Gasthuis satan

Vorig jaar schreef de regeringsgetrouwe Iraanse krant Keyhan Hawaie een prijsvraag uit. Schrijf een verhaal over de angst van Salman Rushdie voor de fatwa, luidde de opdracht. Het verhaal van Hassan Khadem is een van de kandidaten voor de eerste prijs. Hierbij een ingekorte versie. Ter gelegenheid van de zevende verjaardag van de fatwa.
Vertaling: Koushiar Parsi
SALMAN STAAT voor het gasthuis. Hij heft zijn hoofd op en kijkt goed. Plotseling lichten zijn ogen op. Het bord van het gasthuis verrast hem. ‘Gasthuis Satan!’ Hoe is het mogellijk? Een glimlach komt op zijn lippen en hij gaat naar binnen. Via een smalle gang stuit hij op een lange man met een oude, droge glimlach op zijn lippen.
-Goedemiddag meneer.
-Goedemiddag, kan ik u helpen?
-Ik wil een kamer.
-Hoeveel nachten?
-Alleen vanavond.
-Identiteitskaart alstublieft.
-O… ja… neemt u me niet kwalijk.
Salman zet zijn koffer neer en haalt een zwarte portefeuille uit zijn zak en haalt er een kaart uit.
-Alstublieft.
De man neemt zijn zonnebril af en brengt de kaart naar zijn ogen. Salman kijkt om zich heen. Ineens voelt hij een diep genot tot in het diepste van zijn hart. Wat ziet hij? Het boek The Satanic Verses! Wat doet zijn boek hier? Hij wordt overweldigd door een gevoel van trots. De receptionist geeft de kaart terug en staart naar zijn gezicht.
-Alstublieft. Ik ben blij om u ontmoet te hebben.
Salman neemt de kaart, doet die in de zak van zijn overhemd en pakt zijn koffer weer.
-Ik ook… Neemt u me niet kwalijk, maar mag ik vragen hoe dit boek…?
De receptionist pakt het boek en streelt het: ‘O ja… natuurlijk… wat een toeval! Vandaag is een dag vol verrassingen… Eigenlijk heb ik het niet gekocht. Het is een lang verhaal. Laat ik u eerst naar uw kamer brengen… Kamer 420, komt u maar mee.
-Salman loopt achter hem aan.
-Mag ik u vragen wat het verhaal was?
'Vijf dagen geleden’, zegt de man, ‘kwam er een reiziger hier. Hij vroeg een kamer voor twee nachten. Alle kamers waren vol, behalve deze kamer… Misschien zult u me niet geloven, maar zijn naam was ook Sal man… Hij pakte de sleutel en ging meteen naar zijn kamer. Sindsdien heb ik hem niet meer gezien. Twee nachten gingen voorbij, drie nachten, vier… Op de vijfde dag, vandaag dus, zag ik dat de sleutel van kamer 420 niet op zijn plaats was. Ik realiseerde me op dat moment dat de jongeman verdwenen was. Ik ging meteen naar boven. Ik riep zijn naam. Het was vreemd. Ik kreeg geen antwoord, maar hoorde een harde lach. Ik ging naar binnen en tot mijn verrassing zag ik dat de jongeman verdwenen was, geen briefje of zo… Behalve dat boek dat u op mijn bureau zag. Het lag op het bed. Ik had niet gedacht dat ik op dezelfde dag de schrijver van het boek zou ontmoeten. Wat een verrassing!’
-Ja… het is echt verrassend.
Salman loopt achter de man aan als een schaduw. Zij nemen een kleine en smalle trap en gaan een andere gang door en vervolgens weer door een slangvormig trappenhuis. Plotseling staat de man stil en keert zich naar Salman om. ‘Hier is uw kamer. Alstublieft.’
De deur gaat open. De man gaat achter Salman de kamer binnen en drukt op de lichtknop. De kamer heeft een rond plafond en vier zuilen in de vier hoeken. Onder het raam staat het bed en op het kleine nachtkastje staat een zwarte telefoon naast een radio. In de linkerhoek zijn de douche en wc en rechts staat een oude bank, vlakbij de klerenkast. Er hangt een grijs gordijn voor het raam en de vloer is met een oud tapijt bedekt.
-Als u iets nodig hebt, bel dan nummer 5.
De receptionist draait zich om in de richting van de deur en staat even stil. Hij neemt zijn bril af en staart Salman in de ogen.
-Het is beter om de deur te sluiten.
-Waarom? Heeft dat een speciale reden?
-Uit voorzorg.
-Hoezo? Ik weet niet waar u het over hebt.
-Heeft u dan het nieuws niet gehoord vandaag?
-Ja, nee, wat is er gebeurd?
-Ik weet niet, hoe moet ik het zeggen, maar in ieder geval moet u het weten. U bent ter dood veroordeeld. U kunt beter voorzichtig zijn.
Plotseling laat een geheime kracht het hart van Salman harder kloppen. In zijn hoofd zoemt iets en machteloosheid sluipt in zijn aderen.
-Nee, dat moet een misverstand zijn. Hoe is het mogellijk? Wat heb ik misdaan?
-Uw boek is veroordeeld… deze Satanic Verses. Vanaf vandaag bent u ter dood veroordeeld. Pas goed op uzelf. Doe de deur op slot.
Salman zucht diep, veegt het zweet van zijn voorhoofd en zegt: ‘Ik had alles verwacht, behalve dit. Het zal wel een misverstand zijn. Ik weet zeker dat het dat is.’
-Het schijnt dat u godslasterlijke dingen hebt geschreven.
-Wat een argument. Ik ben vrij, hoort u mij? Ik kan alles schrijven wat ik wil… Heeft u het boek gelezen?
-Ik ben het aan het lezen.
Salman veegt zijn natte voorhoofd af, er komt een koude dodenglimlach op zijn lippen.
-Godslasterlijk, wat dan?
-Ik moet gaan. Pas op uzelf. Vertrouw niemand vanaf nu. Ik hoop dat u vanavond rustig slaapt…!{ { DE MAN VERWIJDERT ZICH met luide stappen, maar plotseling klinkt er een harde lach in de gang. Salman doet snel de deur op slot.
Vanachter de deur luistert hij. Hij hoort zijn hart kloppen met angstige, langzame slagen. Hij voelt zich in de deur smelten. Hij schreeuwt zijn angst uit en trekt zich terug. Hij loopt om de bank heen en leunt tegen de zuil vlak naast het bed. Hij denkt: is de klank die mijn oren bereikt, afkomstig uit mijn angstige fantasie?
Hij luistert aandachtig, tot hij het geluid van de avond kan onderscheiden. Maar steeds trekt het krachtige geluid van een zware voetstap zijn aandacht. Hij maakt zich los van de zuil en gaat nieuwsgierig achter de deur staan en luistert.
Zijn hart staat stil. Met gespitste oren hoort hij het geluid van de ademende muur, het zachte trillen van de gordijnen en de bewegingen van de nacht. Maar er is niets meer van de voetstappen te vernemen.
Ineens begint de klink te draaien. Tegelijk klopt er iemand op de deur: ‘Meneer Rushdie…’
-Ja…
-Ik heb uw diner…
-Even wachten.
Hij draait de sleutel om en opent de deur. Twee vlammen verbranden de ogen van Salman. Salman heeft geen kracht in zijn benen en wordt sprakeloos.
-Alstublieft.
Het is een jonge bediende die een blad met eten op de tafel naast de telefoon zet en zonder op Salman te letten voor de deur gaat staan.
-Als u iets nodig hebt, belt u mij dan. Mijn kamer is aan het eind van deze gang, laatste deur links. Goedenavond.
-Goedenavond.
De jonge bediende doet zijn ogen dicht en gaat de kamer uit. Salman komt tot zichzelf en haast zich naar de deur. Hij doet de deur weer op slot.
Het tumult in de ziel van Salman valt weg en ineens voelt hij zich vrij. Hij zucht en gaat naar het eten. Vlakbij de bank komt er een afschuwelijk geluid uit zijn keel.
-Rot op… He, ga weg.
Een zwarte raaf die op zijn bord zat, vliegt in de kamer rond en gaat door het raam naar buiten. Hij doet het raam dicht. Hij ademt moeilijk en kijkt naar zijn bord. Een biefstuk die voor de helft door de raaf is opgegeten.
Hij gaat op het bed zitten, maar staat weer op en pakt het boek The Satanic Verses uit zijn koffer en opent het. Zonder te lezen bladert hij het door. Plotseling komt de duizeligheid van de slaap tot hem.
{ HET IS BIJNA MIDDAG en Salman zwemt in de felle zon. Met zijn vader zwom en waste hij zich in de rivier de Gang. Maar het is lang geleden dat hij heeft gezwommen, omdat hij niets wil weten van het water dat heilig is en vermengd is met de oude sprookjes en prachtige verhalen over de goden…
Het kolkende geweld der goden strengelt zich als een slangachtig gewas om zijn naakte lichaam. Zijn angstige adem blijft in zijn borstkas steken en voordat hij de rand van de rivier kan bereiken, verdwijnt hij als een machteloos slachtoffer in het geweld van het water. Salman luistert naar het breken van zijn botten in de onpeilbare diepte van de heilige stroom en naar de geluiden van de dieren.
Hij draait zich opzij en het lijkt of de druk van het water hem nog steeds beet heeft. Zijn borstkas knalt uit elkaar en een schreeuw komt uit zijn keel. Hij wordt wakker terwijl hij zwembewegingen maakt met zijn handen.
-Wat een droom was dat! Ik werd er ademloos van. Het is nu pas half negen. Het lijkt wel of ik uren heb geslapen. Thee zou nu echt lekker zijn. Wat was het nummer?
Salman gaat naar de telefoon en neemt de hoorn op. Hij draait nummer vijf en meteen herinnert hij zich zijn moeder die zegt: ‘Satan heeft vijf letters en Engel ook. Had je dat al bedacht?’
{ DAN DRAAIT HIJ zich om en ziet ineens een man voor het raam staan, met zijn rug naar hem toe. Salman kucht:
-Pardon… meneer…
-Goedenavond, meneer Rushdie.
Twijfelend en bang gaat Salman naar voren. De vreemde man draait snel naar hem toe. ‘Leuk om u te zien.’
De man omhelst hem zonder op zijn reactie te wachten en drukt hem tegen zijn borst. Salman kijkt in het fakirachtige gezicht van de man en wordt suf. Zijn lichaam wordt heet en zijn ogen gaan dicht. Wanneer hij zijn ogen weer opendoet, staat de man schouder aan schouder naast hem. Het lijkt alsof ze alle twee, zittend op een vogel, boven de donkere aarde vliegen.
-Mijn naam is Tamas… onthoudt dat goed.
-Waar ben ik… waar brengt u mij heen?
-Niet bang zijn.
-Ik ben bang. Waar zijn we hier? Wat is dat voor een geluid?{ De angstaanjagende geluiden van de nacht slaan tegen het hoofd van Salman als een zweep. Tamas zegt: ‘Salman, luister goed. Vanaf nu ben ik als jouw schaduw. Ik ben altijd bij je. Het is beter dat je aan me went. Komt u maar zitten.’
Zij zitten. De vreemde man staat op en schenkt thee in. De vreemde man zet de theekop op de kleine tafel voor de bank.
-Dank u…
-Wat is er, maak je je zorgen over iets?
-Nee…
-Zeg wat je wilt, ik luister…
-Ik weet het niet. Misschien vergis ik me.
-Het is beter om te praten, misschien kan ik je helpen.
-U, niet uw naam, maar uw gezicht ken ik, denk ik. Ik heb het gevoel dat ik u ergens heb gezien.
-Zo… zeg dan maar welke indruk u van mijn gezicht heeft…
-Eigenlijk kan ik het me niet goed herinneren… Maar u lijkt op een Indiase fakir! Uw blik is betoverend, uw lange haren, uw baard, uw blik, alles doet me denken…
-Maar u herkent me nog steeds niet?
-Nee…
-Denk je niet dat je nauwe banden met me hebt?
-Nauwe banden? Denkt u…?
-Ja, zonder twijfel.
Salman is aan het twijfelen gebracht. Hij kijkt de kamer rond en zijn blik blijft op de tafel rusten. Het boek ligt er niet meer…
-Het is vreemd, ik weet zeker dat ik het daar heb neergelegd.
-Wat is vreemd?
-Het boek. Ik heb het boek naast de telefoon gelegd, maar nu is het er niet meer.
-Het verrast me dat u het resultaat van uw eigen denkbeelden niet herkent.
-Wat? Ik begrijp u niet.
Salman staat op en kijkt goed onder de tafel, in zijn koffer, onder het bed en gaat wanhopig weer zitten.
-Het lijkt of je erg moe bent, klopt dat?
-Ja, heel erg…
-Dus kun je beter gaan slapen. Ik kom terug.
-Misschien ziet u mij niet meer. Morgen ga ik er vandoor… Ik ga naar Londen, om tien uur ‘s ochtends.
-Tot morgen is een lange weg natuurlijk…
Salman zegt niets meer. De vreemde man gaat weg. Salman wil iets zeggen, maar weet niet wat. Hij weet zich geen raad. Eindelijk komt er iets op zijn lippen. Hij draait zich om, maar tot zijn verrassing is er niemand meer. De man is weg, maar hoe? Via de deur of de muur? Plotseling slaat de klok en het geluid is zo hard dat het een tijdje in het hoofd van Salman doordendert.
{ NA EEN PAAR UUR wordt Salman wakker uit een diepe slaap. Hij is suf en duizelig. De gebeurtenissen van de afgelopen nacht komen weer op in zijn hoofd. Hij springt op van zijn bed en kijkt rond. Hij ziet niets. Zijn kamergenoot is er niet. De deur is dicht. Alleen het verdwenen boek houdt zijn gedachten bezig. Hij zit op bed en wrijft over zijn hoofd.
-Het is acht uur. Ik heb nog maar twee uur de tijd.
Onmiddellijk staat hij op en gaat naar de badkamer. Hij wast zijn gezicht en maakt zich klaar om te gaan.
-Vreemd. Wat is er eigenlijk gebeurd? Misschien is de vorige gast teruggekomen en heeft het boek meegenomen.
Vanuit de gang hoort hij de andere gasten. De voetstappen maken hem niet meer bang, de waarschuwingen van de gastheer lijken hem als een droom die niet waar is. Zelfverzekerd neemt hij zijn koffer en gaat naar de deur. Hij draait de sleutel om. Zonder hem te groeten gaat de vreemde man vlak voor hem langs. Salman kijkt verbaasd.
-Goedemorgen, meneer Tamas, bent u nog niet weg?
-Waarheen? Ik ga nergens heen zonder u.
Salman kijkt hem verbaasd aan.
-Het spijt me, ik heb u niet goed begrepen.
-Je hebt je lang genoeg van de domme gehouden. Weet je niet in wat voor situatie je terecht bent gekomen?
-Waarover hebt u het? Wie bent u?
-Je moet mij goed kennen.
-Nee, ik ken u niet. Ik moet zo snel mogelijk weg.
-Oke, ga maar.
Salman, verbaasd over de vreemde man en zijn gedrag, draait zich om en wil de kamer uit, maar hij kan niet bewegen. Hij probeert het nog een keer, maar zijn voeten lijken twee stukken steen. Ineens voelt hij de angst en schrik als een lawine op zijn hoofd vallen. Smekend keert hij zich weer om naar de vreemde man… ineens kan hij weer bewegen. Bevend van angst stottert hij: 'Wie bent u? Laat me met rust. Wat wilt u van mij? Ik smeek u. Ik moet weg.’
Tamas, de vreemde man, geeft hem een klap in het gezicht. Een hete vlam schiet door het hoofd van Salman. Hij kijkt de man in de ogen en plotseling pakt deze de pols van Salman, zo hard dat de koffer uit zijn hand valt.
-Je moet goed luisteren. Je bent wegens je godslasterlijke geschriften ter dood veroordeeld. Nu moet je goed naar mij kijken. Ken je mij of niet? Ik ben de belichaming van je Satanic Verses. Kom hier. Je gaat nergens heen. Kijk goed.
Door een vingerwijzing van de vreemde man gaat ineens het gordijn open en daarna het raam. Salman kijkt naar buiten. De angstaanjagende beelden van de afgelopen nacht hangen nog steeds op het scherm van de hemel. De wolken bewegen en mengen zich met elkaar. De lichte maan verdwijnt achter de boze wolken. De zwarte raaf komt op de vensterbank zitten, met de helft van de biefstuk nog in de snavel. Alle geheimzinnige geluiden van de nacht komen op Salman af. Salman schreeuwt zo hard van schrik dat de echo alle schreeuwen in zijn diepste innerlijk wakker maakt.
De duistere eindeloze nacht van het leven van Salman was begonnen.