Gangsterdom van de geest

E. L. Doctorow, De watervang. Vertaald door Sjaak Commandeur, uitgeverij Anthos, 238 blz., f34,50
EEN VAN DE indrukwekkendste verhalenbundels uit de Amerikaanse literatuur die ik ken heet Winesburg, Ohio (1919) en gaat over het leven in een Amerikaans stadje rond de eeuwwisseling. Deze melancholische verhalen van Sherwood Anderson, de literaire peetvader van onder anderen Faulkner en Hemingway, zijn vanuit talloze personages geschreven zodat er een kleurrijk mozaiek ontstaat van een kleinstedelijk bestaan vol liefde, haat, verveling en zelfzucht.

De bundel wordt voorafgegaan door een overpeinzing van een schrijver op leeftijd: ‘Het groteskenboek.’ In bed, tussen waken en slapen, trekken menselijke gestalten aan een oude schrijver voorbij die groteske figuren zijn geworden. Hij begint erover te schrijven maar zijn groteskenboek komt nooit uit. Het boek gaat in op honderden 'prachtige’ waarheden - samenraapsels van wazige gedachten - over maagdelijkheid, hartstocht, rijkdom en armoede, onverschilligheid.
Maar 'zodra een van de mensen zich zo'n waarheid toeeigende, het zijn eigen waarheid noemde en ermee probeerde te leven, werd hij een groteske, en de waarheid die hij omhelsde werd een leugen.’ Wie een waarheid tot de zaligmakende verheft en alle andere mogelijke waarheden uitsluit betreedt al gauw het terrein van de intolerantie.
E. L. DOCTOROW heeft Andersons theorie van de groteske in mei 1989 gebruikt in zijn toespraak tot studenten van de Brandeis University, een rede vol betrokkenheid en mededogen die al in Raster (nr. 48, 1989) stond en die Doctorow opnam in zijn essaybundel Jack London, Ernest Hemingway and the Constitution. Hij beklaagt zich tegenover zijn jonge publiek in de allercharmantste bewoordingen over het geestelijk klimaat van de Verenigde Staten, het conservatisme van de presidenten Reagan en Bush. 'Ik weet wel dat het van slechte manieren getuigt het erover te hebben. Het is irritant als iemand het heeft over het verlorengaan van samenhang in de maatschappij, het verlorengaan van morele waakzaamheid.’ Doctorow legt een verband tussen de 'nationale regressie’ van de jaren tachtig en 'het rovers- en machtsdenken van de negentiende eeuw’.
Het is een associatie die hij literair uitwerkt in zijn laatste twee historische romans: Billy Bathgate (1989) en The Waterworks (1994). Het zijn boeken over het 'gangsterdom van de geest’, zoals Doctorow Sherwood Andersons theorie van het groteske in zijn toespraak omschrijft. Als schrijver voelt Doctorow zich zeer aangetrokken tot dat gangsterdom, omdat het zo veel kan onthullen. De verteller in Billy Bathgate is een halve wees, een straatjongen in de Bronx (New York) van de jaren dertig, een 'jongen met mogelijkheden’ die zich zo zeer vereenzelvigt met de Al Capone-achtige gangster Dutch Schultz dat begrippen als goed en kwaad zich ophouden in de marge van zijn uitgekookte geest.
Voor Doctorows romans geldt wat Milan Kundera in zijn essaybundel Verraden testamenten als volgt omschrijft: 'Het opschorten van het morele oordeel is geen immoraliteit van de roman, het is zijn moraal. De moraal die zich verzet tegen de onuitroeibare menselijke gewoonte om onmiddellijk en zonder ophouden te oordelen, over iedereen, om te oordelen voor men begrijpt, en zonder te begrijpen.’
HET GANGSTERDOM in De watervang heeft verrassende gedaanten. Het is voorjaar 1871 in New York, het tijdperk van de corrupte 'Boss Tweed’, die het openbare leven beheerst, komt aan zijn einde. Er lopen weinig mensen rond die niet zijn op- of omgekocht. Een van hen is de verteller van een bloedstollend verhaal, een gothic novel die doet denken aan Edgar Allan Poe en de korte verhalen van Ambrose Bierce: de grens tussen dood en leven vervaagt en een vasthoudende, onkreukbare detective weet een medicus met magische eigenschappen die zijn tijd ver vooruit is te 'ontmaskeren’ als een manipulator van vlees, geest en geld.
Toch benadrukt de verteller van De watervang, McIlvaine, redacteur van het Telegram, dat zijn achteraf opgediste relaas over de verdwijning van zijn medewerker Martin Pemberton geen spookverhaal is. Daar is hij te ongelovig en te realistisch voor. En dank zij die waakzame werkelijkheidszin krijgt de lezer een beeld van het negentiende-eeuwse New York voorgeschoteld dat indrukwekkend is, alsof tientallen verstarde beelden in stoffige fotoboeken even tot leven komen.
KERN VAN Doctorows vertelling vormt de verdwijning van Martin Pemberton, getalenteerd recensent, 'criticus van zijn wereld en tijd’ en stiefzoon van de tycoon Augustus Pemberton. Die is rijk geworden dank zij de Amerikaanse Burgeroorlog - in de roman nadrukkelijk omschreven als een oorlog tussen de staten - en de slavenhandel. Kranteredacteur McIlvaine richt zich als achteraf-verteller tot een onbekende 'je’, de twintigste-eeuwse lezer. Hij presenteert 'de visioenen van een oude man’ die samen met de onkreukbare politieofficier Edmund Donne jacht heeft gemaakt op een primeur die uiteindelijk nooit in de krant terechtkwam, terwijl het toch zijn roeping was 'de chaos te kooien in kolomsgewijs op een krantepagina afgedrukte zinnen’. Vlak voor zijn verdwijning zag Martin Pemberton vlak bij het Croton-reservoir - het waterzuiveringsbedrijf op de hoek van Fifth Avenue en de 42ste Straat (waar nu de Openbare Bibliotheek staat) - in de regen een koets voorbijrijden met daarin zijn vader en andere oude mannen. Dat zou op zich niet zo vreemd zijn geweest, ware het niet dat zijn vader al een jaar dood was. Is de witte koets een spookwagen, een illusie?
Verteller McIlvaine bijt zich vast in zijn nieuwsgierigheid, zijn leven raakt verweven met wat hij vertelt. Hij rapporteert, hij verslaat wat hij ziet. En de stad, wat is de rol van de stad? 'De stad bundelt rampen. Dat kan niet anders. En de geschiedenis - ook waar - stapelt ze op.’ Voor de journalist in hart en nieren zit er niets anders op dan af te dalen in de onderwereld van de metropool om erachter te kunnen komen wie leeft en wie dood is.
Doctorow schept een schemergebied tussen dood en leven in zijn historische roman. In dat dubieuze laboratorium, waar hemel en hel lijken samen te vallen, heerst een medicus - dokter Sartorius - die in de oorlog tussen de staten naam heeft gemaakt als doortastend amputeerder van lichaamsdelen. Hij is zijn tijd vooruit en maakt gebruik van al die rijke oude mannen die de onsterfelijkheid van hun ziel in eigen hand willen nemen. Hij rekt het leven van zijn patienten door steeds meer uit lichamen weg te snijden. Maar wat blijft er over? Is dat nog wel echt leven of een vegeterend bestaan?
De medische kennis en praktische resultaten van dokter Sartorius lijken onbegrensd, maar voor de twintigste-eeuwse lezer die op de hoogte is van transplantatiekunst en genenmanipulatie is Sartorius geen medische duivelskunstenaar. Wat Sartorius praktiseert, de verbazingwekkende resulaten die hij boekt, komt hem heel bekend voor.
Een van de hoogtepunten in De watervang is het opgraven van het lijk van Martin Pembertons vader, althans, het is de bedoeling zijn dode lichaam te vinden. Dat er iets of iemand anders in zijn kist ligt, vermoedt de lezer wel, maar het fijne weet hij nog niet. De beschrijving van de inhoud van de doodkist, waar ik niets over zal zeggen, wordt precies lang genoeg uitgesteld. In Doctorow heeft Poe zijn evenknie gevonden.
DE WATERVANG is een historische roman waarin New York een hoofdrol speelt, of liever gezegd de donkere krochten en spelonken waarin corruptie, criminaliteit en kindermishandeling welig tieren. 'Dit is het verhaal over onzichtbare mannen, dode mannen of mannen die een onbestemd soort leven leiden… over mannen die verscholen zitten, zich hebben gebarricadeerd, in hun zelfgeschapen domein achter de dikke muren van de herenhuizen van New York.’
Doctorow laat zijn verteller functioneren als een scherpe waarnemer van details die later van groot belang blijken. Het zijn vaak bijzaken in het heetst van de strijd die opvallen, 'alsof we voor onszelf nog eens onze kern van onverantwoordelijkheid willen bevestigen’.
Het gangsterdom van de geest kan dan wel moreel verwerpelijk zijn, het oefent tegelijkertijd een enorme aantrekkingskracht uit op Doctorows personages, op zijn jongens en mannen met mogelijkheden. Zij raken besmet door de 'ervaring met de doodskiem van het weten’.
Die dubbelzinnigheid in zijn personages zorgt ervoor dat historische romans als Billy Bathgate en De watervang een beeld geven van een gecompliceerd verleden, een alarmerende geschiedenis waarin God tegelijkertijd het alter ego van de duivel kan zijn.