Hoe Den Haag 2,9 miljard verspeelde aan de ‘gasrotonde’

Gaslasten

Groningen beeft en verzakt. De aardgasbaten dalen en de schade neemt toe. Intussen werkt de overheid lustig aan een geldverslindende ‘gasrotonde’. De ministeries van Financiën en Economische Zaken verspeelden 2,9 miljard euro in een strategie zonder einddoel.

Medium hh 20779002

Het zalmroze hoofdkantoor van Gasunie torent hoog uit boven de stad Groningen. Door de schuine hoeken, de verschillende hoogtes en de ligging in een weelderig groen stadspark staat het ook wel bekend als de ‘Apenrots’. De organische bouwstijl verbeeldt de gedachte dat gaswinning moet worden gezien als een natuurlijke verbintenis met de omgeving.

Onder het gebouw, in een controlekamer met muren van twee meter dik beton, houden medewerkers van Gasunie hun ogen continu gericht op een tiental monitoren. De druk in de leidingen, het afsluiten van kleppen bij een gaslek, de invoer en uitvoer naar het buitenland, het wordt allemaal aangestuurd vanuit deze aardbeving- en bomvrije bunker. Elke maand is er een calamiteitenoefening, maar in het vijftigjarige bestaan van Gasunie is er nog nooit iets grondig misgegaan. ‘Even afkloppen’, zegt Roelof Jeuring lachend. De ‘baas van de bunker’, zoals zijn collega’s hem noemen, wijst op een kaart van het Nederlandse gasnet. In installaties bij Ommen en Wieringermeer mengt Gasunie stikstof bij om gas uit de Noordzee, Rusland en Noorwegen op Groninger kwaliteit te brengen. ‘We onderzoeken hoe dat gas de rol van het Groningenveld eventueel kan overnemen’, vertelt Jeuring, ‘maar dan moeten we de capaciteit van die installaties verdubbelen en dat vergt bijbouwen.’

Al vijftig jaar is aardgas, en vooral het enorme gasveld onder de provincie Groningen, de smeerolie van de Nederlandse economie. Het heeft de staatskas 265 miljard euro opgebracht en ook Shell en ExxonMobil, die samenwerken in het productiebedrijf nam, kunnen jaarlijks grote winsten bijschrijven.

Toch lijkt de tijd van de grote Groninger gaswinsten binnen een afzienbare periode voorbij. De gasbel van Slochteren is voor driekwart verbruikt en de aardbevingen in Groningen dwingen de nam om de winning op een lager pitje te zetten. De nationale aardgasbaten zullen daardoor dit jaar zevenhonderd miljoen euro lager uitvallen en de overheid moet honderden miljoenen uittrekken aan schadevergoedingen.

Het zal nog zeker dertig jaar duren voordat het gas echt op is, maar om ook dan nog geld met gas te kunnen verdienen, heeft de overheid in 2005 de zogenoemde ‘gasrotonde-strategie’ ontwikkeld: Nederland moet uitgroeien tot een knooppunt in de Europese gashandel en het Europese gastransport.

Een decennium later oogt een tussentijdse evaluatie van deze strategie problematisch. De kosten zijn zeer hoog en de opbrengsten onzeker. Zo heeft de overheid 2,82 miljard euro betaald voor de nationalisering van Gasunie, die vervolgens acht miljard euro heeft geïnvesteerd in (buitenlandse) pijpleidingen, ondergrondse gasopslag en een handelsbeurs voor gas. Van deze miljarendeninvesteringen kan zo’n twee miljard euro als verloren worden beschouwd. Bovendien liep de overheid nog eens een half miljard aan dividend mis en moest er vierhonderd miljoen aan grootgebruikers worden terugbetaald.

Meteen al bij de nationalisering van Gasunie in 2005 ging het mis. De staat kocht het vijftig-procentbelang van Royal Dutch Shell en ExxonMobil in het Nederlandse gasnet en betaalde daarvoor minstens achthonderd miljoen en mogelijk zelfs twee miljard euro te veel (zie kader ‘De waarde van het Nederlandse gasnet’). Toen Gasunie als staatsbedrijf vervolgens op buitenlands avontuur ging, verspeelde ze 1,8 miljard euro bij de aankoop van een Noord-Duits gasnet dat eigendom was van – wederom – Shell en ExxonMobil.

Voor dit miljardenverlies ten faveure van Shell en ExxonMobil is politiek niemand verantwoordelijk gehouden. Bij de miljarden euro’s aan afwaarderingen op het Noord-Duitse gasnet bleef de aandeelhouder, het ministerie van Financiën, geheel buiten schot. De verantwoordelijkheid voor dit debacle lag volgens het departement geheel bij de directie en de commissarissen van Gasunie.

Tot de dag van vandaag houden de ministeries van Financiën en Economische Zaken ook vol dat er niet te veel is betaald voor Gasunie. Tegen beter weten in, zo blijkt uit documenten die De Groene Amsterdammer via de Wet openbaarheid bestuur kon inzien en uit gesprekken met betrokkenen. Interne memo’s zeggen dat ‘deze prijs niet meer kan worden terugverdiend’.

Op 1 augustus 2007 ontvangt Gasunie een brief van zakenbank Credit Suisse. Shell en ExxonMobil bieden beb te koop aan, een dochterbedrijf dat in Noord-Duitsland een netwerk van drieduizend kilometer aardgasbuizen exploiteert. De pijpleidingen lopen van de Nederlandse grens tot Berlijn en voeren gas aan uit Noorwegen en Rusland, landen met ’s werelds grootste gasvoorraden. Gasunie aast al meer dan een jaar op deze overname. Behalve over het Nederlandse gasnet beschikt ze over een pijpleiding naar Engeland en een belang in de Russische pijpleiding Nord Stream. Nu kan ze in één klap uitgroeien tot een van de grootste Europese gastransporteurs. Ze moet wel haast maken. Shell en ExxonMobil eisen binnen vijf weken een eerste bod.

Gasunie heeft sinds 2005 één aandeelhouder, de Nederlandse rijksoverheid. Op het ministerie van Financiën is Wouter Raab, in april 2007 benoemd tot directeur staatsdeelnemingen, verantwoordelijk voor investeringen boven de honderd miljoen euro. De beoogde miljardeninvestering in het buitenland is niet alleen nieuw voor Gasunie maar ook voor Raab. De raad van bestuur van Gasunie stuurt hem eind augustus 2007 een memo met de belangrijkste argumenten voor de aankoop van het Noord-Duitse gasnet. Het bestuur belooft dat de overname de aandeelhouder helemaal niets gaat kosten. ‘Eindelijk weer eens iets om nationaal trots op te zijn’, aldus het bestuur.

Op de zestiende verdieping van het hoofdkantoor van Gasunie luisteren de vier bestuursleden van Gasunie begin september naar een presentatie van J.P. Morgan, die ze hebben aangetrokken als adviseur en als geldschieter. De Amerikaanse zakenbankiers schatten de waarde van beb tussen 1,8 en 2,2 miljard euro. Omdat meer dan twintig bedrijven interesse hebben, adviseert J.P. Morgan een hoog openingsbod. De bankiers raden Gasunie ook aan om twee topcommissarissen uit de BV Nederland, Peter Elverding (topman van dsm) en Kees van Lede (oud-topman van Akzo) naar minister van Financiën Wouter Bos te sturen. Die kunnen de minister overtuigen van het nut van de overname, al is niet duidelijk hoe de lobby precies verlopen is. Gasunie brengt op 7 september 2007 een indicatief bod uit van 2,2 miljard euro.

Het is de aankoop waar Marcel Kramer, bestuursvoorzitter van Gasunie, al langer op aast. Kramer is een paar jaar eerder door de overheid binnengehaald als de nieuwe topman van het Nederlandse gasbedrijf. De voormalige ambtenaar van het ministerie van Economische Zaken was via de energieafdeling van de Navo en het International Energie Agentschap in Parijs opgeklommen tot president van Statoil Venezuela (een dochter van het Noorse staatsoliebedrijf). Die internationale ervaring en zijn relatief jonge leeftijd – begin vijftig – maakten hem uitermate geschikt om de ambitieuze gasrotonde-strategie van Den Haag uit te gaan voeren en Gasunie uit te bouwen tot een Europese speler van formaat.

We ontmoeten Kramer op de vierde verdieping van een kantoorpand aan de Amsterdamse Zuidas. Sinds zijn vertrek bij Gasunie, in de zomer van 2010, werkt hij voor het Russische Gazprom. Kramer ziet eruit als iemand die gewend is de lakens uit te delen – rechte schouders, kin geheven. Hij is trots op zijn werk voor de Nederlandse gassector en laat dat merken: op een van zijn revers prijkt het lintje dat hij kreeg toen hij bij zijn afscheid als ceo van Gasunie werd benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.

In de zomer van 2005 begon de toen kersverse topman van Gasunie met een geheel nieuwe raad van bestuur. De handelsactiviteiten waren kort daarvoor afgesplitst in een nieuw bedrijf met de naam GasTerra, zodat Gasunie zich geheel kon concentreren op de activiteiten in het transport. Het staatsbedrijf had behalve het volledige eigendom van het Nederlandse gasnet ook belangen in een pijpleiding naar Engeland. Kramer en zijn nieuwe bestuur vroegen bureau McKinsey om advies over de toekomstige strategie en bekeken in dat verband ook mogelijke investeringen in het buitenland. Het oog viel vooral op de aangrenzende gasnetten. Marcel Kramer: ‘We hebben al vrij snel beslist dat we geen wilde sprong zouden maken naar bijvoorbeeld Griekenland, ook al was dat rendabel. Het was eerder een kwestie van kralen rijgen.’

Het bestuur belooft dat de overname de aandeelhouder helemaal niets gaat kosten: ‘Eindelijk weer eens iets om nationaal trots op te zijn’

Voor dat rijgen kon beginnen, gooide kartelwaakhond NMa (Nederlandse Mededingingsautoriteit) roet in het eten. De zojuist doorgevoerde splitsing van het Nederlandse ‘gasgebouw’ in een handels- en een transportpoot moest de weg vrijmaken voor meer handelsbedrijven op het gasnet en dus voor meer concurrentie. Om een gelijk speelveld te creëren mocht de eigenaar van het gasnet, Gasunie, niet zelf de transporttarieven bepalen. Dat recht was toevertrouwd aan de onafhankelijke toezichthouder NMa (onlangs opgegaan in de acm). De hoogte van de transporttarieven – die een deel van onze maandelijkse gasrekening uitmaken – hangt logischerwijze samen met investeringen, afschrijvingen en onderhoudskosten, en daarmee met de waarde van het gasnet. Eind augustus 2005 stelde de NMa die waarde vast op 4,8 miljard euro – veel minder dan de transactiewaarde van 6,4 miljard euro die Gasunie in de boeken had staan en die gebaseerd was op de uitkoop van Shell en ExxonMobil (zie kader ‘De waarde van het Nederlandse gasnet’).

Hoe hoger de bedrijfswaarde van Gasunie, hoe makkelijker het gasbedrijf geld kon lenen voor buitenlandse investeringen. Als Nederland echt wilde uitgroeien tot de gasrotonde van Noordwest-Europa moest die waardering blijven staan op 6,4 miljard euro, zo vonden Gasunie en ook het ministerie van Financiën. Bovendien: een lagere waardering zou leiden tot lagere transporttarieven, zodat het langer zou duren voor de uitkoop van Shell en ExxonMobil was terugverdiend. Economische Zaken was ook verrast door de lagere NMa-waardering. Het ministerie was namens de staat verantwoordelijk voor de nationalisering van Gasunie en ging ervan uit dat ook de onafhankelijke toezichthouder de uitkoopwaarde van Shell en ExxonMobil als uitgangspunt voor de waarde van het gasnet zou nemen. Toen dat niet het geval bleek, en de NMa niet van mening wilde veranderen, schroefde EZ-minister Maria van der Hoeven in maart 2007, na overleg met minister Bos van Financiën, na een zeer ongebruikelijk besluit de waarde van het Nederlandse gasnet weer op tot 6,4 miljard euro. De toezichthouder had maar te gehoorzamen.

Een half jaar na de ingreep van Van der Hoeven heeft Gasunie’s openingsbod van 2,2 miljard euro op het Noord-Duitse beb-netwerk succes. Op 28 september 2007 valt in Groningen een brief op de deurmat dat Gasunie met negen andere kandidaten door is naar de tweede ronde. Die zal anderhalve maand later plaatsvinden, dus het wordt tijd om wat preciezer te bepalen wat beb waard is. Verkopers Shell en ExxonMobil zijn niet scheutig met informatie. Begin oktober geven ze in een Holiday Inn Hotel in Hannover een drie uur durende presentatie. De overnamekandidaten mogen ieder vijf vragen stellen, maar krijgen niet alle gewenste antwoorden.

Intussen is het ministerie van Financiën aan het Korte Voorhout in Den Haag toch nog niet helemaal overtuigd van de wenselijkheid van de aankoop. Op 16 oktober 2007, drie weken voordat Gasunie het finale bod moet indienen, ontvangt directeur financieringen Wouter Raab bestuursvoorzitter Marcel Kramer. In een voorbereidend memo schrijven zijn ambtenaren sceptisch: ‘Gasunie is immers nu [al] aangesloten op dit netwerk, waarom zou het beb moeten opkopen?’ Vanwege de departementale rolverdeling zou deze strategievraag in eerste instantie moeten worden beantwoord door Economische Zaken, dat immers verantwoordelijk is voor het gas(rotonde)beleid. Maar Raab vraagt EZ niet om een mening. Hij raadpleegt evenmin de NMa, hoewel die als toezichthouder van het Nederlandse gasnet de benodigde expertise in huis heeft om de waarde van het Noord-Duitse beb goed in te schatten.

Pas na de ontmoeting met Kramer informeert het ministerie van Financiën bij Economische Zaken of de aankoop past in het publieke belang. EZ wil in het kader van de gasrotonde-strategie zo veel mogelijk buitenlandse gasstromen naar ons land halen. Met de prestigieuze aankoop van het Noord-Duitse gasnet krijgt het internationale gasbeleid concreet gestalte.

De overheid ziet het niet als haar taak om te onderzoeken of grote veranderingen in de Duitse gassector invloed zullen hebben op de waarde van de beoogde aankoop. Een uiterst naïef standpunt, want precies in deze periode verschijnt in Duitsland een onafhankelijke toezichthouder op het toneel. De BundesnetzAgentur (BNetzA) is een uiterst actieve waakhond. Zij heeft eerder flinke tariefverlagingen afgedwongen in de Duitse post en telecommunicatie. In 2007 krijgt zij, naar analogie van de Nederlandse NMa, ook het toezicht op het Duitse gastransport. De eigenaren van beb, Shell en ExxonMobil, beseffen maar al te goed dat het een kwestie van tijd is voor de Duitse gastransporttarieven omlaag zullen gaan.

‘Je had weinig invloed meer op de gas[transport]prijzen. Als die omlaag gaan, betekent dat minder rendement op de pijpleiding en een activiteit zonder toegevoegde waarde moet je op een gegeven moment afstoten’, bevestigt Dick de Jong, voormalig president van de Europese gasdivisie van Shell. De twee olieconcerns zetten dan ook het netwerk zo snel mogelijk in de etalage.

Medium hh 20617089

Anno 2013 zegt Matthias Kurth, de voormalige directeur van de BNetzA, dat ook Gasunie Duitse tariefverlagingen moet hebben verwacht. ‘We hadden hierover een zeer open relatie.’ Kurth, een kalende man met een gestileerd ringbaardje, zegt dat hij een paar keer met hooggeplaatste medewerkers van Gasunie heeft gesproken over stevige ingrepen in de Duitse gastransportsector. Hij wijst er telefonisch vanuit het Brusselse kantoor van zijn huidige werkgever Cable Europe op dat de Duitse gasnetten behoorlijk op leeftijd waren. Er was al veel op afgeschreven. ‘Voor een twintig jaar oude auto kun je toch ook geen nieuwprijs vragen?’ zegt hij met bulderende stem. Gasunie vreesde inderdaad tariefdalingen en daarmee een mogelijk snelle afwaardering van beb. Topman Kramer wilde in het koopcontract een clausule laten opnemen waarin zo’n afwaardering voor rekening zou komen van de verkopers. Shell en ExxonMobil wezen dit voorstel echter resoluut af.

Kramer laat in het gesprek met De Groene Amsterdammer weten dat zijn toenmalige baas, het ministerie van Financiën, nauw bij dit deel van de onderhandelingen betrokken is geweest. ‘Natuurlijk is er discussie over geweest, intern, met de commissarissen en met de aandeelhouder.’ Het ministerie van Financiën weerspreekt deze bewering en stelt dat het voor een voldongen feit is gesteld. Hoewel iedere betrokkene dus beseft – of althans kan vermoeden – dat beb snel minder waard kan worden, rijdt de overnametrein verder. Op 23 oktober, twee weken voor Gasunie het finale bod moet indienen, vraagt Financiën het Londense bureau lek om een oordeel. Een uiterst ‘tight time frame’, vinden de Britse consultants. Een van hen vertelt in een telefonisch interview: ‘Het was slightly unusual dat wij niet werden gevraagd voor een onafhankelijk boekenonderzoek, we leverden commentaar op het boekenonderzoek dat al was uitgevoerd.’

lek aanvaardt de opdracht wel en brengt zijn rapport op 7 november in bij Financiën, twee dagen voor het sluiten van de bieding. In het rapport waarschuwt lek dat de voorgenomen prijs van 2,2 miljard euro ‘overgewaardeerd’ kan zijn wanneer er geen rekening wordt gehouden met mogelijke onzekerheden over de toekomstige Duitse transporttarieven. Wie toch zo’n bedrag wil neertellen, moet daarvoor dus goede strategische redenen hebben. Volgens de Directie Financieringen was lek echter niet gevraagd om een oordeel te geven over de overnameprijs en ze neemt deze waarschuwing dan ook niet mee in haar advies aan minister Bos.

De Directie Financieringen adviseert minister Bos om akkoord te gaan met een maximum bod van 2,225 miljard euro. Directeur Raab vindt wel dat het bestuur van Gasunie alle verantwoordelijkheid voor de aankoop moet nemen. De topambtenaar laat zijn minister in een interne memo weten: ‘We hebben aangegeven te verwachten dat de RvB (raad van bestuur van Gasunie – red.) zal aftreden als de overname zijn strategische waarden niet zal weten te realiseren.’ Een brief met dezelfde boodschap gaat naar de topman van Gasunie, Marcel Kramer.

De overheid wil wel pronken met de overname, maar als die tegenvalt, trekt ze haar handen er bij voorbaat van af. Wouter Bos – die in die periode veel grotere deals aan zijn hoofd heeft, zoals de overname van ABN Amro door een consortium onder leiding van Royal Bank of Scotland, voor 72 miljard euro – geeft groen licht. Twee dagen later is Gasunie de gelukkige eigenaar van het Noord-Duitse gasnet. Shell en ExxonMobil ontvangen er 2,15 miljard euro voor.

Een klein jaar later wordt duidelijk dat de beide concerns de verkoop van hun bezit uitstekend getimed hebben. Op 23 oktober 2008 maakt de BNetzA bekend dat de Duitse transporttarieven in de voorgaande jaren te hoog zijn geweest. Door deze en andere ingrepen van de Duitse toezichthouder moet Gasunie in een jaar tijd zevenhonderd miljoen euro op het Noord-Duitse gasnet afboeken. Omdat in het koopcontract geen afwaarderingsclausule zit, kan het bedrijf Shell en ExxonMobil niet aansprakelijk stellen. Het bestuur van Gasunie laat de aandeelhouder bij brief van financieel directeur Henk Chin Sue weten: ‘Gasunie Deutschland (de holding waar BEB onder valt – red.) zal lobbyen voor een beter reguleringsregime. Met als stok achter de deur dat we anders niet zullen investeren, waardoor de leveringszekerheid in Noord-Duitsland en Denemarken in het geding komt.’ Toezichthouder Matthias Kurth van de BNetzA is niet onder de indruk. De tariefverlagingen en efficiencykortingen die hij beb heeft opgelegd, blijven van kracht.

Een jaar later volgt een nieuwe klap. In juni 2010 verwijst de Nederlandse bestuursrechter het besluit van Economische Zaken om de waarde van het Nederlandse gasnet eigenhandig vast te leggen op 6,4 miljard euro (de transactiewaarde die voortkomt uit de uitkoop van Shell en ExxonMobil in 2005) naar de prullenbak. Alleen de NMa mag die waarde en de daarmee samenhangende transporttarieven vaststellen; Economische Zaken mag zich hier niet meer mee bemoeien, aldus de rechter.

De overname- kandidaten mogen ieder vijf vragen stellen, maar krijgen niet alle gewenste antwoorden

De gevolgen zijn stevig. De NMa komt na een herberekening opnieuw uit op de 4,8 miljard euro die ze eerder heeft bepaald. Die verlaging leidt tot afboekingen van bijna zevenhonderd miljoen euro op het Noord-Duitse gasnet en tweehonderd miljoen op het Nederlandse gasnet. Omdat Gasunie op basis van de te hoge waardering te hoge prijzen heeft gerekend, moet ze bovendien vierhonderd miljoen terugbetalen aan Nederlandse grootverbruikers. De staatskas schiet er bij dit alles een half miljard bij in. In 2011 kan Gasunie geen dividend uitkeren – in de jaren 2006-2010 lag dat tussen de 300 en 450 miljoen euro – en in 2012 loopt het terug naar 221 miljoen euro. Met dank aan de oud-ministers Maria van der Hoeven Wouter Bos en Gerrit Zalm Laurens Jan Brinkhorst (als ministers van Financiën respectievelijk Economische Zaken verantwoordelijk voor de nationalisering van Gasunie).

Als gevolg van de perikelen in Duitsland en in eigen land moet Gasunie in drie jaar 2,5 miljard euro afboeken en verlies nemen. Topman Marcel Kramer maakt die ellende niet meer mee. Hij dient zijn contract uit bij Gasunie en vertrekt in de zomer van 2010 naar South Stream, een gastransportdochter van het Russische Gazprom. In de twee jaar daarna verdwijnen ook de drie andere bestuurders van het toneel.

Het ministerie van Economische Zaken zwijgt als het graf over de affaires. Financiën laat de beb-overname bekijken door het gerenommeerde Amerikaanse financiële onderzoeksbureau American Appraisal. Het rapport verschijnt in november 2012 en wijst de dan al vertrokken bestuurders van Gasunie aan als schuldigen van het beb-debacle. Zij zouden onwelgevallige informatie over het Noord-Duitse gasnet hebben verzwegen voor de commissarissen en de aandeelhouder. De drie commissarissen die ten tijde van de beb-overname in functie waren, stellen hun zetels beschikbaar. Zo wordt het pijnlijke hoofdstuk rond Gasunie’s miljardenverlies formeel gesloten.

Hans Coenen, de huidige directeur strategie van Gasunie en tevens financieel directeur Gasunie Duitsland, denkt dat zijn bedrijf de verliezen en afboekingen op beb ‘op de heel lange termijn’ wel kan terugverdienen. ‘Maar vraag me niet of het binnen tien jaar kan’, voegt hij toe.

In aansluiting op American Appraisal richten ook Het Financieele Dagblad en de Volkskrant hun pijlen op de voormalige bestuurders van Gasunie. Ze bestempelen de unie als incompetent, hebzuchtig en blind voor enig risico. De ministeries van Economische Zaken en Financiën blijven in de betreffende artikelen buiten schot.

Ten onrechte, vindt Marcel Kramer. De oud-topman van Gasunie heeft meer dan een jaar gezwegen. Tot heden. ‘Er is nooit informatie achtergehouden, dat is pertinent onwaar’, zegt hij in het gesprek met De Groene Amsterdammer: zowel de commissarissen van Gasunie als de topambtenaren van Financiën waren op de hoogte van de financiële risico’s van de overname van het Duitse gasnet. Kramer lijkt het bewijsmateriaal aan zijn zijde te hebben, getuige de memo van topambtenaar Raab, die hem al bij voorbaat verantwoordelijk maakte, en vooral het rapport van het Londense adviesbureau lek, dat het ministerie van Financiën uitdrukkelijk heeft gewezen op de risico’s van de aankoop.

Het ministerie van Financiën houdt vol dat het onvolledig is geïnformeerd door Kramer en zijn medebestuursleden en verwijst daarvoor naar het American Appraisal-rapport. Dat rapport zwijgt echter over de voorgeschiedenis van de beb-aankoop. Misschien heeft Gasunie niet alle mogelijke waarderingen van het Noord-Duitse gasnet (gelijktijdig) aan Financiën gepresenteerd, het ministerie is door lek wel uitdrukkelijk gewezen op de mogelijke overwaardering van het Noord-Duitse gasnet. Dat leidt tot de conclusie dat het ministerie van Financiën medeverantwoordelijk is voor de miljarden euro’s aan afboekingen.

Kramer is zeker ambitieus geweest. Maar ook Economische Zaken en Financiën hebben de gasrotonde-strategie heilig verklaard. De beide ministeries claimen dat Nederland via de aankoop van beb is uitgegroeid tot een belangrijk knooppunt van internationale gasstromen. Maar wat dat Nederland oplevert, is totaal onduidelijk. Tot nu toe hebben alleen Shell en ExxonMobil financieel geprofiteerd van de Nederlandse ambitie om het gasknooppunt van Noordwest-Europa te worden. De verkoop van de Nederlandse en Duitse gasnetten heeft hun vijf miljard euro opgeleverd, die uiteindelijk door de Nederlandse belastingbetaler en gasgebruiker zullen moeten worden opgebracht.

De waarde van het Nederlandse gasnet

De Nederlandse staat heeft achthonderd miljoen en misschien wel meer dan twee miljard euro te veel betaald bij de uitkoop van Shell en ExxonMobil uit het Nederlandse gasnet. Die uitkoop vindt plaats in juli 2005, na twee jaar moeizaam onderhandelen. De overheid betaalt de bedrijven, die samen de helft van de aandelen in bezit hebben, 2,82 miljard euro en neemt een schuld van 0,78 miljard euro over. Uitgaande van deze transactie stelt Gasunie de waarde van het gasnet in haar boeken dan op twee keer 2,78 miljard (overnamesom die op 1 januari 2005 is vastgesteld) plus de schuld = 6,4 miljard euro. Een maand later komt de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) maar op 4,8 miljard euro, ruim anderhalf miljard euro lager. De NMa gaat niet uit van de transactieprijs, maar van een boekwaarde op basis van de historische uitgaven, waarop een indexatie is toegepast (de zogenoemde reële historische uitgaven). Volgens de NMa is deze methode in de EU het meest gangbaar en was het belang van Shell en ExxonMobil maar twee miljard waard, achthonderd miljoen minder dan de overheid heeft betaald.

De vraag of de overheid niet te veel heeft betaald voor het net is altijd blijven rondzingen. In 2010 valt SP-Kamerlid Paulus Jansen toenmalig minister van Financiën Jan Kees de Jager erover lastig. In documenten die wij via de Wet openbaarheid bestuur in bezit kregen, wijzen zijn ambtenaren De Jager erop dat het ministerie van Economische Zaken nog steeds pal achter de aankoopprijs staat, ‘hoewel (…) deze prijs niet meer kan worden terugverdiend’. Deze opmerking is niet te vinden in het uiteindelijke antwoord van minister De Jager aan de Kamer. Er is zelfs reden om te stellen dat de staat meer dan twee miljard te veel heeft betaald voor het vijftig-procentsbelang van Shell en ExxonMobil. De boekwaarde op basis van werkelijk betaalde historische kostprijzen, dus zonder correctie voor inflatie, werd door Gasunie zelf in het jaarverslag van 2004 (een jaar voor de uitkoop) bepaald op 920 miljoen euro. Zo bezien was het belang van de concerns dus maar 460 miljoen waard en geen 2,78 miljard.

Falende adviseurs

Ook enkele adviseurs zijn medeverantwoordelijk voor het miljardenverlies van Gasunie. Het gasbedrijf heeft bij de overname van het Noord-Duitse gasnet een tiental externe experts geraadpleegd waarvan een aantal overduidelijk heeft gefaald. Het accountantsbureau PriceWaterhouseCoopers was niet op tijd klaar met de boekhoudcontrole van het Noord-Duitse BEB. Hierdoor kon de externe adviseur van het ministerie van Financiën, het Londense bureau LEK, deze informatie niet meenemen in zijn advies.

Het meest opmerkelijk is de rol van de Amerikaanse zakenbank J.P. Morgan. Die was niet alleen de belangrijkste adviseur van Gasunie, maar ook verantwoordelijk voor de transactie. J.P. Morgan had dus als adviseur een direct belang bij een geslaagde overname. De Amerikaanse zakenbank adviseerde Gasunie hoog in te zetten en dat advies werd ruiterlijk opgevolgd. Het onderzoek dat het ministerie van Financiën later liet uitvoeren, adviseert in de toekomst niet louter af te gaan op waarderingen die zijn opgesteld door adviseurs met een mogelijke ‘dubbelrol’. Na verschijning van dit onderzoek schrijven ambtenaren van Financiën aan minister Jeroen Dijsselbloem dat het ‘voor de hand [ligt] dat het ministerie voorlopig geen relatie met deze bank aangaat’.


Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Voor meer informatie zie hier. Bekijk ook de website van De Onderzoeksredactie.

Beeld: (1) Gasunie, aardgastransportleiding. Laswerkzaamheden onder de rook van Schiphol (Elmer van der Marel/HH). (2) Groningen, uitgeput aardgasveld met afgesloten boorputten (Siebe Swart/HH).