Gaten in de wereld slaan

In haar romandebuut Harpie vraagt Hannah van Binsbergen zich af hoe je feministisch kunt zijn als vrouwenhaat diep geïnternaliseerd is.

Hannah van Binsbergen herneemt de thema’s die in de tweede feministische golf aan de orde werden gesteld © Sanja Marušic

In 1914 schreef een toen nog piepjonge Walter Benjamin over een verlangen naar het heilige, in een essay getiteld ‘De religieuze houding van de nieuwe jeugd’. Eerdere generaties stonden volgens Benjamin nog voor heldere morele dilemma’s; het religieuze levensgevoel viel toen samen met de inhoud van de keuze. In zijn eigen tijd constateert Benjamin een andere situatie: de jeugd staat tegenover een chaos die alle ‘keuze-objecten’ opslokt. Hij stelt: ‘(De jeugd) verlangt naar niets zo vurig als naar een keuze, de mogelijkheid van een keuze, naar een heilige beslissing in het algemeen.’ Het vurige verlangen naar de mogelijkheid van een keuze: het is de spil waar ook Harpie, de debuutroman van Hannah van Binsbergen, om draait.

Ik zou eigenlijk niet goed weten waar Harpie mee te vergelijken is; het boek danst ergens tussen een woedende scream of consiousness, een droogkomisch sprookje en een binnenstebuiten gekeerde Bildingsroman. De schrijver weet in dit debuut soms opmerkelijk raak te formuleren, is soms duidelijk nog op zoek naar de eigen vorm, maar hoe dan ook fascineert Harpie in al zijn ongepolijstheid vanaf de eerste pagina. De tekst is grotendeels een dialoog tussen de jonge vrouwelijke hoofdpersoon Harpie en Satan. Dit duiveltje is een voortdurend van vorm veranderend figuurtje dat uit Harpie’s bloed tevoorschijn komt gekropen nadat ze haar polsen heeft doorgesneden. Satan probeert Harpie te verleiden tot een ja-zeggen tegen het leven, maar voordat dat kan, moet eerst ook de dood opnieuw een mysterie worden. Harpie leeft namelijk als kind al met ‘de vanzelfsprekendheid van eigenlijk al dood zijn’, niet omdat haar iets vreselijks overkomen is, maar omdat ze in Nederland in een gemiddeld gezin is geboren.

Harpie is eveneens een boek over vrouwenhaat, sadomasochisme, over de vraag of je op de bodem van een volstrekt gecommodificeerd verlangen een moment van bevrijding kunt vinden. Genadeloos legt Van Binsbergen bloot hoe onze eigentijdse goedbedoelde progressieve seksuele voorlichting op geen enkele manier tot de kern weet door te dringen van het taboe op seksualiteit. We lezen hoe voor Harpie seks al op heel jonge leeftijd de enige manier was om los te breken uit een gevoelsleegte, omdat in extreme seks dat veronderstelde ‘zelf’, waar ze toch niets mee aankan, achteloos verspeeld kon worden. Deze roman gaat beslist niet over een vrouw die haar eigen seksuele kinks ontdekt, geheel volgens het progressieve narratief van de zelfontplooiing. Voor seks zijn alleen nog de meest harde pornoclichés beschikbaar, die des te opwindender zijn omdat ze radicaal het idee van een ‘ontluikende seksualiteit’ en ‘eigen verlangens’ uitwissen. Harpie wordt opgewonden als mannen haar soms nogal hardhandig dwingen tot orale seks. In geen van de expliciete seksscènes wordt omgekeerd beschreven hoe een man moeite doet haar lichamelijk op te winden: dienstbaarheid lijkt de plaats te zijn waar haar opwinding zichzelf veilig kan manifesteren. Als ze veertien jaar oud is, stapt ze doelbewust op de spreekwoordelijke enge man in het bos af en laat zich door hem neuken, terwijl ze op dat moment nog niet eens ongesteld wordt. Dat patroon zet het hele boek door. Harpie werpt zich zonder enige vorm van zelfbehoud in relaties met vrouwenhatende mannen, als ‘een vergrijp tegenover zichzelf’. Alsof de vernietiging van de vrouwelijke subjectiviteit maar beter uit jezelf kan voortvloeien. Dat lijkt minder erg dan als een bang konijn te moeten wachten tot de enge man in het bos je op een onbewaakt moment vindt.

Het boek scheert zo rakelings langs het hedendaagse paranoïde rechtse verhaal over de geëmancipeerde vrouw, dat stelt dat die vrouw deze seksuele emancipatie weliswaar met de mond belijdt en opeist, maar op lichamelijk niveau helemaal niet wil, dat ze niet kan wachten tot ze de brave geëmancipeerde westerse man een mes in de rug kan steken, omdat haar seksuele wezen erom vraagt om door een macho onderdrukt te worden. Daarom is die voortdurende dialoog met Satan van wezenlijk belang, omdat dit merkwaardige figuurtje een alternatief biedt voor enerzijds de neerwaartse spiraal van woedende masochistische zelfdestructie, en anderzijds de leegte van progressieve opgewektheid. Dat is de religieuze kern van Harpie: het opnieuw uitgraven van de notie van het kwaad.

Harpie werpt zich in relaties met vrouwenhatende mannen als ‘een vergrijp tegenover zichzelf’. Alsof de vernietiging van de vrouwelijke subjectiviteit maar beter uit jezelf kan voortvloeien

Waar Harpie bezwijkt onder de druk haar identiteit te moeten vormgeven in een wereld die alleen clichés in de aanbieding heeft, daar is het kwaad nadrukkelijk iets dat niet gaat over individuele keuzes. Als er een duister in de wereld is dat groter is dan de optelsom van goede of slechte keuzes, dan is dáár ook de mogelijkheid tot een ‘heilige beslissing’. In gesprek met Satan krijgt dat kwaad langzaam contouren, als hij Harpie de opdracht geeft om ‘in het duister je draden te spinnen, te zoeken naar wat over de rand van de particuliere zonde voelbaar is. Een ontsnapping’.

Al wil ik niet in een al te hoogdravend register over dit boek schrijven. Harpie is hartverwarmend klunzig in haar pogingen een min of meer volwassen beroepsleven op poten te zetten, een leven waarin tosti-ijzers en Jos van de verkoop een plaats moeten krijgen. Het boek begint op het moment dat ze is gestopt met de studie geschiedenis. Ze moet haar studieschuld aflossen en kamerhuur betalen, en probeert dan maar het hoofd boven water te houden door werk als prostituee te combineren met een geestdodend baantje als receptioniste. Die dubbele baan lijkt de vraag op te werpen welke ‘verkoop’ van jezelf eigenlijk ingrijpender is: in ieder geval kan Harpie meer van haar creativiteit kwijt in haar sekswerk dan in de wereld van bullshit jobs. Waar in romans van dertigers als Franca Treur en Nina Polak de personages niet écht financiële angst kennen en dus rustig uit een vervelende baan wegwandelen, daar is denk ik bij twintigers van nu iets anders aan de hand. Hier spreekt het levensgevoel van een generatie die moet leven met schulden. Schulden die zo snel kunnen oplopen dat ze je volledig opslokken en uit de middenklasse duwen. Ook Harpie leeft met een bodemloze financiële paniek.

De zinnen van Van Binsbergen hebben een ritme dat soms aan Renate Dorrestein doen denken. Ook in haar spottende gebrek aan eerbied voor een hoge literaire stijl (er wordt gerept over ‘de tanga aan de wilgen hangen’) zag ik geestverwantschap. Die vormelijke weerklank is vermoed ik geen toeval: dit boek gaat op inhoudelijk niveau heel expliciet een dialoog aan met het feminisme van de tweede golf. Harpie benoemt haar onvermogen zich positief te identificeren met vrouwen – en dan met name oudere vrouwen die een voorbeeld voor haar zouden moeten zijn. Neem Harpie’s innerlijke tirade tegenover haar bazin Anja (die vast niet toevallig haar voornaam met Anja Meulenbelt deelt): ‘Weet je wat het is? Ik haat vrouwen, Anja. Ik haat hoe vrouwen tegenover elkaar staan en ik haat hoe vrouwen tegenover mannen staan. Ik haat het dat jij er een bent en ik haat het nog meer dat ik er een ben. Maar boven alles haat ik wat ik moet doen om mezelf van een man te bevrijden. Vrouwen kussen de hand die ze slaat, vrouwen blijven bij mannen die hun kinderen verkrachten, vrouwen spugen op hoeren maar laten zichzelf tot de onbetaalde hoer en schoonmaakster van een man maken. Als ik het kon, zou ik mijn hand in mijn kut steken en alle vrouwelijkheid er tot de laatste resten uit rukken.’

De weerzin over het behoren tot een onderdrukte groep, het onvermogen om te komen tot een ondubbelzinnige solidariteit: Van Binsbergen herneemt de thema’s die in de tweede feministische golf aan de orde werden gesteld. Er zijn passages in Dorresteins Het perpetuum mobile van de liefde die zowel stilistisch als inhoudelijk niet veel verschillen van Harpie’s tirade. Toch is er tegelijkertijd een cruciaal verschil met de feministische literatuur van de generatie van Dorrestein. Van Binsbergen opent haar boek met een citaat van Mark Fisher, auteur van Capitalist Realism: Is There No Alternative? Fisher analyseert daarin hoe de neoliberale ideologie zich in de diepste krochten van onze intieme levens genesteld heeft. Het neoliberale subject is zijn leven gaan beschouwen als een volstrekt geïndividualiseerd project. Zelfs de geestelijke hulpverlening heeft primair tot doel mensen die vastlopen weer klaar te stomen voor het beroepsleven, terwijl onze banen ondertussen in toenemende mate van betekenis worden ontdaan. Zo wordt er een wereld geschapen waarin een alternatief voor het kapitalisme niet eens meer voorstelbaar lijkt, omdat mensen hun eigen identiteit als zo’n kapitalistisch project zijn gaan zien.

Het denken van Fisher duikt op in de uitspraken van Satan, die hoopt dat Harpie ophoudt zichzelf te beschadigen, en in plaats daarvan ‘begint met gaten in de wereld te slaan’. De connectie tussen de vraag hoe nog feministisch te zijn als vrouwenhaat zo diep geïnternaliseerd is, en de vraag hoe kapitalisme-kritiek te bedrijven als een alternatief nauwelijks voorstelbaar is, is specifiek voor onze tijd.

Het motto van Fisher zal ook om een veel minder abstracte reden gekozen zijn. Hij schreef openlijk over zijn depressies, waarvan hij de oorzaak niet alleen zocht in zijn individuele omstandigheden. Voor hem was zijn geestelijke pijn nauw verweven met de grotere structuur van de neoliberale orde. In 2017 benam hij zichzelf het leven. Harpie begint met een zelfmoordpoging en eindigt met een volstrekt unieke vorm van gesprekstherapie. Ik las Harpie overigens niet als een gefictionaliseerd autobiografisch relaas over een crisis, maar wél als een boek waarin een geïsoleerd bewustzijn tot spreken komt. In dat spreken wordt gezocht naar verlichting van geestelijk lijden, gezocht naar het doorbreken van een zeer schadelijke vorm van eenzaamheid. Van Binsbergen gaat zo naar de kern van de huidige epidemie van geestelijk leed; tegelijkertijd barst het boek van een oorspronkelijke literaire vitaliteit. Dat is ergens een mirakel, zonder meer hoopgevend, en boven alles een geschenk aan de lezer.