Gaten in ‘t wegdek

Ik gun Bernard Dewulf de Libris Literatuurprijs voor zijn Kleine dagen, maar waarom moet weer een Vlaming ‘onze’ literaire prijs winnen? Ik bedoel dit niet wildersiaans, maar meer een beetje geërgerd. Kunnen we niet gelijk oversteken: wij de Libris en zij de Gouden Uil?

Want omgekeerd geldt hetzelfde: meestal gaat een Nederlandse schrijver er met de Vlaamse literaire prijs vandoor. Het is allemaal terug te voeren op een wederzijds minderwaardigheidscomplex. En een gezonde portie zelfhaat. Niemand bekroont liever een schrijver die hij zomaar op straat of in de kroeg tegen kan komen. En wij omarmen graag de exotische medemens, in ieder geval als het op kunst aankomt. Om die neiging bij voorbaat enigszins in te dammen worden de wederzijdse jury’s bevolkt door één ‘allochtoon’: in de Vlaamse jury zit steevast één Nederlander, in de Nederlandse één Vlaming. Zij bewaken de nationale standaard, opdat niet opeens een of andere lokale liedjeszanger er met de poet vandoor gaat.
Al die Vlamingen op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, ze deden pijn aan mijn ogen. De Belgen zijn nu eenmaal beter… Ammehoela. Wij denken dat de Belgen beter zijn, omdat ze een andere taal schrijven, in een andere tongval. De staat waarin hun wegen verkeren, de gaten in ‘t wegdek, het feit dat je in Antwerpen permanent het riool ruikt, het draagt allemaal bij aan de pittoreske authenticiteit, maar ook de rauwe ploerterigheid, waarmee wij de Belgen zo graag omhangen. Alles valt in onze ogen in het niet bij de Vlaamse verbaliteit en geletterdheid.
Enige tijd geleden werd ik uitgenodigd voor een forumdiscussie naar aanleiding van het uitreiken van de Inktaap, de Vlaams-Nederlandse scholierenprijs voor het beste literaire boek, en alle clichés kwamen weer bovendrijven als stukken witvis in Gentse waterzooi. Niet in de laatste plaats bij mijzelf overigens. De plaats van handeling was een groot modern cultureel centrum in Antwerpen. Of nee, ik moet beginnen met wat aan de dag zelve voorafging. Het heerlijk zachte Vlaamse timbre dat via de Hollandse telefoon mijn oorschelp binnengleed, het verzoek gesteld in zulke hoffelijke en tegelijk persoonlijke bewoordingen waaraan ik tegen al mijn voornemens in geen weerstand kon bieden en vervolgens de attentheid waarmee ik van alle informatie en begeleiding werd voorzien.
Dus daar stond ik, op die bewuste vrijdagochtend, en zag met Nederlandse verbazing hoe honderden Vlaamse scholieren het Doelen-achtige gebouw op een bijna serene wijze innamen, terwijl mij nog maar al te goed voor ogen stond hoe ik me een jaar eerder in onze Doelen door de drommen Nederlandse scholieren een weg moest zien te vechten. En nu ik eenmaal toch in de vergelijkende sferen terecht ben gekomen: die verflenste broodjes bij het lunchbuffet toen, dat kommetje gestolde soep… Ik weet het, het is een cliché ter grootte van een Brusselse ossenstaart, maar toch was ik oprecht getroffen door het rabelaisiaanse eetfestijn dat deze dag ons, de gasten, in de catacomben van het gebouw klokke half één te wachten stond. Ja, het is altijd lekker eten bij de Belgen, mompelden de routiniers onder ons met volle mond, en wij klonken onze gastheren en -vrouwen nog maar eens dankbaar toe. En dan ’s middags de discussie. De ene na de andere bleke scholier, steevast afkomstig van een middelbare school met een vertrouwenwekkend lange katholieke naam, verscheen voor de microfoon om in klinkende bewoordingen even origineel als nauwgezet de genomineerde boeken tegen elkaar af te wegen en in bevlogen schimp- dan wel lofredes te ontvlammen. Indrukwekkend, zonder twijfel. Maar vooral toch: tappend uit een vaatje Duvel, in plaats van Heineken.
Voer voor het idée recue van flaubertiaanse kolossaliteit dat Vlaamse schrijvers sterker dan hun Nederlandse collega’s het literaire avontuur aandurven, meer risico’s durven nemen, bloemrijker schrijven, diepere gedachten uitventen. Want wat zei mijn zoetgevooisde Vlaming ook al weer door de telefoon toen we ter voorbespreking van deze dag over de diverse literaire prijzen te spreken kwamen? 'Houden jullie Verbeke maar, en Mortier, dan nemen wij wel Wieringa, en Van Weelden.’ Alles bij wijze van spreken, natuurlijk. Zijn opmerkingen maakten mij echter eens te meer duidelijk dat wat voor ons een kommetje gestolde soep is, voor hen een exotisch doperwtengebeuren is. En vice versa: worden wij in onze ogen rabelaisiaans verwend, proeven zij alleen maar fabrieksmayonaise en te gaar gekookte wokkels. Hoe dat komt? Heel simpel. Wij lezen Vlaamse schrijvers zoals we Indiase lezen: door een roze bril, vol welwillendheid om het vreemde te omhelzen als het poëtische, en het onbegrijpelijke als het mysterieuze. Wat Vlaanderen nóg vreemder maakt dan India is dat een fysiek en linguïstisch zo nabij volkje er zulke totaal andere mores op na blijkt te houden. Toen wij Nederlanders ons tijdens de lunch uitlieten over de verrassend grote beleefdheid van de gemiddelde Vlaamse scholier versus die van de Nederlandse, verzuchtte onze gastheer dat Vlamingen nu eenmaal schuchter en gezagsgetrouw zijn, en niet assertief zoals ‘bij jullie’, en hij klonk alsof hem dat speet.