Ger Groot

Galeries Modernes

De Galeries Modernes was (in de volksmond enkelvoud) ooit een bescheiden warenhuis in de Kalverstraat, vlak bij de Dam. Den Haag moet er ook een hebben gehad en blijkens het gedicht dat Gerrit Achterberg daaraan wijdde was het heel wat somptueuzer dan ik mij in Amsterdam herinner. Er zoefden liften in die leidden naar een bovenverdieping met een balustrade, waar overheen «het is vergund/ een blik te werpen in het massagraf». Net als alle andere gedichten uit Ode aan Den Haag is ook dit doordrenkt van dood en verlangen naar de geliefde die verdwenen is.

Van de Haagse Galeries Modernes heb ik al evenmin een beeld als van de meeste andere plekken in de bundel. Een stad die ik nauwelijks ken wordt zo vanzelf literatuur. Innemee, Schuddegeest: het kunnen de namen zijn van winkels, straten of personen. Ze waren Bordewijk waardig geweest, wiens naam nog even in het slotgedicht Passage valt.

In de tweedelige prachteditie van Alle gedichten, zojuist verschenen ter gelegenheid van Achterbergs honderdste geboortedag (Atheneum-Polak & Van Gennep), bewijst de cyclus nog altijd Achterbergs grootmeesterschap. De vijftien sonnetten zijn volmaakt in hun klassieke vorm, die precies in het midden even wordt doorbroken. Het achtste sonnet telt één regel meer, die op zijn beurt alleen maar de achtste, de middelste kan zijn.

«Ik ben door het oog gekropen van een naald» – in dat vers balt Ode aan Den Haag zich samen. De stad werd het panorama van een heikele ontsnapping waarin de dichter zich steeds weer loswrong uit zijn obsessie met de Dode: een necropolis als Thebe, dat elders in zijn werk recht kreeg op een onsterfelijk gedicht.

Zo is Den Haag bij Achterberg niet ’s-Gravenhage, en tegelijk toch wel. Zijn dodenstad correspondeert met welbepaalde plekken, op wier mondaine luister inmiddels danig sleet gekomen is. Hotel «Du vieux Doelen» bestaat niet meer. Alleen nog zichtbaar is «op het Tournooiveld/ Waar/ Tot in de jaren vijftig/ Het hotel/ Du vieux Doelen gevestigd was/ Een zeskantig torentje», aldus Cor Gout in zijn eigen Ode aan Den Haag. Hij herdichtte er Achterbergs bundel in, ook al ter ere van diens jubileum (Avalon Press).

Gout volgt zijn voorbeeld op de voet, maar in zijn eigen vrije stijl en met een heimwee dat niet de gestorven minnares geldt maar de stad zelf. Ook daarbij gaat het, net als eerder in zijn multimediale lofzang op Den Haag Noirette, om een geliefde die terugwijkt in de tijd. Haar sporen blijven nog vaag zichtbaar in het aangevreten stadslandschap: toonbeeld van een teloorgang die Gout hartspijnen moet geven en waarvan deze herdichting de geheimen openbaart.

Zo blijkt de onbekende Innemee een begrafenisondernemer aan de Hooikade te zijn geweest en vormt Achterbergs titel Zieken geen hospitaalverwijzing maar een straatnaam: het Zieken. Er zijn er bovendien twee van, het Hoge en het Lage, zoals je kunt verwachten in een stad van Lange en van Korte Poten. Schuddegeest blijft ook bij Gout wat duister voor de vreemdeling. Een hofje? Of de naam van de benzinepomp die daar gestaan moet hebben – misschien nog wel staat – en blijkens Achterberg van het zeer Haagse Shell moet zijn geweest?

Den Haag staat hier niet voor iets anders dan zichzelf en daarom ontpopt de dichter Gout zich tevens als lokaal historicus. Hij is de archieven ingegaan om het verhaal te vinden achter Eduard Gerzon, stichter van het modehuis dat zich ook al in Amsterdam gevestigd had.

Ook al? Waar het gedicht over de Galeries Modernes had moeten komen volgen bij Gout slechts «aantekeningen die leiden tot niets». Van enig filiaal van dat bedrijf blijkt in Den Haag geen spoor te vinden. Achterberg moet het verzonnen hebben voor zijn necropolis. Geen liften, balustrade, massagraf. Wat Gouts gedicht had moeten worden, loopt letterlijk in zijn notities dood.