Gapend hiaat

Afgelopen zondag heeft omroep Max het eerste deel uitgezonden van de documentaire Archief van tranen, over de wreedheden van Indonesiërs tegen Nederlanders en Chinezen in de Bersiap-periode, die geduurd heeft van midden 1945 tot 1947. Daarbij zijn naar schatting twintigduizend slachtoffers gevallen; 3500 regelrecht vermoord en vierduizend door honger en uitputting om het leven gekomen. Toevallig, door de vondst van een paar foto’s waarop Nederlandse ‘excessen’ te zien zijn, zou het er nu op kunnen lijken dat er een soort revanche wordt genomen. Zo is het niet. De makers, Lia van der Molen en Michiel Praal, hebben twee jaar aan de film gewerkt.

Zoals uit de reacties, zowel op de onlangs gevonden foto’s en de documentaire van Ad van Liempt, Nederland valt aan, als op deze film blijkt, is de slotfase van onze koloniale geschiedenis nog altijd een oorzaak van heftige meningsverschillen. Daarbij gaat het dan overwegend om de gevolgen van de politieke daden, hoe de strijd verliep, wat er met de verslagen strijders gebeurde. De diepere oorzaken van onze vier jaar vergeefse oorlog aan de andere kant van de wereld, de redeneringen waardoor de grote meerderheid van het Nederlandse volk, verarmd en in een geplunderd land, bereid bleek zich tot de volgende oorlog aan de andere kant van de wereld te laten verleiden, is een vraagstuk dat nog altijd onze publieke opinie grotendeels ontgaat. En toch is dit de kern van het probleem. De laatste verantwoordelijkheid voor alle toestanden die nog altijd onze verontwaardiging wekken en waardoor opnieuw verbitterde ruzies ontstaan, ligt bij de politieke elite en de opiniemakers van die periode.

Ondanks de ervaring van vijf jaar Tweede Wereldoorlog werd Nederland in 1945 nog steeds geleid door provinciaal denkende politici, zoals ook voor de Duitse overval. Het Indonesische nationalisme is niet na de oorlog ontstaan. In het begin van de jaren twintig werd de Perhimpunan Indonesia, de onafhankelijkheidsbeweging, opgericht, met een van de leidende figuren Mohammed Hatta. Later kreeg hij in Nederland de reputatie van ‘gematigd’, maar voor de oorlog werd hij gearresteerd. In 1927 werd in Brussel het congres tegen het imperialisme gehouden. Albert Einstein was erevoorzitter; van Nederlandse kant namen Henriëtte Roland Holst en de communist David Wijnkoop eraan deel. We kunnen nu in ieder geval niet zeggen dat het volk er toen niets van heeft geweten. Maar de politieke en een groot deel van de intellectuele elite was volstrekt onontvankelijk voor zulke signalen.

Een vooraanstaande Indonesische nationalist was voor de oorlog Sutan Sjahrir. Geen radicale revolutionair. Maar naar Nederlandse maatstaven was hij lastig. In 1936 werd hij gearresteerd en naar ons concentratiekamp in Boven Digoel, Nieuw-Guinea verbannen. Onder het pseudoniem Sjahrazad heeft hij een boek geschreven, Indonesische overpeinzingen. Ik citeer: ‘Eén ding is wel zeker. Een oorlog gaat ditmaal ook ten koste van Nederland. En de acht miljoen Nederlanders zowel als de zeventig miljoen Indonesiërs zijn militair gelijk aan nul te stellen. Erger nog: Nederlanders en Indonesiërs hebben elkaar leren wantrouwen. Maar de Hollandse kleinburger kan niet anders dan bekrompen en kortzichtig zijn.’ Dat was ruim voor we door Hitler weer in de wereldpolitiek werden betrokken.

Bij de Soevereiniteitsoverdracht in 1949 werd tegen de ernstigste waarschuwingen in besloten dat West-Nieuw-Guinea voorlopig nog onder Nederlands gezag zou blijven. Ex-gouverneur-generaal H.J. van Mook zei dat dit besluit de toekomstige verhoudingen zwaar zou belasten; admiraal A.S. Pinke vond dat we onszelf daarmee een molensteen om de nek hingen. Vergeefs. Niets was opgewassen tegen de rancuneuze vastberadenheid van de VVD, de CHU, de KVP en de verwante media. Zo is het laatste bedrijf van het Indonesisch-Nederlandse drama begonnen. Dat heeft elf jaar geduurd. Ten slotte hebben we ons vliegdekschip de Karel Doorman nog naar het Verre Oosten gestuurd om Djakarta op betere gedachten te brengen. Ook vergeefs. Van alle nobele plannen, de democratisering van de Papoea’s, het zelfbeschikkingsrecht, is niets terechtgekomen.

De vraag voor de historici is hoe het mogelijk is geweest dat het Indonesisch drama in een zo mateloze verwarring, zo’n bizarre tragikomedie heeft kunnen eindigen.

Er zijn wel veel bronnen. W.L. Oltmans heeft een sleutelrol gespeeld in het tot stand komen van de ‘ínformele betrekkingen’ en daarvan een dagboek bijgehouden. In Dr. L. de Jongs geschiedenis van het Koninkrijk vinden we een betrouwbare feitelijke samenvatting. Maar nog altijd is er gedetailleerde geschiedenis waarin de sleutelrol van minister Joseph Luns wordt beschreven en hoe de rechtse media, De Telegraaf en Elseviers Weekblad, de politieke stemming bepaalden.

Het lijkt me een prachtig onderwerp voor een proefschrift. Gegarandeerd, je haalt er de voorpagina’s mee en misschien wordt er een televisie­documentaire van gemaakt.