Kurt Schwitters (1887-1947)

‘Ganz Holland ist jetzt dada’

Kurt Schwitters was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de avant-garde in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, een tijd waarin de Europese artistieke voorhoede bruiste van internationalisme en vernieuwingsdrang. Zijn werk is te zien in museum Boijmans in Rotterdam.

In januari 1923 vond in Den Haag de uiterst rumoerige, eerste manifestatie van een dadaïstische veldtocht plaats. De avond werd geopend door Theo van Doesburg met de voordracht ‘Wat is dada?’. De voorman van De Stijl waarschuwde: ‘Dada: de schrik van den clubfauteuil-bourgeois (…), van den konijnenfokker!’ Daarna verscheen de Stijl-schilder Vilmos Huszár ten tonele met een mechanische pop met één rood en één groen oog, die hij een uiterst hoekige dans liet uitvoeren. Op de piano speelde Nelly van Doesburg de Bruiloftsmars voor een krokodil en de Militaire mars voor mieren. De pers sprak afwijzend van ‘herrieschoppers’ en een ‘zinloze clownerie’. Bovendien werd het optreden voortdurend onderbroken door gemiauw, gekef en gejank. De man die deze storende dierengeluiden maakte was de Duitse kunstenaar Kurt Schwitters. Hij droeg in Den Haag absurdistische verhalen voor en tot grote hilariteit van het publiek sloot hij de soiree af met een gedicht dat uit louter cijfers bestond. Alles wat anderen waardeloos vonden en wegwierpen, gebruikte Schwitters voor zijn kunst. Van tramkaartjes, krantensnippers, verpakkingen, stukjes draad of hout plakte en timmerde hij abstracte collages. Hij noemde zijn werk Merz, een naam die hij had ontleend aan een fragment uit een advertentie van de Kommerz- und Privatbank. Zijn Merz-concept paste Schwitters ook toe op de taal. Voor zijn gedichten verzamelde hij zinswendingen uit kranten en boeken of flarden van gesprekken die hij had opgevangen in trein of tram. De tentoonstelling Kurt Schwitters en de avant-garde geeft niet alleen een uniek overzicht van dit Merz-oeuvre, ook is werk te zien van verwante kunstenaars. Schwitters was bevriend met de dadaïsten Raoul Hausmann en Hannah Höch, verbonden met de kunstenaars rond de Berlijnse galerie en het tijdschrift Der Sturm en een van de oprichters van de Ring Neue Werbegestalter, een internationale vereniging voor reclamemakers en typografen.

In de zomer van 1921 leerde Schwitters Theo van Doesburg kennen in Weimar, waar de Stijl-kunstenaar tevergeefs een baan als docent aan het Bauhaus probeerde te krijgen. Hun vriendschap duurde tot de dood van Van Doesburg in 1931. Via hem leerde Schwitters veel andere Nederlandse kunstenaars kennen, zoals de dichtende en schilderende Friese schoenmakers Evert en Thijs Rinsema, de schrijfster Til Brugman en de ontwerper Piet Zwart. Schwitters bezocht Nederland meermalen. In ruil voor logies portretteerde hij zijn Nederlandse vrienden, want hij kon ook niet onverdienstelijk realistisch schilderen. Op zijn reizen bracht de immer berooide Schwitters steevast een grote koffer mee, waarin hij zijn half afgemaakte plaksels, een zak aardappelen en een primus vervoerde én zijn vondsten kon bewaren. Wie goed oplet, herkent ook voorwerpen uit Nederland in Schwitters’ Merz, zoals een tramkaartje van Leiden naar Voorburg. Hoewel Schwitters geen Nederlands sprak, schreef hij met Nederlandse woorden het gedicht De booten hebben zwarte schoorstenen. Zelfs het Fries verwerkte hij in een van zijn verzen.

De dadaïstische veldtocht – die na Den Haag een tiental andere steden aandeed – beschouwde Schwitters als de mooiste tijd in Nederland. Misschien wel omdat de voorstellingen altijd gepaard gingen met een enorm tumult. De toeschouwers joelden, schreeuwden of maakten net als Schwitters dierengeluiden. En Van Doesburg en Schwitters provoceerden het publiek door bij elke verstoring een ‘strafpauze’ van vijf minuten in te lassen. Sommige bezoekers verkleedden zich of namen kindermuziekinstrumenten mee, een aanzienlijk deel was beschonken; de publicist L.J. Jordaan sprak over ‘Bolsdadaïsten’. Bij elk optreden was de politie in groten getale aanwezig. De beste herinnering bewaarde Schwitters aan de avond in Utrecht waar een poging van het plaatselijke studentencorps om op het podium te klimmen en zelf een dadaïstische act te doen, uitliep op een knokpartij van het publiek. Schwitters vond het prachtig en helemaal in de geest van dada.

Wat de toeschouwers ontging was dat Van Doesburg en Schwitters zich juist profileerden als antidadaïstische dadaïsten. In 1923 was dada eigenlijk al weer op zijn retour, oprichter Tristan Tzara had de beweging een jaar tevoren met veel rumoer opgeheven. Wie ultramodern wilde zijn, kon zich in het artistieke veld daarom beter onderscheiden als ‘antidada’. Niet voor niets publiceerde Van Doesburg zijn dadaïstische gedichten onder het pseudoniem I.K. Bonset. Volgens Schwitters waren niet de artiesten dada, maar was het publiek dat. In zijn tijdschrift Merz concludeerde hij: ‘Ganz Holland ist jetzt dada’. De huisdichter van De Groene Amsterdammer Koos Speenhoff had het bij het rechte eind toen hij na de vertoning in het Amsterdamse Bellevue-theater in dit blad dichtte:
‘Niemand wil de waarheid hooren, en we maken reuze-gein,

Als de dadaïsten toonen, hoe dada we zelf wel zijn’.

………………………………………………………………………………………………………………………….

KURT SCHWITTERS IN BOIJMANS

Kurt Schwitters was een grote, charismatische kerel, reislustig, een mooie gek – geen wonder dat collega’s hem graag zagen komen. Op de thematentoonstelling in museum Boijmans Van Beuningen is van de opzwepende sfeer van de veldtocht van 1923 echter weinig meer te merken. Kurt Schwitters en de avant-garde is eerder respectabel dan ontwrichtend – de golvende wanden, nagebouwde Merzbau (een totaal-installatie die als een constructivistische klimplant Schwitters’ huis in Hannover overwoekerde), en (irritante) geluidsinstallatie ten spijt. Het is een lot dat uiteindelijk alle avant-gardekunst treft: wat ooit spannend, stuitend, schokkend was, oogt honderd jaar na dato gewoontjes, ja vaak zelfs een beetje stoffig. De nieuwheid is verdampt. Het verrassingseffect uitgewerkt. Wat overblijft is de vorm.

En dan komt het erop aan. Is die vorm interessant genoeg? In het geval van Schwitters kunnen we daar kort over zijn: dat was ze niet. Een vergelijking met zijn tijdgenoten valt vrijwel altijd uit in het voordeel van die tijdgenoten. Schwitters’ abstracte doeken ogen schraal en onbeholpen naast die van Lyonel Feininger, zijn collages verbleken bij die van Hanna Höch en zijn affiches kunnen niet tippen aan die van Jan Tschichold. De Merz-kunstwerken, collages van tramkaartjes, krantenknipsels en andere rommel, zijn saai en duf en muf, vooral als je er tien naast elkaar ziet. De wandsculpturen lijken veel op wat ik zelf op de middelbare school produceerde toen we van de handenarbeidleraar een Memphis-meubeltje na moesten maken – mijn meubeltje was beter. Soms is kunst een verheviging van het leven. Bij Schwitters is het precies andersom. De volgeschreven zakagenda’s en adressenboekjes in de vitrine zijn zijn beste kunstwerk.

STEFAN KUIPER

Kurt Schwitters en de avant-garde_, Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, tot en met 28 mei_

http://www.boijmans.rotterdam.nl