Vertaalde autobiografische werken

Gabriel García Márquez over zichzelf

Van de nieuwe boeken en vooral de nieuwe vertaalde boeken valt zeker de helft onder het (auto)biografische genre. Kennelijk is er behoefte aan verhalen die waargebeurd zijn, zowel bij lezers als bij schrijvers.

Medium marquez4

Het geldt voor romans en verhalen, over familie (bij voorkeur drie generaties en vooral vrouwen), kindertijd, reizen en exotische oorden: een boek mag best verzonnen zijn, als er maar geen «fictie» op staat. Of de behoefte aan waargebeurde, uit het leven gegrepen verhalen zélf echt is, weet ik niet; het levert wel dikke boeken op, dus veel leesplezier.
De eerste vraag die een geschreven leven dient te beantwoorden, dus ook de autobiografie, luidt: wat maakt dit leven zó bijzonder dat het de moeite waard is erover te schrijven en te (laten) lezen? De schrijver vindt zijn persoon uniek of op z’n minst bijzonder, of voert zichzelf als voorbeeld ten tonele, als vertegenwoordiger van een belangrijke gebeurtenis, periode of generatie; en als het niet om inhoudelijke redenen is, dan wel om stilistische, opdat de manier waarop hij erover vertelt al uitzonderlijk is. Een schrijver moet bovendien denken dat hij iets te vertellen heeft wat in andere vorm niet goed (genoeg) is overgekomen. Opmerkelijk is wel dat ook de dwarsere schrijver zich voor zijn levensbeschrijving doorgaans keurig houdt aan de regels van een conventioneel genre waaraan nagenoeg alle ontwikkelingen van de moderne roman zijn voorbijgegaan.
Dat is het eerste wat mij opvalt bij de autobiografische pil van Gabriel García Márquez, Leven om het te vertellen. Aan de (onappetijtelijke) buitenkant is aan dit lijvige boek niet te zien dat het niet het hele leven van de Colombiaanse schrijver bestrijkt: het houdt op in 1955, bij de publicatie van zijn eerste roman Afval en dorre bladeren en zijn vertrek naar Europa.
Márquez wekt niet de indruk dat hij dit boek heeft geschreven omdat hij zichzelf of zijn leven per se zo belangwekkend vond. De twintigjarige verbaast zich erover dat iedereen hem, al bij voorbaat, zo goed vindt. De «maestro», zoals sommigen hem noemen, laat zich alle lof en steun welgevallen, hij maakt gretig gebruik van de kansen die hem worden geboden, maar ijdel is hij in genen dele; de schampere opmerkingen over zijn eerste pennenvruchten klinken wat koket uit de mond van een prijswinnaar op jaren, maar de bescheidenheid was en is oprecht.
Márquez lijkt, in dit boek én vroeger, zelfs nauwelijks in zijn eigen persoon geïnteresseerd, des te meer in andere mensen: familieleden, vrienden, medestudenten, docenten, collega-journalisten, maar evengoed café gangers en passanten. Hij verklaart om de haverklap, met naam en toenaam, aan welke personen en welke boeken hij voor zijn schrijversleven alles te danken heeft gehad.
Portretten zijn er ook in zijn romans, verhalen en reportages genoeg te vinden, daar was geen autobiografie voor nodig geweest. Waarschijnlijker is dat hij zichzelf een plaats heeft willen geven in het groepsportret van een generatie en breder gezien in het beeld van een mythisch land, van een Colombia dat niet meer bestaat, zo het al ooit echt heeft bestaan: een apart volk als één grote bonte familie met een geschiedenis die vooral in en uit verhalen bestaat. In dat historische perspectief zou het dan om Márquez gaan als waarnemer.

Iets kritischer geformuleerd kun je zeggen dat Márquez met zijn autobiografie de tol van zijn beroemdheid betaalt, door alsnog te laten zien dat van al zijn wonderbaarlijke verhalen geen letter verzonnen was. Wat is er niet gespeculeerd over het realiteitsgehalte van dat met de term «magisch realisme» verbasterde werk. Waar haalt-ie het vandaan? Daarop lijkt dit boek het antwoord: zie hier de stof waaruit die fantastische vertelsels zijn gemaakt. De autobiografie had voor de liefhebber een feest van herkenning moeten worden.
Voor mij demonstreert Márquez ongeveer het tegendeel: juist het verschil tussen schrijven en opschrijven, tussen vertellen en navertellen, tussen imaginair en realistisch, tussen literaire verwerking en de stof, het ruwe materiaal, de losse feiten. De titel geeft aan dat hij het zelf zó niet heeft bedoeld; maar niet toevallig kun je Leven om het te vertellen op verschillende manieren lezen.
Waar je het boek ook maar opslaat, stuit je op een krasse anekdote, een curieuze figuur, een rare situatie. Tot mijn verbazing begon dat vuurwerk mij echter gauw te vervelen, wat mij bij ander werk van hem zelden is overkomen. Het moet iets met het verband tussen al die op zich boeiende scènes te maken hebben, of liever met het ontbreken van een hecht verband.
Márquez ziet zichzelf graag als geboren verteller, en in zijn verhalen is hij inderdaad een begenadigd verteller, maar in deze autobiografie wordt vertellen soms gewoon gebabbel, episodes en onderwerpen worden losjes aan elkaar geplakt.
Het boek begint met een doelgericht verhaal: hoe de aankomende schrijver door zijn moeder op sleeptouw wordt genomen om het oude huis van zijn grootouders te verkopen, achteraf gezien een keerpunt in zijn leven én in zijn literaire ontwikkeling. Maar de daarmee opgebouwde spanning loopt weg wanneer daarna de letterkundige leerjaren — om die leerschool van 1950 tot 1955 gaat het in dit deel — chronologisch moeten worden afgewikkeld, zonder iets over te slaan, want in het licht van een oeuvre telt niet alleen elke geschreven en gelezen regel, maar ook elk biografisch feit waaruit literatuur is geperst.

Het is waar, Márquez weet van elk feit een boeiend verhaal te maken, daarom doen zijn journalistieke verhalen niet voor het echte literaire werk onder; en aan het eind van dit autobiografische deel staan echt enkele mooie staaltjes reportagekunst. Maar net zo min als de verzameling van al het materiaal waaruit hij zijn romans en verhalen heeft vervaardigd niet voor zichzelf spreekt, wat feiten nooit doen, werkt ook het lukraak vertellen niet op eigen kracht.
De ironie wil daarom dat in weerwil van alle expliciete bedoelingen dit boek vooral bewijst dat de kracht van Márquez in het fantastische verhaal ligt. Fantasie dan niet opgevat als scheppen uit het niets, maar als vermogen om iets een andere vorm te geven. Deze autobiografie geeft weer, maar geeft geen vorm zoals zijn verhalen en romans, of een weke, meegevende vorm. Het geheel wordt hoofdzakelijk bijeengehouden door belangstelling van de lezer in de verteller; behalve de chronologie en de goede afloop is er geen structuur, daaraan helpt de hulpeloze kunstgreep niet om op driekwart weer bij de reis met de moeder aan te knopen. En de zinnen missen nogal eens spankracht doordat ze worden opgedirkt met al te expliciete adjectieven — «dat krankzinnige huis van de familie» — of verwaterende interpretaties.
Een voorbeeld: «Ik was vrijdag om vier uur ’s nachts met schrijven begonnen en was om acht uur ’s morgens klaar, gekweld door het verbijsterende inzicht van een helderziende.» Met de laatste toevoeging maakt Márquez de demonstratie van hoe iets dat hij in het echt beleefde in een verhaal wordt omgetoverd meteen onklaar. En soms staat er gewoon onzin.

Het grote keerpunt in Márquez’ leerjaren is de ontdekking dat het model van het epos waarvan hij droomt alleen zijn eigen familie kan zijn. Die kenschetst hij dan als «een familie die nooit hoofdrolspeler of zelfs maar slachtoffer van iets was geweest, maar slechts nutteloze getuige en slachtoffer van alles».
Slachtoffer van niets én van alles? Zelfs als de autobiografie bedoeld is als kunstenaars roman roept dit boek vooral heimwee op naar de echte verhalen van Márquez.

Gabriel García Márquez
Leven om het te vertellen
Vertaald door Aline Glastra van Loon, Mariolein Sabarte Belacortu, Arie van der Wal & Mieke Westra
Uitg. Meulenhoff, 572 blz., € 24,50

György Konrád, Geluk

Geluk is de titel van het laatste boek van György Konrád (1933). Wat je geluk noemt: de dag nadat de elfjarige jongen met zijn oudere zusje uit het geboortedorp naar Boedapest was gegaan, werd de hele joodse bevolking weggevoerd. Als hij tijdens de Duitse bezetting op een binnenplaats in een pan bonensoep roert en even wegloopt, wordt de pan waarover hij zojuist gebogen stond door een kogel uit een vliegtuig doorboord. En zo ontsnapt de jongen nog ettelijke keren aan de dood als hij in 1944 bij familie in de stad zit ondergedoken. Maar geluk slaat ook op het intenser worden van ervaringen en gewaarwordingen in extreme situaties. Waarom schreef Konrád alsnog deze jeugdherinneringen? Want voor een deel zijn ze niet van die van andere te onderscheiden, hooguit door de laconieke toon. Misschien wilde hij één vroeger al eens kort beschreven situatie uitvergroten: een confrontatie met de dood doorstaat de jongen van elf zonder met de ogen te knipperen. Laconisme past daarbij, maar af en toe is de toon wel erg ironisch; hoe die jongen de grote wereld doorhad, bijvoorbeeld toen hij na de bevrijding terugkeerde «naar de niet geheel betrouwbare plaats van het verloren paradijs». Tussen de blik van toen en wijsheid achteraf maakt Konrád geen duidelijk verschil. Op het laatst raffelt hij het uitgestelde verhaal over 1944/45 af met een veel te wijdlopig en gedetailleerd verslag van een recent bezoek als beroemde schrijver aan zijn geboorteplaats. Nou ja, dat verhaal is hij nu kwijt. Uitg. De Bezige Bij, 174 blz., € 19,50 (Vertaald door Henry Kammer) Sándor Márai, Land, land!… Sándor Márai (1900-1989), die sinds 1948 zogenaamd vrijwillig in ballingschap leefde, is buiten Hongarije pas enkele jaren geleden ontdekt. In Nederland werden de romans Gloed en De erfenis van Eszter enthousiast ontvangen. Mij leek de lof wat overdreven, niettemin verraste het begin van Land, land!…, een in de jaren zeventig geschreven boek met herinneringen. Na Geluk van György Konrád leek de terugblik van de veel oudere Márai op dezelfde tijd — de bezetting van Hongarije in 1944 door de Duitsers, de bevrijding door de Russen en de jaren van wederopbouw — een vruchtbare combinatie van kroniek en analyse. Op elke bladzijde stonden wel uitspraken waar ik mijn hoofd bij schudde, maar ik nam ze op de koop toe bij zijn verslag: de beschrijving van de tijd dat hij zich, in een dorp buiten Boedapest, tussen twee fronten bevond; zijn verbazing over de onberekenbare Russische soldaten; zijn verbijstering over de verwoesting in Boedapest, waar hij in de ruïne van zijn vroegere huis zijn bibliotheek in drassige pulp veranderd zag. Ironisch portretteert hij zichzelf als karikatuur van een burger, een hem opgelegde rol op het dolgedraaide toneel waar iedereen verdwaasd door elkaar heen rent. Dan houden de beschrijvingen nagenoeg op en begint een eindeloos requisitoir tegen de geest van de tijd. Hij was alleen in de ogen van anderen een karikatuur, belachelijk gemáákt. Nee, de burger blijkt een boven alle opportunisten uitstekende tijdloze figuur, zoniet de ideale mens. Márai lijkt op een Hoger Weten aangesloten, want welk onderwerp hij ook behandelt, de ene apodictische uitspraak rijgt zich aan de andere. Geweld en wreedheid zo ver hij kan kijken, hij weet dat ze van alle tijden zijn, van de Assyriërs tot nationaal-socialisme, altijd hetzelfde; zo maken SS’ers en collaborerende Pijlkruisers plaats voor Russische en Hongaarse communisten. Allemaal proleten. De communistische invasie, leugenachtig bevrijding geheten, is simpel de wederkeer van de katholieke missie in de negende eeuw: de Hongaarse volksaard verkracht door vreemde elementen. Nationaal-socialisten waren erg, communisten zijn erger, en het allerergste zijn westerse progressieve intellectuelen. Analyse heeft nog iets met waarneming en nadenken te maken; Márai doet het met vermoedens en voorgevoelens. In de winter van 1946 reist hij door Zwitserland, Italië en Frankrijk. In Parijs, waar hij eerder een deel van zijn jeugd doorbracht, ruikt hij meteen al dat het boek er zijn tijd heeft gehad. Zonder iets te hebben gelezen is hij ervan overtuigd dat het met literatuur en cultuur is afgelopen en dat er in Frankrijk nog alleen Ersatz wordt geschreven. En dat niet alleen, de catastrofe «leek het geweten van de westerse mens niet in het minst te hebben beroerd», «niemand sprak erover dat de grote stroom van de geschiedenis de kusten van Europa al gepasseerd was». Als overdrijving als verrekijker kan dienen, houdt Márai hem omgekeerd. Hij zweert bij een humanisme dat het individu tot maatstaf van alle handelen neemt; voor hem heet dat individu «burger Márai». Ik krijg de indruk dat deze «herinneringen» hem de gelegenheid gaven voor een rechtvaardiging achteraf van zijn afscheid in 1948, van Hongarije, zijn taal en nog veel meer. Uitg. Wereldbibliotheek, 366 blz., € 24,90 (Vertaald door Mari Alföldy) Leonid Tsjypkin, Zomer in Baden-Baden Voor iemand die niet bij voorbaat mee wil, heeft een bewonderaar iets komisch of aandoenlijks. Tsjypkin (1926-1982), van huis uit arts en bewonderaar van negentiende-eeuwse literatoren, schreef eind jaren zeventig een roman over Dostojevski als gokker, gebaseerd op het dagboek van de vrouw die zijn dictaat opnam, zijn tweede vrouw, huissloof en bewonderaarster. Onbedoeld komisch zijn de laatste uren van hun verblijf in Baden-Baden waar de schrijver ten tijde van zijn roman De speler als een gek tussen het pension, het pandjeshuis en het casino heen en weer rent om het laatste stuivertje te vergokken. Minder aandoenlijk is de aan Dostojevski toegedichte verheerlijking van vernedering en duizeling wekkende roes. Minder komisch is ook de devote toewijding van de vrouw en de idolatrie van de verteller-schrijver tijdens zijn treinreis van Moskou naar Leningrad, op bedevaart naar het Dostojevski-museum. Het meest opmerkelijk aan dit heiligenleven zijn de zinnen van telkens één alinea lang, waarvan de zinsdelen door gedachtenstrepen «aaneengeniet» zijn, zoals Susan Sontag dat noemt in haar bewonderende inleiding. Sontag rekent het door haar herontdekte boek «tot de mooiste, origineelste en meest verheven werken» van de hele vorige eeuw. Dat is een tikkeltje overdreven. Uitg. De Bezige Bij, 206 blz., € 18,50 (Vertaald door Jos Vonhoff en Arjen Uijterlinde)