Gaan ze dood?

Elke Geurts
Het besluit van Dola Korstjens
Nieuw Amsterdam, 192 blz., € 16,50

In het voorwoord van zijn bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur van 1880 in 250 verhalen (2005) gaf Joost Zwagerman een puntige definitie van de roman: ‘De roman: een kort verhaal met heel veel opvulsel.’ Kees ’t Hart schreef dat het beslissende verschil tussen de roman en het verhaal lag in het einde; veel meer dan in de roman laat een geslaagd kort verhaal altijd allerlei mogelijkheden open, het mag onafgerond zijn. Haruki Murakami legde het verschil ooit anders uit: als je voor een roman een landschap schept, dan is een kort verhaal het aanleggen van een tuintje. En waar een landschap uiteindelijk altijd zijn onoverzichtelijke gebieden heeft, is een tuintje volledig te manipuleren door de tuinier. Zo is het misschien de zuiverste vorm van schrijven: de auteur als God die alle touwtjes in handen heeft.
Dat zijn drie, ik geef toe, willekeurige visies op het korte verhaal. Haal er nog drie schrijvers bij en je hebt vast nog drie andere visies. Wat is de visie van Elke Geurts? Geurts (1973) publiceerde eerder korte verhalen in De brakke hond en Bunker Hill, en nu zijn ze dan gebundeld in haar prozadebuut Het besluit van Dola Korstjens.
We kunnen Geurts in de tweede categorie plaatsen: haar verhalen zijn vaak flarden: ineens sta je in iemands leven en ineens ben je er ook weer uit. Heel mooi doet ze dat in Nomadensnaar, een verhaal over een zweverige typiste die ’s ochtends in bed blijft liggen, gewoon, om aandacht van haar vriend te krijgen, en haar bazige directrice die driftig door het kantoor struint, obsessief naar haar op zoek. Tot een confrontatie tussen de twee komt het niet. Het verhaal eindigt plots. Het meisje ligt nog in bed, haar baas is nog steeds boos. Geen flauw idee wat er gebeurt als ze elkaar weer ontmoeten, maar het boeit wel.
De verhalen zijn ongerijmd, wat soms een beetje gekunsteld, wat gezocht, overkomt. Veel dialogen die niet lekker lopen, mensen die wel heel erg langs elkaar heen praten. Tegelijkertijd daagt Geurts zo de lezer uit tot nadenken over wat er nu precies aan de hand is, in het titelverhaal bijvoorbeeld (het mysterie komt daar niet helemaal uit de verf) en in Voorbodes (komt geweldig uit de verf). Gaan de personages nu dood of verzinnen ze dat maar? Tot drie keer toe zegt iemand dat Elliot een fantast is, hijzelf incluis. Kunnen we daarna zijn waarnemingen nog geloven? Geurts laat de lezer denkend achter.