Van Congo naar de Kaap

‘Ga naar die kapperszaak. Daar vind je je brothers’

Voor gevluchte Congolezen was het leven in Zuid-Afrika niet slecht – totdat de xenofobie de kop opstak. ‘Ze vermoorden en verbranden mensen. Maar ik ben niet bang. Fuck nee.’

Medium fred de vries1

November 1996 – De Grote Afrikaanse Oorlog staat op het punt los te barsten. Zaïrese rebellen hebben onlangs het plaatsje Goma op de grens met Rwanda ingenomen. Niemand mag erin of eruit. Zo’n vijftien kilometer verderop is het Mugunga-vluchtelingenkamp waar tienduizenden Hutu-vluchtelingen als menselijk schild worden gebruikt door gevluchte Rwandese milities. Dag en nacht klinkt het zware, droge doef-doef-doef van mortiervuur.

Aan de Rwandese kant van de grens staan tientallen buitenlandse journalisten. In de brandende zon wachten we op het moment dat we Goma in mogen. De rebellen houden de boel evenwel potdicht. Totdat er vroeg in de middag van 9 november plotseling half blote jonge mannen verschijnen, gekleed in beestenvellen, bewapend met pijl en boog. Hun lijven glimmen van de olie, die hen tegen vijandelijke kogels moest beschermen. Triomfantelijk poseren ze voor de camera’s. Dit, horen we, zijn leden van de Mai-Mai, lokale milities die zich ook in het conflict hebben gemengd.

Yves grinnikt. Ja, het is mogelijk dat hij een van die jonge mannen was die ik daar bij die bloedhete grenspost zag, negentien jaar geleden. Op een regenachtige vrijdagmiddag zit hij nu op een stoel in kapperszaak Fafy op Voortrekker Road in Kaapstad. Een dvd met de sprankelende muziek van de Congolese band Werrason geeft wat kleur in aan deze grauwe dag. Een Angolees en een Kameroenees wachten op hun beurt om voor twee euro een nieuwe look te krijgen. We zijn 3749 kilometer van Goma en Yves is inmiddels 44 en gaat niet langer gehuld in dierenvellen, maar draagt nu een kek rood sportjack.

Yves werd in Goma geboren en lieerde zich in 1996 aan de Mai-Mai. Zijn studie economie aan de universiteit van Lubumbashi brak hij af. ‘Het Zaïrese leger was op de vlucht geslagen en de mannen sloten zich aan bij de milities om hun dorpen en steden te verdedigen’, vertelt hij. Hij was fel gekant tegen de Rwandese inmenging in Zaïre, die in 1994 was begonnen na de genocide onder de Tutsi’s en gematigde Hutu’s. Na de machtsovername een paar maanden later door het Rwandese rebellenleger van Paul Kagame vluchtten een geschatte twee miljoen Hutu’s, Hutu-milities en soldaten de grens over, bang voor wraak. Vanuit Zaïre begonnen ze een offensief tegen de nieuwe Rwandese machthebbers.

De strijd bij Goma in 1996 was een voorbode van wat er nog zou komen. Het jaar erna werd de Zaïrese dictator Mobutu Sese Seko verdreven door de troepen van de aanvankelijk door Rwanda gesteunde rebellenleider Laurent Kabila. De naam van Zaïre werd veranderd in Democratische Republiek Congo (drc). Maar daarmee was het conflict allesbehalve ten einde. Kabila keerde zich tegen zijn Rwandese bondgenoten en in 1998 barstte de strijd weer in alle hevigheid los. In totaal raakten negen Afrikaanse landen en zo’n twintig gewapende groepen betrokken bij de Grote Afrikaanse Oorlog. Volgens voorzichtige schattingen kwamen er door geweld, ziekte en honger ongeveer drie miljoen mensen om het leven. Honderdduizenden sloegen op de vlucht, van wie er tienduizenden uiteindelijk in Zuid-Afrika terechtkwamen. Yves had het na twee jaar wel gezien met de Mai-Mai. Hij werd gezocht omdat hij als ‘organisator’ te boek stond en was zijn leven niet zeker. Zijn daaropvolgende reis naar het zuidelijke puntje van Zuid-Afrika leest als een Afrikaanse On the Road, net als Kerouacs klassieker ongericht en vol bizarre voor- en tegenspoed, vindingrijkheid en doorzettingsvermogen, langs plekken die je niet in toeristenbrochures zult aantreffen. In tegenstelling tot Kerouac was Yves niet op zoek naar zichzelf, maar ontvluchtte hij een land dat ten prooi was gevallen aan een onverkwikkelijke oorlog, economische ineenstorting en een sociale implosie.

Eerst vluchtte hij naar Bukavu, aan het Kivumeer. Van daaruit ging hij naar Uvira aan het Tanganyikameer. Vervolgens trok hij verder zuidwaarts, tot hij in Lubomu arriveerde – nog altijd in Congo. Daar nam hij een boot naar Tanzania, waar hij terechtkwam in het gigantische vluchtelingenkamp Nyarugusu, dat de Verenigde Naties in 1996 hadden opgezet. Hij bleef daar een jaar, maar zag weinig toekomstperspectieven tussen die massa’s lotgenoten. Met vijf anderen pakte hij op een nacht zijn boeltje. De eerste dertig kilometer legden ze te voet af. Daarna namen ze een bus naar het Tanzaniaanse havenstadje Kigoma aan het Tanganyikameer. Ze hadden wat geld verdiend door de spullen die de VN uitdeelden – eten, zeildoek, olie – te verkopen aan de lokale bevolking. ‘Ik had 65 dollar.’

Bij Kigoma staken ze per boot over naar Zambia. Om de douane te vermijden gingen ze eerst in een klein bootje achter de reguliere veerboot aan, om later, na de controles, aan boord te klimmen en zich onder banken, achter passagiersbenen te verbergen. Ze verlieten de boot bij de voorlaatste halte in Zambia, waar ze ’s nachts, wederom om de douane te slim af te zijn, in een kleiner bootje stapten dat hen naar het plaatsje Mpulungu vervoerde. Daar werkte Yves een maand voor lokale vissers, waar hij 75 dollar aan overhield. Dat geld overhandigde hij aan een vrachtwagenchauffeur, die hem naar de Zimbabwaanse hoofdstad Harare bracht, waar hij in februari 1999 bij het vooral door Somaliërs en Ethiopiërs bevolkte Waterfalls-vluchtelingencentrum aanklopte. ‘Maar toen brachten ze ons tegen onze wil naar Tongogara, zo’n vierhonderd kilometer verderop.’

Tot dat moment had Yves zonder plan gereisd. Zo ver mogelijk weg van Congo, luidde het devies. In Zimbabwe hoorde hij verhalen over Zuid-Afrika, dat daar werk was. Omdat zijn geld op was begon hij een minuscuul kapperswinkeltje in het kamp: een stoel, een spiegel, een laken en een scheermes, die hij had aangeschaft van zijn maandelijkse VN-uitkerinkje. Toen hij meende genoeg gespaard te hebben keerde terug naar Harare, waar hij een vrachtwagenchauffeur bereid vond om hem en een eveneens paspoortloze lotgenoot voor 120 dollar naar Johannesburg te brengen. Een eindje voor de grens moesten ze uitstappen, om te voet via de bush en de Limpopo-rivier in Zuid-Afrika te geraken. Daar, aan de andere kant van de grens, had de chauffeur beloofd, zouden mensen klaarstaan voor het volgende traject. Er stonden inderdaad mensen klaar – om hen te beroven. ‘Alles werd ons afgenomen, inclusief de 85 dollar die ik had gespaard. Dus daar zaten we, in de bush, zonder geld of paspoort, op een koude ochtend in juni.’

Berooid sjokten ze voort. In de verte hoorden ze geluiden. Ze stuitten op een Zuid-Afrikaanse legerpost. ‘We werden twee dagen gevangen gezet, maar ze behandelden ons goed. We zaten niet in een cel en kregen eten.’ Daarna werden ze naar het politiebureau van het grensstadje Musina gebracht, waar ze tien dagen vastzaten. De politie laadde hen vervolgens in een bus en bracht ze naar een immigratiekantoor in Louis Trichardt, waar ze tussen de Pakistanen en Burundezen wachtten. Ze kregen twee dagen om het land te verlaten.

Maar Congo was geen optie, dus trokken ze verder zuidwaarts. Een vrachtwagen gaf ze een lift naar het stadje Polokwane, van waaruit ze de trein naar Pretoria konden nemen. Net als in de boot verscholen ze zich onder de banken. Ditmaal werden ze gesnapt en de trein uit gebonjourd. Daar, op het highveld tussen Polokwane en Pretoria bleven ze twee dagen, bedelend. Uiteindelijk konden ze verder. ‘Een kaartje kostte zes rand, en we hadden vijftien rand.’

In de binnenstad van Johannesburg keken ze beduusd om zich heen: wolkenkrabbers en grootstedelijke chaos. Ze klampten willekeurige voorbijgangers aan. Die wezen naar een kapperszaak. ‘Daar vind je je brothers.’ De salon werd gerund door Burundezen, vluchtelingen die net als Yves Swahili spraken. ‘Die gaven ons cola, brood en een telefoon om een vriend van mijn kameraad te bellen.’ Ze namen een taxi. ‘Naar Baker Street nummer 62, flat 4 in Yeoville’, herinnert Yves zich nog exact. Het was 7 juli 1999, hij was een jaar onderweg. ‘Vanaf dat moment begon mijn leven weer.’

Medium fred de vries2
‘Alles werd ons afgenomen. Dus daar zaten we, in de bush, zonder geld of paspoort, op een koude ochtend in juni’

Het verhaal van Yves is niet uitzonderlijk. Zuid-Afrika telt volgens de VN-Vluchtelingenorganisatie unhcr ruim 23.000 geregistreerde Congolese vluchtelingen. Daarnaast zijn er vele duizenden illegalen. De meesten zijn net als Yves over land gekomen. Franstalig Europa had de voorkeur, maar de weg naar het Westen is te lang, te kostbaar en te onzeker. Daarom opteerden ze voor het meest westerse land van het continent, Zuid-Afrika, ook al spraken ze alleen maar Frans, Swahili en Lingala. Het leven in Zuid-Afrika was aanvankelijk niet slecht – totdat de xenofobie de kop opstak, die in 2008 en 2015 ontaardde in klopjachten op buitenlanders, compleet met moorden en verdrijvingen. Vooral Somaliërs moesten het ontgelden, maar de Congolezen bleven evenmin buiten schot.

Manda Marcel werd in april met een baksteen op zijn hoofd geslagen toen een groep zwarte Zuid-Afrikanen het huis van een vriend binnenviel waar hij op bezoek was. Hij bleef een dag in het ziekenhuis. Xenofobie? ‘Het ging om de vriendin van mijn vriend’, zegt hij. ‘Ze vermoorden en verbranden mensen. Ze beweren dat wij hun vrouwen en banen afnemen…’ Is hij bang? ‘Fuck nee.’

De veertigjarige Manda is sinds 2002 in Zuid-Afrika. Hij komt uit Congo’s tweede stad, Lubumbashi, waar hij zich als twintigjarige aansloot bij het regeringsleger. ‘We dachten dat Kaibila goed was’, zegt Manda. ‘Maar hij betaalde ons niet. Dus namen we met geweld geld en eten af van de dorpelingen.’ Manda moest vechten, doden en zag hoe zijn kameraden sneuvelden. Hij deserteerde en belandde na een uitputtende reis via Zambia, Mozambique en Durban in Kaapstad. Zoals bijna alle Congolese mannen vond hij emplooi als informele autowacht. Met een felgekleurd hesje stond hij op het parkeerterrein van een winkelcentrum, wachtend op de paar kwartjes die de autobezitters uit hun broekzak visten als ze hem zagen komen aansnellen.

Zuid-Afrikanen zien autowacht als de ultieme loser-_baan, iets voor dronkaards of _white trash. Maar de Congolese autowachten zijn bijna zonder uitzondering goed opgeleid. Je treft onderwijzers, fysiotherapeuten en werktuigkundigen, allemaal bereid om urenlang in de hitte en kou te staan in ruil voor een eerste houvast in dit vreemde land. ‘Akelig werk? Ach, ik moest het wel leuk vinden’, zegt Manda, want net als die anderen sprak hij geen woord Engels en beschikte hij niet over papieren. Maar als ex-militair was hij niet bang, en hij was bereid hard en lang te werken. Hij leerde Engels op straat en kreeg een vluchtelingenstatus. Daarna kon hij bij een particulier beveiligingsbedrijf aan de slag, en sinds twee jaar doet hij klussen voor een filmbedrijf.

Manda woont in Oude Molen, bij Maitland, iets ten oosten van het centrum van Kaapstad. Oude Molen maakte ooit deel uit van de psychiatrische inrichting Valkenberg, maar sinds 1997 wordt het complex bewoond door een samenraapsel van hippies, kunstenaars, drop-outs en buitenlanders, onder wie tientallen Congolezen. Er is onder meer een eco-boerderij, een restaurantje met kratten als stoelen, een door Congolezen gerunde snackbar, een door een Congolees gerund internetcafé en een verzameling woonhuizen (voormalige patiëntenverblijven en kantoren) die in verschillende stadia van verval verkeren. Het doet denken aan een ouderwets, teloorgegaan kraakcomplex.

Isaac Kashama (45) woont ook in Oude Molen, naast een binnenplaats vol autowrakken waar stevig aan gesleuteld wordt. Terwijl we op hem wachten komt een jonge zwarte man op blote voeten en met zijn broek half op zijn kont naar buiten lopen. Het is Isaacs zoon. Hij vertelt een onduidelijk verhaal over zijn baby die iemand uit haar handen heeft laten vallen en die daarna is overleden. Hij gaat niet naar de begrafenis, tiert hij en loopt verdwaasd weg. De goedkope harddrug tik (chrystal meth) heeft via de arme blanken en kleurlingen uit de belendende buurten ook Oude Molen verziekt.

Isaac heeft zich inmiddels gehuld in een zwarte leren broek, zwarte laarzen, een zwart jasje en een zwarte cowboyhoed. Hij is een zelfbenoemde sapeur, afgeleid van Société des Ambianceurs et des Personnes Elégantes, een subcultuur van Congolese dandy’s, die in Kinshasa, Brazzaville, Parijs en Brussel goed gedijt: stijl en klasse als tegengif voor armoede en uitzichtloosheid. Isaac verliet Zaïre 25 jaar geleden toen er tribale conflicten uitbraken in zijn Kasaï-regio. Via Angola, Zambia en Malawi en een blanke Zuid-Afrikaanse vrouw spoelde hij achttien jaar geleden aan in Kaapstad. Al in Congo was hij een dandy, vertelt hij. Jarenlang was hij zanger en danser in Viva la Musica, een beroemd rumba-orkest dat in 1977 was opgericht door de ultieme sapeur Papa Wemba.

Afgezien van een stapel hoeden en een rij ongestreken overhemden herinnert weinig in Isaacs raamloze, met tweedehands meubels volgestouwde onderkomen nog aan dat stijlvolle verleden. Hij ziet er slecht uit. Hij werkt niet meer. Hoe hij aan zijn geld komt blijft vaag. Bij zijn huis hangen jonge kleurlingenmeisjes rond. Isaac vertelt dat hij drie weken geleden in elkaar is geslagen in de naburige wijk. Hij kende zijn belagers. ‘Jaloezie’, wil hij alleen kwijt en laat een litteken op zijn hoofd zien. ‘Zuid-Afrika was goed voor ons, maar niet meer.’ Toen hij in het ziekenhuis lag werd er ook bij hem ingebroken. Dandy heeft hij verruild voor God, zegt hij vroom. Op Voortrekker Road met zijn duistere Congolese VIP Club en de Burundese Tiffany Club komt hij niet meer.

Die tientallen kilometers lange Voortrekker Road doorklieft een half dozijn wijken met lage huizen die oorspronkelijk bewoond werden door blanke arbeiders. Maar die hebben de afgelopen vijftien jaar plaatsgemaakt voor kleurlingen, Pakistanen, Bangladeshi en Afrikanen. Het barst er van de halal-snackbars, kappers, Chinese troepwinkels, lommerds en drankzaken. Het straatbeeld wordt bepaald door jonge mannen met baseballpetjes, sportschoenen en Faux Kong-kleding, het universele sloeberkostuum. Een lichtpuntje is AAAP Fashion, een kleine ruimte met prachtig gekleurde doeken aan de muur. Zittend achter hun naaimachines toveren drie Congolese dames die lappen om tot strakke, sexy jurken. De tent wordt gerund door een veertigjarige vrouw die zich voorstelt als Clemence Basimage en die tien jaar geleden in Kaapstad aankwam met vier kinderen die toen vijf, acht, tien en twaalf waren.

Ze gaat zitten en doet haar verhaal, een uur lang, non-stop, vaak met tranen. Op een dag in 2004 drongen Congolese soldaten haar huis in Bukavu binnen. Ze waren op Rwandezen-jacht. Ze troffen het, want Clemence’s moeder was Rwandees. Die schoten ze meteen voor haar ogen dood. Haar man probeerde zich te verstoppen, maar werd in zijn been geschoten en overleed later in het ziekenhuis. Clemence en haar kinderen ontsnapten. Via Burundi en Tanzania vluchtten ze naar Zambia. De volgende bestemming was Zuid-Afrika. ‘Ik hoorde dat daar rust en vrede was.’

Een truck bracht het vijftal – verstopt in de laadruimte – naar het stadje Upington in de Noordkaap. Daar moesten ze het zelf maar uitzoeken. Ze kenden niemand, spraken geen woord Engels. Bij het busstation stapten ze op de eerste de beste bus. Die ging naar Kaapstad. Clemence vond het best, zolang ze maar weg was van die nachtmerrie van de Hutu’s, Tutsi’s en Kabila’s. In Kaapstad bivakkeerde ze met haar kinderen op straat tussen andere vluchtelingen voor de deur van het unhcr-kantoor. Uiteindelijk kregen ze hun vluchtelingenstatus. Meer konden de VN niet voor hen doen. Straatportieken bleven de bedstee.

Uiteindelijk ontmoette Clemence een zwarte Zuid-Afrikaanse vrouw die zich haar lot aantrok en het kleumende vijftal een kamer aanbood bij Voortrekker Road. Toen ze hoorde dat Clemence naaister was hielp de vrouw haar ook aan een baantje in een textielfabriek. Maar Clemence trok het niet. ‘Elke dag huilde ik.’ Ze belandde in een diepe depressie, kon zich niet meer concentreren en verloor haar baan. Op een dag, ze stond op het perron om de trein te nemen om werk te zoeken, stortte ze in. ‘Ik bleef de hele dag op het perron staan. Ik kon niet meer nadenken. Ik kon me niets meer herinneren. Mijn hoofd werkte niet meer.’

‘Ik bleef de hele dag op het perron staan. Ik kon me niets meer herinneren. Mijn hoofd werkte niet meer’

Een vrouw die haar ’s ochtends had zien staan, kwam haar laat in de middag weer tegen. Ze hoorde Clemence prevelen in Swahili, de taal die zij als Burundese ook sprak. Ze nam haar mee naar de jonge psycholoog Morgan Mitchell, die Clemence twee jaar lang intensief begeleidde en haar afgezien van medicijnen en therapiesessies ook eten en geld gaf, onder meer voor een naaimachine. Een jaar geleden opende ze haar eigen winkeltje op Voortrekker Road. ‘Morgan deed ook de aanbetaling’, zegt Clemence.

Medium fred de vries3

Desgevraagd bevestigt Mitchell het verhaal. ‘Het relaas van Clemence is niet ongebruikelijk. Het begint met het trauma dat ze thuis meemaken. Die herinneringen komen met vlagen terug, vooral in een klimaat van misdaad en geweld. Veel vluchtelingen zijn in Congo verkracht, en in 2008 vonden hier ook veel verkrachtingen plaats’, vertelt Mitchell, die sinds de xenofobische aanvallen van 2008 intensief met getraumatiseerde vluchtelingen werkt.

Het is al weer een tijdje geleden dat ze haar voor het laatst zag, maar ze meent zich te herinneren dat Clemence in Kaapstad met haar Congolese belagers werd geconfronteerd, die ook als vluchteling naar Zuid-Afrika waren gekomen. Dat zorgde voor de totale ineenstorting. ‘Therapie is niet meer dan een pleister op een hevig bloedende wond’, zegt Mitchell op zachte, bezorgde toon.

In haar winkeltje vermijdt Clemence dat onderwerp. Wel vertelt ze dat er diverse keren bij haar is ingebroken. Twee keer werd ze bovendien op klaarlichte dag op Voortrekker Road beroofd. Maar het ergste was de verkrachting van haar jongste zoon, door haar buurman, lid van een bende. ‘Hij werd aangevallen op weg van school naar huis’, zegt Clemence. Ze wilde een aanklacht indienen, maar zag daar na ernstige dreigementen van af. Ze is bang in Kaapstad. Bang voor de gangs, bang voor de inbrekers, bang voor de andere Congolezen. ‘Ik heb geen vrienden hier.’ Wat haar op de been houdt is God. Iedere zondag bezoekt ze trouw de Evangelical Mission Outreach, kilometers verderop in Parow, nog steeds aan die eindeloze Voortrekker Road.

Parow is wat Amerikanen een shithole zouden noemen, bolwerk van dronkaards en daklozen. Maar bij de Evangelical Mission Outreach is alles prima geregeld. Op zondagochtend zeven uur lopen er bij de smerige parkeerplaats aan de achterkant beleefde, door de kerk betaalde Congolese autowachten rond. Op Voortrekker Road zelf staat een bewaker bij de glazen deur van een bakstenen gebouw, waar de dienst op de eerste etage zal plaatsvinden. Eenmaal boven stuit je op een aantal potige suppoosten die voorkomen dat zich ongewenste elementen aandienen (de tweede verdieping, horen we later, is een drugshol).

Met zo’n vijfhonderd bezoekers is de zaal stampvol. Een twaalfkoppig orkest met subtiel deinende zangeressen in Afrikaanse gewaden speelt dampende Congolese gospels ter verwelkoming. De dienst, geheel Engelstalig, duurt vijf uur en wordt verzorgd door twee predikanten, een Zuid-Afrikaan en een Congolees. Het gehoor is pan-Afrikaans: Angolezen, Kameroenezen, Malawi’s, Nigerianen en Congolezen. Maar er zijn ook veel zwarte en gekleurde Zuid-Afrikanen. God verbroedert. Hoogtepunt is het ‘optreden’ van de tweede predikant, de in een perfect gesneden kostuum gestoken, charismatische Stephan Kiasso, die alle aanwezigen persoonlijk helpt bij de duiveluitdrijving. Mensen vallen bij bosjes, liggen sidderend op de grond, praten in tongen, huilen, schreeuwen en stampvoeten. Ze wankelen als dronkenmannen in het rond en worden, indien nodig, opgevangen door de suppoosten. Kiassa beweegt zich met gebogen rug zijdelings als een krab door de zaal. Bezeten. Schreeuwend tegen de duivel. Onderwijl speelt de band door, swingend alsof hij in een zweterige club vol sapeurs in Kinshasa staat. Iedereen verkeert in een trance, die pas verbroken wordt als Kiasso het sein daartoe geeft.

Een week later ontmoeten we hem in zijn kantoor. Kiasso gaat vandaag gekleed in een getailleerd donkerblauw overhemd over een zwart T-shirt. Hij is 45 en komt uit Lubumbashi, vertelt hij in vlekkeloos Engels dat hij dankt aan de jaren die hij als werktuigkundige voor de VN in Nairobi werkte. Die VN-connectie kwam hem duur te staan. Terug in Congo dachten ze dat hij een spion was. Hij moest vluchten en doorstond net als al die anderen een reeks beproevingen, variërend van roofdieren bij de grens tot een beroving meteen de eerste dag in Johannesburg.

Net als de anderen sliep hij op straat. En ook hij begon als bewaker, in zijn geval bij de lutherse kerk in Kaapstad, waar een pastoor zich over hem had ontfermd. Daarna werd hij bewaker voor een hotel, waar hij promotie maakte tot barman en receptionist. ‘Een hand aan de tap en de andere op de bijbel.’ Maar zijn roeping was God. En toen de lutherianen hem (na een droom, beweert hij) vroegen om een kerk voor Franstalige Afrikanen te openen was de keuze snel gemaakt.

Die kerk groeide van vier aanwezigen in 2006 uit tot wat het nu is: tweeduizend leden en wekelijks vier volgepakte diensten. Kiasso’s grote voorbeeld is de superrijke Nigeriaanse evangelist T.B. Joshua, die een eigen televisiezender heeft en wekelijks duizenden bezoekers uit de hele wereld ontvangt in zijn hoofdkwartier in Lagos. Ook Kiasso is er diverse keren langs geweest. Hij laat een door Joshua gesigneerde bijbel zien. De laatste keer zeeg hij voor de voeten van ‘de profeet’ ineen, zoals zijn eigen volgelingen voor zijn voeten neervallen. ‘Ik kwam terug en realiseerde me dat ik over bovennatuurlijke krachten beschik. Ik kan zien wat er aan mensen mankeert.’

Kiasso wil zijn achterban weer hoop geven. ‘We moeten leren vertrouwen op God, want mensen zullen je bedriegen’, zegt hij. Hij raadt zijn volgelingen aan om tussen de kleurlingen te gaan wonen en niet in de zwarte townships. ‘Ik wil dat mijn mensen een fatsoenlijk leven kunnen leiden.’ Zijn kerk helpt de behoeftigen, vooral weduwen en hun kinderen. Hij verfoeit het fatalisme dat hij onder veel buitenlanders aantreft, hamert erop dat ze hun papieren in orde moeten maken. Ook probeert hij de Congolezen ervan te doordringen dat ze hun tribale en politieke vooroordelen opzij moeten zetten. De mensen klampen zich aan hem vast, liggen ’s nachts bij hem voor de deur. Hij vermijdt persoonlijke afspraken. ‘Ik ben God niet, of Jezus. Ik wil geen icoon zijn. Ik heb ook tijd nodig voor mijn gezin en voor gebed en meditatie.’

In de kerkzaal lopen twee zonen van Clemence, onder wie de verkrachte jongen. Ze verdienen wat door te helpen met de organisatie en het schoonhouden. De kerk is hun thuis. Kiasso behandelt hen en hun moeder met respect en liefde. In de woorden van therapeute Mitchell: ‘Het gaat erom hen ervan te doordringen dat ze in de eerste plaats mens zijn.’


Beeld: (1) Isaac Kashama (45) woont in de Oude Molen, een complex in Kaapstad dat bewoond wordt door een samenraapsel van bewoners waaronder tientallen Congolezen; (2) Yves, 44 jaar uit Goma, runt nu een kapperszaak in Kaapstad; (3) Clemence Basimage (40) kwam tien jaar
geleden naar Kaapstad met haar vier kinderen en runt nu AAAP Fashion