Gaaf muziekje

Joke van Leeuwen, De tjilpmachine, Querido, 87 blz., 38,95 (De Slegte)
Eigenlijk is De tjilpmachine van Joke van Leeuwen een treurig boekje. Zoë, de hoofdpersoon, is opgehouden met studeren ‘om te beginnen aan een leven bij de dag’. Ze zoekt werk, is even ‘seelsussistent’ of enquêtrice, maar met die baantjes gaat het door haar onhandigheid steevast mis. Dus ligt ze op bed en leest de krant van één dag oud en is ‘volledig op de hoogte van alles wat er volgens de krant gebeurde in de wereld van de mensen die niet op hun bed lagen te lezen over de wereld van de mensen die enzovoort’.

Zijdelings leer je, via een verhaal dat Zoë voorleest aan een bejaarde dame, dat ze een ingewikkelde jeugd achter de rug heeft als adoptiekind. Maar het voornaamste is dat Zoë volstrekt in zichzelf is gekeerd en de wereld geen aanknopingspunten voor haar heeft. Ze loopt door de straten van haar stad alsof ze een excursie maakt op Mars.
Joke van Leeuwen is vooral bekend als schrijfster en illustratrice van een tiental, dikwijls bekroonde, kinderboeken. Ze worden bevolkt door onaangepaste kinderen, die behalve eigenzinnig ook vrolijk en fantasievol zijn. ‘Probleemboeken’ zijn Van Leeuwen een gruwel. De novelle voor 'volwassenen’ De tjilpmachine is ook allerminst een zwaar boek over wat je depressie zou kunnen noemen. Want omdat Zoë de wereld als onbekend en onvertrouwd ondergaat, doet ze net als Van Leeuwens kinderen heel verrassende observaties. Zoals over een man op het vliegveld die een grote klodder mosterd op zijn jasje morst: 'Nu moest die vlek helemaal mee naar Tokio.’ Of over een ziek, kaal jongetje: 'Wat zullen zijn gedachten het koud hebben.’
En Zoë heeft het talent om even aangenaam gestoorde mensen te ontmoeten als zijzelf. Als enquêtrice stuitte ze zo op Tor, een jongeman die met onbegrijpelijke apparatuur - door Zoë tot 'kreetjesklavier’ gedoopt - onopgemerkt geluiden wil vangen.
Met hem praat ze over hoe ze vroeger stommetje speelde als het mistte, omdat ze dacht dat de wolken de mist dichter maakten en hoe ze zich voorstelde dat geluiden bij helder weer niet wegstierven 'naar een verre onbereikbare schroothoop (…) van gebruikt, vervormd, gebutst geluid, van gefluister en gegil, met hier en daar een gaaf muziekje ertussen’.
Door zulke observaties vergeet je haast dat Zoë ongelukkig is. Maar Joke van Leeuwen schrijft niet voor niets over reizigers op het vliegtuig: 'Zij die het gelukkigst leken (zeiden) de onzinnigste dingen.’