Heleen van Royen, De ontsnapping

Gaan voor de piek

Heleen van Royen

De ontsnapping

Pimento, 295 blz., € 19,90

In anderhalve week tijd zijn er al meer dan honderdduizend exemplaren van verkocht. Haar beeltenis loert je alom tegemoet, vanaf abri, schutting en billboard, en als je de boekhandel of kiosk in loopt struikel je over de stapels. Niemand kan het zijn ontgaan: «de nieuwe Van Royen» is uit. De ontsnapping is de derde roman van Heleen van Royen. Haar eerdere werk, met name haar debuutroman De gelukkige huisvrouw (2000), baarde veel opzien, ook in het buitenland. Met deze op autobiografische leest geschoeide roman over een vrouw met een postnatale depressie en ander onverwerkt leed groeide zij uit tot een desperate housewife avant la lettre. Die status versterkte ze met haar volgende roman, Godin van de jacht (2003), waarin haar hoofdpersonage het vrouwelijk onbehagen bestrijdt met een zo promiscue mogelijk bestaan. Dat ze ook hiermee het onderbuikse levensgevoel van een generatie vrouwen-op-drift verwoordde, blijkt wel uit het zo mogelijk nog grotere succes van dit _Joop ter Heul neukt zich suf-_achtige boek. In korte tijd is Heleen van Royen uitgegroeid tot een fenomeen, iemand die er niet voor terugdeinst ook in eigen persoon lawaai te maken en ophef te veroorzaken, en zo in feite de perfecte illustratie te leveren bij haar eigen werk.

Bij alle bombarie die er omheen wordt gemaakt – al is het natuurlijk gevaarlijk om op grond daarvan bepaalde verwachtingen te koesteren – is het moeilijk haar roman nog «sec» te beoordelen. In eerste instantie dacht ik: wat een saai en landerig boek, en wat onhandig gecomponeerd, met die flashbacks die nieuwsgierigheid zouden moeten opwekken maar in feite alle vaart uit het verhaal halen. Vrouw verlaat huis en haard, gaat op reis naar Portugal en moet in het reine zien te komen, zowel met het gezinsleven als met haar overleden broer. Ze heeft «een muur om haar hart» die geslecht moet worden, en ze denkt de belofte aan haar broer alsnog gestand te moeten doen: «te gaan voor de piek». Net als in haar vorige boeken moet die piek nogal letterlijk worden opgevat. Haar man had maar een kleintje, en dus moet een grotere haar leegte op zien te vullen.

Zoals Michel Houellebecq, naast Leni Saris Van Royens grote inspiratiebron, echter al op droefgeestige wijze in De wereld als markt en strijd vaststelde: een pik kun je afhakken, maar hoe moet je in hemelsnaam de leegte van een vagina vullen? De tragiek van Van Royens personages is dat ze denken dat hun leegte te vullen is met pikken. En dat ze er dan ook alles voor doen zich zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor die pikken. Er zelfs hun vagina’s voor vernauwen. Zo ook haar Julia, die in de neger Romeo haar droomminnaar gevonden denkt te hebben. Het is wel een héél koude kermis waarvan ze thuiskomt. Een kermis die het vriesniveau nadert als ze terugkeert bij man en kinderen, en manlief al lang pragmatisch te werk blijkt te zijn gegaan om zíjn leegte op te vullen.

Zo lustig en bellettrieërig als De ontsnapping eruitziet, zo diep depressief is in wezen de boodschap van dit boek. Vrouwen zitten in de val, en er is, anders dan de titel belooft, geen ontsnapping mogelijk. Zo gauw ze echtgenote en moeder zijn, zitten ze met huid en haar vast. Ze kunnen van huis weglopen, hun mobiel weggooien, de foto’s van hun dierbaren opeten, en nog kunnen ze geen kant op. Ze kunnen zich laten verbouwen, hun ribben weg laten halen, hun borsten vergroten, hun haar blonderen, en nog delven ze het onderspit. Als ze even niet opletten worden ze verkracht, beroofd en ingeruild voor een ander.

De moraal van het verhaal heeft mij opnieuw De ontsnapping doen overdenken. Dit is helemaal geen vrolijk geil boek. Dit is diepe shit. (Kan dat er misschien bij de volgende druk als buikbandje omheen gevouwen worden?) Het gebeurt niet vaak dat een schrijver je zo op een ander been blijkt te kunnen zetten, maar Heleen van Royen is dat wat mij betreft gelukt. Neem zoiets als «te gaan voor de piek». Zo ontzettend lelijk geformuleerd. Ervoor gáán, het is de ziekte van deze tijd. Heeft hier een schrijfster heel slim de hartenklop van de tijdgeest te pakken, of is ze er zelf mee besmet? Ik heb steeds het laatste gedacht, ook – het is een buitenliterair argument, maar toch – door de wijze waarop Van Royen zich laat stylen voor al die foto’s en affiches. Ze presenteert zichzelf als een of andere animatrice, gladjes en hoerig. Had ze zichzelf net zo kwaaiig als Elfriede Jelinek ingesmeerd met wat lippenstift, dan was haar werk een stuk simpeler te interpreteren geweest. Inmiddels denk ik dat ze nóg weer slimmer is: ze verkoopt haar nihilisme als ontsnappingslectuur. Ze trekt er zijden handschoenen bij aan en knoopt haar bloesje nog wat verder open. Misschien dat de Nobelprijs haar ontgaat, haar boeken vlíegen weg. Wat wil je als ware subversieveling nog meer?