Gat in de lucht

Annie Makkink en Marit T”rnqvist, Helden op sokken. Uitg. Querido, 120 blz., Ÿ29,90 ..LE Geen grotere schrijfkunst dan verhalen maken voor kersverse lezers. Technisch struikelen die nog in elke zin, maar net als iedere lezer zoeken ze spanning en verstrooiing, gelegenheid om te huilen, te lachen of na te denken. Helaas is er weinig opwindends aan wat Ed Leeflang ooit in een gedicht zo mooi typeerde als ‘de veeleisende roman: Ans eet. Eet Kees?’

Met Helden op sokken schreef Annie Makkink zo'n roman op beginnende lezershoogte, zij het niet voor het allereerste begin. Het verhaal speelt zich af in de tijd van kolenkachels, olielampen en wastobbes, en vanaf de eerste zin is het familie van het sprookje: ‘Lang, heel lang geleden, toen de worst en het spek aan de zoldering hingen en de dieren nog wat te vertellen hadden.’ Toen leefden er eens tien broers en ÇÇn zusje op een plek die onmiskenbaar Nederlands is, want ze heten Hendrik, Berend, Teunis en Willemijn en ze eten hutspot met klapstuk, boerenkool met worst en spek met bonen.
Feministisch is het boek ook. De stoere broers gaan elke dag de wijde wereld in, op zoek naar avontuur. Zus mag nooit mee, want: 'De heuvels zijn te hoog. Het bos is te donker. De hei is te stil. Het veld is te vrij. En het meer is te diep. Onpeilbaar diep. En vol van gevaar.’ En bovendien, wie zou er dan het huis schoonmaken en het eten koken? Maar wanneer het er een keer echt om spant, blijkt het meisje de ware held van de familie te zijn - en niet op sokken. Die heeft ze als praktische vrouw namelijk eerst uitgetrokken, om in het onpeilbaar diepe meer de toverbal te redden uit de hebberige poten van de Bullebak.
Makkinks achtergrond als onderwijzeres en auteur van een leesmethode maakt dat zij de zwakheden van haar publiek precies kent. Haar kracht is dat ze haar heil niet zoekt in de simpelste ÇÇnlettergrepigheid, maar vooral in herhaling van wat op het eerste gezicht moeilijk is. Zo keren uitdrukkingen als 'nooit ofte nimmer’ en 'als de wiedeweerga’ steeds terug, wat het effect heeft van een soort bezweringsformule. De breed uitgemeten vertelling heeft alle tijd, en daarbij draagt de schrijfster regel voor korte regel haar eigen verrukking over de taal uit. Ritmisch als po‰zie zijn die regels, met zorgvuldig gekozen woorden. Wanneer er iets veelbelovends in de lucht hangt heet het: 'Het is een gevoel van flieren en fluiten. Van achterstevoren en binnenstebuiten.’ En overal zitten uitdrukkingen verstopt - honger als een paard en eten als wolven, een oplawaai verkopen of over koetjes en kalfjes praten - waarmee het boek samen met de boerenkool en de pannekoeken stevig in de vaderlandse bodem wortelt.
En al die leesvreugde wordt nog aanzienlijk verhoogd door de stortvloed aan gedetailleerde en vaak grappige aquarellen van Marit T”rnqvist. Haar beelden bevatten net zulke echo’s van vroeger als de tekst: zusjes klompen en schort, de kachel en de kolenkit. En achter het etende gezin om de grote tafel schemeren zowel Afke’s tiental van Cornelis Jetses als Van Goghs Aardappeleters. Zo kon een boek ontstaan waarbij heel lezen lerend Nederland een gat in de lucht mag springen.