Ik kocht een boekje, Hoe wij kijken, zoals ik ook wel eens hoop dat ik iemand tegenkom die het me vertelt. Hoe wij zijn, hoe wij leven. Ik leef al best lang, en toch blijf ik het me kennelijk afvragen. Of ik denk stiekem dat ergens die schat ligt, die allesverklarende regel. Zou ik rijp zijn voor het taoïsme? Of moet ik gewoon eindelijk de stap wagen, en aankloppen bij die yogatent hier om de hoek? Hij maakt zo’n gorige indruk, met half afgeplakte ramen. En hij zit boven een soort uitdragerij, waar ze zulke lelijke kroonluchters verkopen dat ik er bijna de schoonheid van ga zien.

Hoe wij kijken.

Toen ik het boekje thuis uitpakte, zag ik pas dat het een ondertitel had: Met gelovige ogen. Zo kan ik het ook, dacht ik. Ik wil geen geloof, ik wil hoe het is.

Je bent zo streng, zei iemand deze week tegen me. We aten een Parijs ontbijtje in een Amsterdams café, en we záten ook in Parijs. Moi? dacht ik. Ik denk dat ik naar mijn hart greep, ik voelde het kloppen. Ik had mijn zachtste, grootste kleren aangetrokken. Ik had die nacht mijn vader gezien, hij was bezig mijn kamer opnieuw te schilderen. Het liefst zou ik hier eindeloos bij stil blijven staan, ik kijk vanuit de donkere nacht op naar mijn kamer, het licht brandt, ik zie mijn vader met grote streken de muren schilderen. Maar dan zit ik hier morgen nog, met m’n croissantje.

Ik had mijn zachtste, grootste kleren aangetrokken. Ik had die nacht mijn vader gezien

Wat misschien zou helpen: kijken naar anderen en weten dat zij die nacht ook zo hebben opgekeken naar hun verlichte ruiten.

In zijn inleiding bij de verhalen van John Cheever schrijft Julian Barnes over het leven van Cheever. Hij begint met ‘de ene versie’, wanneer hij geboren is en waar en zo, welke prijzen hij kreeg, en schrijft op de volgende bladzijde opeens ‘of de andere’, om opnieuw van wal te steken, wie Cheever was, wat hij wilde en waarvoor hij bang was.

Ik dacht eerst: o ja, de andere versie. Dat is waarnaar ik op zoek ben, en de reden waarom ik het liefst romans lees. Of laat ik het fictie noemen. Dat klinkt minder alsof ik eigenlijk madame Bovary ben, die zichzelf haar leven uit droomt met behulp van de romannetjes die ze leest. Maar even later wist ik weer dat het juist die gelijktijdigheid is, van het een en het ander. Zonder fictie zou de aarde toch plat blijken te zijn. Over Louise schrijft Cheever in O jeugd en schoonheid! dat ze er op zaterdagavond heel aardig uitziet, maar dat haar bestaan veeleisend en eentonig is. ‘In de zakken van haar mantelpakken, jassen en jurken zaten propjes en stukjes papier waarop geschreven stond: “Margarine, diepvriesspinazie, Kleenex, hondenbrokken, gehakt, peper, reuzel…”

Het is geschreven door Mary Beard, Hoe wij kijken. Dat scheelt. Zij is ervan overtuigd, schrijft ze in het eerste hoofdstuk, dat wat we zien even belangrijk is voor ons begrip van beschaving als wat we lezen of horen. Ik probeer mijn medemens in de rij voor de kassa, op het pontje, ’s ochtends vroeg in het Amsterdamse café, wel eens te zien als representanten van de beschaving waarvan ik ook deel uitmaak. Is dat streng?

In de versie van het geleefde leven staat mijn vader achter dat verlichte raam van mijn kamer niet te schilderen, maar op de uitkijk. Ik denk dat ik had bepleit dat ik om één uur ’s nachts thuis mocht komen, maar om drie uur was ik er nog niet. Hij was niet streng, dat was ’t hem juist. Het is liefheid die je nooit meer echt te boven komt. Misschien moest ik een paar avonden binnenblijven, ik weet het niet meer. Dat was wel wat trouwens, want ik zat iedere avond in de bibliotheek, te lachen met Gert-Jan. Ik denk dat mijn vader me vannacht iets wilde zeggen, zo duidelijk stond hij daar, ik heb moeite het beeld van hem weer los te laten. Ik denk dat hij me iets wilde zeggen, dat zou mij goed uitkomen.