De verwarring van het bibliotheekwezen

Gamen doe je maar thuis

Met merkbare wanhoop verzinnen bibliotheken de ene gekkigheid na de andere om jongeren en allochtonen naar binnen te krijgen. Willen ze overleven, moeten ze juist terug naar de kern: studie en collectie.

SOMS WORD IK GEVRAAGD om op een symposium te spreken over De Bibliotheek. In de uitnodiging is vaak al de lichtnerveuze trilling van vrees en wanhoop hoorbaar die het bibliotheekwezen al 25 jaar beheerst.
‘Zou u iets willen zeggen over de toekomst van de bibliotheek?’
Het is dezelfde soort vraag die in de jaren zeventig aan religieus angehauchte schrijvers of denkers werd gesteld door kerkelijke organisaties: ‘Is er nog plaats voor het geloof in onze samenleving?’
Op beide vragen kan om verschillende redenen makkelijk ‘ja’ worden gezegd, maar ‘hoe’ is een ander kwestie.
Lang geleden verdiende ik als aanstormend dichter/schrijver wat bij door stukjes te schrijven voor de Drentse en Asser Courant. Omdat ik een bril droeg en zwarte kleren werd ik ‘onze culturele correspondent’ en dat betekende dat ik ook de vergaderingen van de raadscommissie cultuur mocht bijwonen. Een flink aantal jaren heb ik die maandelijkse vergaderingen meegemaakt en heel vaak kwam daar de bibliotheek ter sprake. Nooit, in al die jaren, tijdens al die zich als een levensmoe karrenpaard voortslepende avonden met vieze commissiekoffie en niet-leuke grapjes (‘Dat zei mijn vrouw vannacht nog!’), nooit heeft daar iemand voorgesteld om nu eens niet te bezuinigen op de bibliotheek. Nooit. Integendeel, ze waren allemaal de bibliotheek liever kwijt dan rijk. De liberalen, omdat ze vonden dat de marktwerking… eh… moest werken. De confessionelen omdat ze de bibliotheek duur en gevaarlijk vonden. De socialisten omdat er altijd wel eerst een oude wijk was die fysiek dan wel sociaal heropgebouwd moest worden.
Het waren de jaren tachtig, ik geef het toe, maar ik denk dat er niet veel veranderd is. De bibliotheek heeft nog altijd nauwelijks vrienden op de juiste plaatsen.
Ja, nu hoor ik al gesputter en gemopper, want er komen toch steeds weer leuke nieuwe potjes voor het bibliotheekwerk bij, voor als er iets digitaals wordt gedaan voor achtergestelde doelgroepen. Tien jaar geleden waren dat Jongeren, in de Leefbaar-periode waren dat Gewone Mensen, in Friesland zijn het Friestaligen, in Amsterdam Jonge Allochtonen en in Bloemendaal zullen het wel Dyslectische Hockeyers zijn. Iedere politieke kleur en elke plaats heeft zijn eigen doelgroep. En omdat iedere politicus ook nog zijn eigen stokpaardje heeft en overheidsbeleid ook nog eens de neiging heeft om trends geweldig over te waarderen, kun je als eenvoudige bibliotheekmanager zomaar zitten met het dilemma dat je je steun alleen kunt behouden door de homoseksuele Friestalige dyslectische allochtone medemens digitaal te bedienen. Over de aanschaf van zoiets overbodigs als dichtbundels of moeilijk toegankelijke romans hoeven we dan niet meer na te denken.
Toen de kerken in de jaren zestig begonnen leeg te lopen hebben goed- en kwaadwillende idealisten getracht het tij te keren met beat-missen, jongerendiensten, Pesach-Pasen en het langzame afschaffen van zoiets lastig als het Godsidee en het hele web van verplichtingen die daar bijhoren. Hoe meer banjo’s en elektrische gitaren ze in de mis stopten, hoe meer ze die nieuwe doelgroepen – jongeren! jongeren! – tegemoetkwamen, hoe minder kerk er overbleef en het gevolg kennen we allemaal: de kerken zijn leeggelopen en komen, ook al is er veel nieuwe spiritualiteit, nooit meer vol.

TOEN LANG GELEDEN de nieuwe vestiging van de hoofdbibliotheek in Assen werd geopend bracht ik een boek terug dat ik 25 jaar geleden had geleend. Het was Dubliners, mijn eerste kennismaking met Joyce. Het boek had zo veel indruk gemaakt dat ik het inleveren destijds had uitgesteld en uitgesteld en uitgesteld, tot ik besloot dat ik dit boek niet terug kon, nee: niet terug wilde, geven.
Ik kwam als puber elke week in de bibliotheek. Ik had een dubbel lidmaatschap en vertrok meestal met tien boeken: zes romans en vier non-fictieboeken, die toen nog studieboeken heetten. Dat was de regel: drie voor je plezier en twee om iets van te leren. Zelfs nu, 35 jaar later, kan ik me nog herinneren in welk rek ik Dubliners vond, net zoals me nog steeds helder voor de geest staat met welke honger ik elke week de zaal betrad en de smaak van avontuur en ontdekking die daarbij hoorde. De bibliotheek was de deur naar een wereld waar ik mij Amundsen op zoek naar het magnetische noorden voelde, Livingstone die de bronnen van de Nijl tracht te vinden, Columbus die land in de verte ziet.
Toen ik mijn exemplaar van Dubliners terugbracht verhuisde de Asser bibliotheek naar een winkelcentrum, want dat was het politieke idee in die tijd: dat cultuur eigenlijk ook een product was. Inmiddels staat diezelfde ‘bieb’ weer op het punt om verplaatst te worden, nu naar het soort cultuurcombo dat op het ogenblik in de mode is en waarin allerlei culturele instellingen worden ondergebracht. Tegelijkertijd worden de vier wijkfilialen, waarvan één nog maar net open, gesloten vanwege bezuinigingen.
Assen is niet de enige plaats waar filialen dichtgaan en de bibliotheek onder druk staat. Het hele bibliotheekwezen wankelt. Dat komt enerzijds omdat boeken goedkoper zijn geworden en via Amazon of Bol thuis worden bezorgd, anderzijds omdat er minder wordt gelezen. Het bibliotheekgebruik loopt al twintig jaar terug. De bezoekcijfers nemen af en elk jaar worden er minder boeken uitgeleend. Het aantal lidmaatschappen neemt de laatste tijd licht toe. Dat komt vast door Nederlanders van Turkse en Marokkaanse afkomst, die relatief veel gebruikmaken van de bibliotheek. Ook bij jongeren is de bibliotheek populairder dan ooit. Voor hen is de bibliotheek geen uitleenfaciliteit, maar een studiecentrum. Mijn twintigjarige zoon en zijn vrienden staan in hun schoolvakanties extra vroeg op om een plaatsje in de studiezalen te bemachtigen. In de grote steden is er in dat soort periodes een enorm tekort aan werkplekken. Ik begreep eerst niet goed waarom dat gebeurde. De meeste jongeren hebben tegenwoordig behoorlijke kamers, met een bureautje en computer. Maar daar gaat het niet om, blijkt uit navraag. Ze gaan naar de bibliotheek vanwege de rust en stilte die daar heerst, examenbundels en naslagwerken die voorhanden zijn, de mogelijkheid om samen te studeren en omdat ze zich daar niet kunnen laten afleiden door internet, muziek en mobiele telefoon.

DE BIBLIOTHEEK is lang door politiek en overheid gebruikt als de hoer van de verheffingsgedachte. En nog steeds zweeft dat idee door de hoofden van wie zich met de bibliotheek bemoeit. Tegelijkertijd is er het idee van ‘de bibliotheek’ als een soort monument van beschaving. Arie van der Zwan vatte beide gedachten samen tijdens een symposium van de openbare bibliotheek Rotterdam: ‘Ik geloof (…) absoluut niet in de populariteitscultus van bibliotheken. De bibliotheek hoort er te zijn ter verheffing van de mens. En dan benadruk je dat je een drempel over moet gaan, en wat mij betreft dwing je mensen tot rituele handelingen: voeten vegen, jas afgeven, eventueel handen wassen voordat hij een boek mag aanraken. Dan is het weer een tempel, een tempel van cultuur.’
Maar de basale gedachte achter de bibliotheek is nooit die van verheffing of tempel der cultuur geweest. De bibliotheek, en dat is nog steeds haar raison d’etre, dient twee zeer praktische noodzaken: het verzamelen, bewaren en toegankelijk maken van de talige cultuur enerzijds en anderzijds een omgeving te zijn waarin kennis verworven, bestudeerd en verwerkt kan worden.
Onder druk van commercie en bezuinigingen hebben de bibliotheken zich echter tot het tegendeel bekeerd. Ze hebben zich gestort op de uitleen van dvd’s (de complete Soprano’s!) en games.
Zo gaat het in mijn oude bibliotheek in Assen: ‘Enter the “bieb” and play! Kom gamen op de jongerenafdeling van Bibliotheek Assen. Je kunt hier op een groot scherm gamen. Op de consoles: Wii, Xbox 360 en Playstation 3 of op de game-pc’s. Je bibliotheekpas geeft je toegang tot tientallen spellen.’
Ja, leuk. Maar waarom? En waarom moet dat worden aangekondigd in krakkemikkig Engels? Waarom heet de persoonlijke zoekpagina van de bibliotheek Rotterdam ‘My Discoveries’? Waarom organiseert de Oba in Amsterdam nu al drie jaar achter elkaar ‘Hoedjesdag’ ter gelegenheid van de derde dinsdag in september? Waarom kun je in de Enschedese bibliotheek een workshop Twitter volgen? Waarom is de boekentip van de week in Eindhoven Amuse hapjes & heerlijke snacks van Noëmie André? En waarom viert de Stadsbibliotheek Maastricht in het kader van haar 350-jarig bestaan een app-ontwerpwedstrijd?
Het bibliotheekwezen is in verwarring. Aan de ene kant komt dat door toenemende bezuinigingen en de druk om de doelgroepen du jour te bedienen, aan de andere kant omdat er geen duidelijk beeld bestaat van wat een openbare bibliotheek in deze tijd kan en moet zijn. En dus wordt met merkbare wanhoop de ene gekkigheid na de andere bedacht, en zonder veel resultaat. Uit cijfers van het CBS blijkt dat alle uitleningen dalen, behalve die van video’s en dvd’s en tijdschriften.
En dan is er nog een fundamenteel probleem. De bibliotheken lenen tegen belachelijk lage bedragen boeken uit aan mensen die ze heel best zelf kunnen kopen. De midden- en hoge inkomens maken volgens het SCP het grootste deel uit van de leners. Die groepen zijn niet bepaald het speerpunt van leesbevordering, alfabetisering of verheffing. De kosten van deze dienstverlening aan mensen die hem niet nodig hebben worden gedragen door de samenleving (in de vorm van subsidie) en de boekenbranche. Uitgevers verdienen niets aan uitleningen, schrijvers krijgen 0,1162 euro per boek. Dat staat in schril contrast tot audio- of videohits die per uitlening 1,0860 doen. Een dikke pil waar iemand als Peter Buwalda jaren aan heeft gewerkt levert geen fractie op van de Super Piraten CD Deel 2, waarop zulke werken staan als Troela, o troela van De Casino’s en Jodel-Greetje van The Valley Skiffle Group.
Aan welk deel van de bibliotheektaak voldoet het ter beschikking stellen van de Piraten-cd of Battlefield 2 (een oorlogsgame)? Ik ben het niet eens met hen die de bibliotheek een tempel vinden waar je bedeesd je voeten veegt voor je deel mag nemen aan de rijkdommen die de cultuur heeft voortgebracht. Maar dit is het andere uiterste.
Ik weet wel waar het uit voortkomt, die neiging om eigenlijk alles maar aan te bieden. Het is een uitdrukking van een grotere culturele verwarring, een pseudo-democratisch relativisme dat uit lafheid weigert onderscheid te maken, dat onder druk van de grootste gemene deler en de publieksgeilheid van doelgroepenpolitiek alles van evenveel belang vindt. Zo is er geen verschil meer tussen De driekusman en de Sacre du printemps. Zo is het laatste hitje van Gordon meer waard dan het nieuwe boek van Dautzenberg. Zo zetten gemeentebestuurders musea onder druk om ‘minder avant-gardistisch’ te zijn en zich meer te richten op de lokale bevolking. Alles is hetzelfde, de markt bepaalt de waarde en niets mag ons iets kosten.
Maar de bibliotheek lijdt niet alleen onder de effecten van populistische politiek en culturele gelijkschakeling. Het achterliggende idee is verworden tot een moeras van willekeur en goedbedoelde onzin. Er worden taken uitgevoerd die niets hebben te maken met het wezen van ‘de bibliotheek’ en groepen bediend die daar niets te zoeken hebben. De bibliotheek is bezig te smoren in haar eigen irrelevantie.
Terwijl het idee van de bibliotheek zeer relevant is. De vraag is ook niet of de bibliotheek moet overleven, maar hoe.

IK DENK dat de toekomst van de bibliotheek ligt in de terugkeer naar de kern van het onderliggende idee: studie en collectie. Nut en waarde van de bibliotheek als studiehuis worden bewezen door de enorme groepen scholieren en studenten die daar willen leren en studeren. Maar maak er dan ook veel meer een studiehuis van. Blijf open, zoals de Oba in Amsterdam, tot minstens tien uur ’s avonds. Zorg voor voldoende internettoegang en beperk die tot onderzoek en verkenning. Chatten, facebooken en gamen doe je thuis. Plaats banken en fauteuils en laat een ondernemer als Lebkov zijn sandwiches en koffieconcept in de bibliotheek exploiteren. Bied studiebegeleiding aan en speel in op de examenonderwerpen van middelbare scholen. Organiseer bijlesgroepen in aparte studiezalen.
Wat de collectie betreft: stop de ongebreidelde verzamel- en aanbiedzucht. Het is nergens voor nodig om populaire tv-series op dvd uit te lenen, en de hits van vandaag kan iedereen voor 99 cent downloaden bij iTunes. Het is geen publieke zaak om populaire muziek en televisieprogramma’s aan te bieden. Computergames hebben ook geen plaats in de collectie van de bibliotheek. Ja, ze behoren tot ‘de cultuur’ , maar als je alles wat daartoe behoort wilt aanbieden kun je ook wel een kledinguitleen, een fitnessruimte en een seksshop exploiteren. Niet alles moet verzameld en aangeboden worden, niet alles is van evenveel belang. Er is niets op tegen om cultuurdragers op intrinsieke waarde te selecteren. Als je dat doet word je niet onmiddellijk een cultuurtempel voor D66-stemmers en NRC-lezers. Richt je verder op jongeren uit gezinnen waar nauwelijks cultuurdragers thuis zijn. Games en muziek kopen ze zelf wel, maar boeken en kwaliteitsfilms en andere muzieksoorten dan uit de hitlijsten kennen ze nauwelijks.
Onder druk van bezuinigingen en marktdenken is de vraag van vandaag of wij hier allemaal voor moeten betalen. Dat is een goede vraag. Ik stel hem zelf ook wel eens. Bijvoorbeeld als het gaat om de honderden miljoenen euro’s die jaarlijks in voetbalwedstrijden worden gestopt in de vorm van openbare ordebeheersing. Ik vraag er niet om, maar er gaat toch belastinggeld heen. Of onze aanwezigheid in Afghanistan. Ik vroeg er niet om, maar…
Bibliotheken, opera, serieus toneel, echte literatuur, schilderkunst, ballet: de meeste mensen hebben er niets voor over. Net zoals ik niets over heb voor oorlog, voetbal en de commerciële tv-zenders.
Maar daar gaat het niet om. Je koestert iets niet omdat je er zelf direct iets aan hebt. Je steunt het idee van ‘de bibliotheek’ niet omdat het jouw leven leuker maakt. Het is gewoon belangrijk. Net zo belangrijk als watervoorziening. Net zo belangrijk als de deltawerken. Belangrijker dan het koningshuis. Wat wij zijn, wat wij willen en wat wij weten, dat ligt in de bibliotheek opgeslagen, daar kunnen we het lezen en bestuderen. Wie daar nonchalant of luchthartig mee omgaat verwaarloost niet alleen zijn cultuur, maar toont ook gebrek aan zelfrespect. Zonder behoorlijke bibliotheken kun je nog zo hard over de wortels van onze joods-christelijke cultuur kletsen, maar zal er niemand meer zijn om te weten waarover je het hebt.

(Het statistische materiaal stamt uit De openbare bibliotheek tien jaar van nu, SCP, 2008)