‘ga u wassen’

Opeens schoot de roem van Meisje Niemand als een komeet omhoog. De bejaarde Poolse filmregisseur Andrzej Wadja las het debuut van zijn landgenoot Tomek Tryzna en besloot nog één keer een film te maken. Hij gaf het boek aan Nobelprijswinnaar Czeslaw Milosz en die schreef er een juichend artikel over: ‘de eerste echte postmodernistische Poolse roman’. Omdat het boek niet zomaar beschrijft hoe een opstandig pubermeisje haar onschuld verliest, maar ook ‘een flinke dosis historisch-maatschappelijke bezorgdheid’ bevat, bestempelde Milosz Tryzna niet alleen als een goed schrijver. Tryzna was een goed mens.

Meisje Niemand leest in de eerste plaats als een coming on age novel over de vijftienjarige Marysia. Zij is aan het woord, haar geschiedenis wordt verteld in haar hartveroverende puberwoorden. Maar het boek leest tegelijk als sprookje, moraliteit en allegorie. Marysia verhuist met haar ouders van het platteland naar de stad en raakt op haar nieuwe middelbare school met twee klasgenootjes bevriend.
Het gaat daarbij om meer dan bakvisvriendschappen: de twee vriendinnen verbeelden morele keuzen. De ene vriendin is in zigeunerkleren gehuld en componiste van moderne muziek. Ze is onaangepast, levenswijs en geniaal. Ze staat voor geestelijke vrijheid. De andere vriendin is mooi, modieus, egoïstisch en heeft een beursje vol dollars. Ze staat voor materialisme. Vrijheid versus materialisme, precies het dilemma waar het moderne Polen mee worstelt. En een eenvoudig antwoord bestaat er niet op.
Net als Meisje Niemand is Siloam, de novelle die Tryzna schreef met zijn vriend Ryszard Janikowski, van moralisme doordrenkt. Siloam verwijst naar een passage in de bijbel, waarin Jezus de ogen van een blinde man met een papje van aarde en speeksel bestrijkt en zegt: ‘Ga u wassen in het waterbekken van Siloam.’ Net als in Meisje Niemand wordt het verhaal van Siloam onderbroken door religieuze voorstellingen, sprookjesachtige verhalen, nachtmerrieachtige uitweidingen en absurde fata morgana’s. Maar waar in Meisje Niemand de allegorie er soms wat erg dik bovenop ligt, is er in Siloam vaak geen touw aan het moralisme vast te knopen. Als postmodern een synoniem is van onbegrijpelijk, dan is Siloam hartstikke postmodern.
Een 'kinomysterie’ noemen Tryzna en Janikowski hun novelle. Veel erin doet inderdaad aan het scenario van een Amerikaanse B-film denken. Alleen al het filmische begin: brandende zon, dwarrelend stof en een verlaten asfaltweg waarlangs twee mannen, een stevige en een magere, staan te wachten. De mannen, Engel en Virus, zijn ontslagen bajesklanten. De een smacht naar wraak, de ander naar 'een lekker wijf’: 'Geachte landgenoten van het vrouwelijk geslacht, hou ze gereed en maak ze klaar, jullie spleet en kittelaar. Hier ben ik en heb al veel te lang gewacht.’
De verwikkelingen zijn even goedkoop filmisch. De mannen bemachtigen een glanzende bolide, kidnappen een meisje dat een prinses én een maagd blijkt te zijn, en belanden na een doldwaze autorit in een bouwval waar de ene zich op zijn verraadster wil wreken. Zoals het een scenario voor een B-film betaamt, staat de novelle bol van seks en geweld. Het enige dat niet B-film-achtig is, is de ritmische, orgastische taal van de novelle. En de epiloog, waarin de twee bajesklanten letterlijk in een film optreden, als Jezus en de blinde die naar Siloam wordt gestuurd. Maar de bedoeling blijft duister.