Gat

Het begon een jaar of zeven geleden, vier meter naast mijn voordeur. Eerst was er alleen een ondiepe kuil te zien, waarin wat tegels wegzakten. Daarna breidde het zich uit tot iets dat aan een bescheiden bouwput deed denken. Ik improviseerde een waarschuwingshekje (‘Pas op: gat!’) en belde de gemeente. Tot mijn verbazing reed er de volgende morgen een grote wagen vol mannen de straat in. De ongebruikelijke snelheid van deze reactie verhoogde direct de status van het gat, vond ik. Alsof men bij de gemeente vermoedde dat dit het begin kon zijn van iets groters, van een gestaag oprukkende, slurpende leegte. Wat als ik niet gebeld had?

Er volgde een operatie waar ik, door koffie en koekjes te regelen, een beetje deel van uit kon maken. Er werden zandzakken uit de wagen getild en grote hamers klaargelegd. Twee mannen begonnen de tegels uit het gat te halen. Daarna werden de wanden van het gat voorzichtig beklopt en bevoeld door iemand die duidelijk de ploegleider was. Het leek alsof hij zocht naar iets, maar het niet kon vinden. Hij schudde vermoeid zijn hoofd en klom weer omhoog. ‘We gaan de boel opvullen’, zei hij. ‘Maar we weten niet wat de oorzaak is.’ Hij nam een koekje en doopte het in zijn koffie. De andere mannen begonnen zand in het gat te storten. Heel veel zand. Daarna sloegen ze de tegels op hun plek. ‘Denkt u dat het zo opgelost is?’ vroeg ik de ploegleider. Die keek even bedachtzaam naar de lucht. Toen zei hij: ‘We moeten afwachten.’ Een mooie, houdbare zin vond ik dat. Een uitspraak die altijd klopt. We moesten afwachten en dat deden we dus. Maar na drie maanden zat het gat er ineens weer. En een half jaar later opnieuw. Sindsdien manifesteert het zich met merkwaardige regelmaat en voert in zijn kielzog ook de mannen mee, met hun zandzakken en hamers. Ik zet dan steevast koffie, deel koekjes uit en luister naar de ploegleider. Het is een man van kleine waarheden.

Laatst zei hij: ‘Vroeg of laat houdt het op.’ En ik knikte, als een kenner.