te zijn. Aan het steunen van anderen ontleent hij zijn eigenwaarde. Je kan hem niet erger kwetsen dan door te zeggen: “Ik heb je hulp niet nodig Rogier, ik wil het zelf doen.”’
JUSTINE: 'Hij kwam aan mijn tafeltje zitten. Ik was alleen, hij ook. Het was sluitingstijd. Ik viel meteen op hem: nonchalante kleding, stoer. In die tijd hadden artsen ontdekt dat ik mogelijk multiple sclerose had. Ik dacht: “Mogelijk, wat is dat nou?”, dus leefde ik er behoorlijk op los. Lol maken, uitgaan, niets missen. Ik wilde Rogier versieren, ging hem zoenen, buiten bij de fietsen. Hij sloeg dat niet af maar liet me toch een blauwtje lopen. Hij had vrouw en kind.’
KATINKA: 'Ik was moeder. Wilde gevoelsmatig het liefst met de baby zijn. Maar we zaten in dat wereldje van hip en snel, feesten, uitgaan, televisie. Ik wist niet hoe ik dat met elkaar moest rijmen, raakte in de war. Rogier begreep er niets van.’
ELENA: 'Op een avond kwam Rogier weer langs. Hij vond me nog steeds zo geweldig, wilde met mij naar bed. “Katinka is op een ander verliefd, dus maakt het niets uit”, zei hij en nam een slok. Ik was weer alleen, had zin in seks, maar dit wilde ik niet. Vond het zo triest.’
KATINKA: 'Ik voelde me gevangen in dat man-kind-huis, er was opeens iemand daarbuiten, het rook naar vrijheid, dus daar ging ik. Om te halen wat ik miste: een knuffel. Verder dan dat is het nooit gekomen. Toch denk je: er is iets mis. Rogier en ik gingen in therapie. Maar het Riagg wordt niet voor niets gesubsidieerd: de hoeksteen moet blijven bestaan, dat is hun inzet. Overspel kan gebeuren, vond ik. Als je dat op een goede manier oplost, betekent dat veel voor je relatie. Zij keurden alleen maar af. Toen begreep ik: ik moet het zelf doen. Volwassen worden op eigen kracht. Rogier pikte het niet dat ik onder zijn vleugels vandaan kroop. Wat ik van hem wilde, was dat ook hij zijn zwakheid zou tonen, Ik wilde dat er iets in de plaats zou komen van die vader-dochterrelatie, wilde gelijkwaardigheid.
Hij loste dat op z'n Rogiers op, stortte zich weer in de buitenwereld. Op zoek naar nieuwe vriendinnen die hem net zo nodig hadden als ooit ik.’
JUSTINE: 'Ik werd inderdaad ongeneeslijk ziek. Een van mijn ogen tijdelijk blind. Toen dacht ik: nu ben ik ook geen schilder meer, ik kan niet zien. Rogier kwam vaak langs. Hij kan veel geven. Als ik een schilderij heb gemaakt, ziet hij het al bij binnenkomst: “Ik ben zo trots op je”, zegt-ie dan. Dat raakt mij. Hij heeft de romantiek van jongensboeken: bloed prikken en versmelten, dat is echt iets voor hem. We werden vrienden. En makkers in het vieze: uit je oren eten, met je teennagel tanden flossen. Als je aandacht van hem wilt, moet je wel kunnen schreeuwen. Meestal is hij zelf aan het woord. Maar al die verhalen zijn lief bedoeld: om jou een leuke avond te geven, jou te vermaken.’
CHRISTINE: 'In Frankrijk, een dag voor de bruiloft van vrienden, stond Rogier zijn Citroën wit te schilderen. Dat moest nog even gebeuren, want zijn auto werd de bruidsauto. Na afloop van het feest zei hij: “Jij durft mij vast niet te zoenen?” Ik moest wel lachen om zo'n vraag. Toen hebben we gezoend.
Terug in Nederland ontfermde hij zich over mij. Vond dat ik mijn huis anders moest inrichten, van baan moest veranderen, meer geld moest verdienen. Hij ging me redden, zoiets.
Na de zomer plaatste een collega een contactadvertentie voor me, onder het motto: Christine moet aan een serieuze man. De brief die ik uit honderdvijftig brieven uitkoos, was geschreven door Melle Mulder, decorontwerper. Prachtig handschrift, doorzichtig papier, geestig, met een recept voor garnalen erbij. Ik nodigde Melle uit voor een optreden in de kroeg. Maar Melle kwam nooit. Toen bekende Rogier: “Melle, dat ben ik.” Hij had een hele nacht op die brief gezeten. Ik moest vreselijk lachen, maar had ook zin om hem in elkaar te slaan. “Het is het lot, dat je uit al die brieven mijn brief kiest, dat zegt toch iets”, zei hij.’
CARO: 'Ik kreeg een baan bij de televisie. Rogier en ik lieten elkaar met rust. Er was teveel gebeurd. De hoofdredacteur van de omroep ging plotseling dood. We waren aan het filmen in het buitenland. Rogier ook. ’s Nachts zocht hij me op. Ging bij me liggen. Van seks was geen sprake. Hij werd toen twee keer per dag dronken. Ik was al blij dat ik de volgende ochtend zag dat hij nog ademde.’
ELENA: 'Rogier en ik werden uitgenodigd voor een logeerpartij met kinderen in Frankrijk. In de auto ging de whiskyfles al open. Drank, drugs, de ene pil na de andere. Na een ellendige nacht heb ik mijn koffer gepakt. “Jongens, ik ga, en Rogier gaat met me mee”, zei ik.
Ik heb toen een antroposofisch huisje gehuurd in Spa. Drie dagen tegen hem aangepraat. Dat dit niet kon. Dat hij kinderen had. Dat hij er wat aan moest doen. Dat het nergens op sloeg. Hij schrok ervan, maar was er ook door geraakt. Blijkbaar had niemand de moeite genomen er wat van te zeggen. Ooit wilde ik dat Rogier los zou breken; hij had mijn prins op het paard moeten zijn. En nu stond ik zo'n beetje hem te redden.’
KATINKA: 'Rogier zat diep in de put. De dood van de hoofdredacteur, zijn grote voorbeeld, was voor hem een enorme klap. Rogier werd vroeger door zijn ouders niet beloond voor wie hij was maar voor wat hij deed: netjes blokfluit spelen, een mooie tekening maken. Als kind deed hij zijn best voor zijn moeder, later deed hij zijn best voor deze man. Toen die er niet meer was, viel Rogier in een enorm gat. Voor wie deed hij het nu nog?
Dat je bemind kan worden ook zonder iets te presteren, is voor Rogier onbegrijpelijk. Ik had hem toen moeten laten zien wat een prachtig mens hij zelf is, ongeacht wat hij doet. Dat ik van hem hou, al doet hij niets. Maar ik pakte het verkeerd aan, omdat ik nog volop zat in mijn vader-dochterconflict met hem.’
JUSTINE: 'Als ik een portret van Rogier zou schilderen, zou ik dat doen als hij zich ontspant, als hij even aan niks denkt, helemaal niets doet. Dan zie je opeens een andere tekening in zijn gezicht, zijn zeldzame kant, omdat hij zich de rest van de tijd als een jonge hond gedraagt. Het is een wijs gezicht, een gezicht met een geschiedenis. Rogier is nu zelf ook gaan schilderen. Hij heeft het talent vast van zijn moeder geërfd, hij kan het hartstikke goed.’
ELENA: 'Toevallig, ik schilder tegenwoordig ook. Maar ja, wel bij gebrek aan het echte leven. Dan moet je het maar in jezelf zien te vinden.’