Geëngageerde dandy

Een jaar Boon-herdenkingen wordt afgesloten met de heruitgave van de roman ‘De paradijsvogel’.

LOUIS PAUL BOON was een fascinerend verteller - voor velen nog steeds de grootste Vlaamse prozaïst aller tijden - maar ook een onbegrepen volksschrijver. Hij was een autodidact die, dankzij zijn bovenmatige historische interesse, zijn hartstochtelijke inlevingsvermogen in het wel en wee van het fabrieksvolk om hem heen en zijn nooit-aflatende betrokkenheid bij de armsten der armen, het onbeduidende industriestadje Aalst eens en voor altijd op de literaire kaart heeft gezet.
Aalst was ook de plaats waar Boon werd geboren, op 15 maart 1912, en waar hij twintig jaar geleden overleed - een feit dat al bijna een jaar lang op allerlei manieren wordt herdacht. Eerst met een tentoonstelling die een herinneringslint door Boons stad trok, een visuele vertolking van de schitterende biografie die Kris Humbeeck onlangs publiceerde (en waaraan ik hier enkele gegevens ontleen): Onder de giftige rook van Chipka. Chipka is het kunstmatige eiland aan de Dender in Aalst dat in het laatste kwart van de vorige eeuw ontstond door de vrij plotselinge industrialisatie van het ingedommelde stadje, een proletarische enclave die Boon nooit werkelijk heeft gekend maar waarover hij wel zijn leven lang liefdevol is blijven schrijven.
Die omgeving werd zelfs zozeer deel van hemzelf dat hij altijd bleef beweren dat hij er was geboren, ook al stond zijn wieg in het verderop gelegen Sint-Jozefsparochie, aan de nog landelijke rand van Aalst, een agglomeraat van vervallen boerderijen, eenvoudige armeluiswoningen en burgermanshuizen. Wel komt zijn grootvader van moeders zijde er vandaan, Louis Verbestel, de man die in de buurt bekend stond als Boontje, een naam die zijn kleinkind overnam toen hij zijn eindeloze reeks cursiefjes begon te publiceren in het Gentse dagblad Vooruit. Dagwerk dat wel eens een roman fleuve is genoemd maar dat zeker niet die totaalroman heeft opgeleverd waar Boon altijd van droomde. Deze grootvader reikte hem vermoedelijk ook de slotzin aan voor een van zijn beste boeken, Mijn kleine oorlog (1947): ‘Schop de menschen tot zij een geweten krijgen.’ Een uitdrukking die voor Boon méér was dan een politiek manifest-in-één-zin; ook al moest die in een herdruk wijken omdat hij te radicaal was, die zin bleef Boons literaire credo.
BOON HEETTE IN literaire kringen al snel een links-radicaal te zijn, een pacifist, een anti-militarist en fervent communist, totdat Ward Ruyslinck hem uiteindelijk tot teder anarchist omdoopte, een predikaat dat Boon sindsdien nooit meer is kwijtgeraakt. Maar passen die etiketten ook op hem? Natuurlijk, hij gaf alle aanleiding tot dit soort extreme kwalificaties, maar ze doen hem desondanks te kort. Opstandig was hij zeker. In een schoolloopbaan was hij niet werkelijk geïnteresseerd en hij ver zette zich tegen het werk dat hij als vijftienjarige moest doen voor zijn vader, die rijtuigschilder was. Toen al was duidelijk dat hij een eenkennige, ietwat dromerige jongen was die de wereld intuïtief wantrouwde. De weinige vrije tijd die hij had, bracht hij lezend, schrijvend en tekenend door, wat in het milieu waarin hij opgroeide bepaald niet alledaags was. Hij verslond Streuvels, Vermeylen en Buysse. Met zijn vriend Karel Colson bezocht hij alle bibliotheken van de stad en daar maakte hij kennis met Dostojevski, Gorki, Multatuli, Zola en Upton Sinclair - schrijvers die hem alles leerden over het leven en vooral het leven in de grote stad; geniale geesten die hij naar de kroon wilde steken.
Een tijd later sleurde Boons andere vriend, de schilder Maurice Roggemans, hem met zijn revolutionaire elan het gedachtegoed van de communistische uto pie binnen. Maar in de kring van kunstenaars die na Stalins overwinning op de Duitsers een nieuwe wereld zagen gloren, werd hij toch vooral gezien als een vreemde eend in de bijt. Voor hen was hij vooral een artiest, zeker geen medestrijder. Politiek activisme en partijpolitieke strijd zijn Boon inderdaad altijd vreemd geweest. Zijn belangrijkste wapens waren zijn dromen en zijn pen. Revolutionaire woorden en geharnaste ideologieën wantrouwde hij van meet af aan. Om met de rode vaan voorop te lopen in de stoeten die toentertijd regelmatig door de straten trokken, had hij trouwens te veel dandyistische trekjes. Boon bleef politiek gesproken in feite altijd aan de kant staan.
Meer dan door welk links gedachtegoed ook liet Boon zich leiden door zijn eigen levenservaring. Vooral zijn internering tijdens de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp van Fallingbostel bij Hannover maakte een verpletterende indruk. 'Nooit heb ik iets ergers meegemaakt, levend tussen hoop en vrees, honger lijdend en elke gedachte aan huis bannend. Aan huis waar ik een zoontje had’, schrijft hij in Verscheurd jeugdportret (1975).
TERUG UIT DEZE gevangenschap, zijn depressie te boven die er het gevolg van was, wijdde hij zich aan zijn roeping, die hij al eerder in een brief aan Karel Colson had geformuleerd: 'dit treurspel van onze ondergang te zingen’. Gedrevenheid is het woord dat misschien nog het best past bij Boons schrijverschap, alle pogingen ten spijt om hem onder te brengen in een of ander links kamp. Boon was allereerst een romanticus, iemand met hart voor de kleine luiden en hun noden. Hun stem wilde hij laten spreken om zo te getuigen van het leven 'gelijk het leven is’.
Aanvankelijk gebruikte hij behalve de taal ook het fototoestel en de tekenstift om aan die zelfopgelegde opdracht te voldoen. Veel beelden van fabrieken met rokende schoorstenen, tekeningen van mensen hulpeloos verdwaald tussen hemelhoge muren. De liefde voor het witte doek werd vervolgens de belangrijkste bron van inspiratie bij zijn literaire arbeid. In het 'theater van de gewone man’ zag en onderging hij hoezeer de armetierige levensomstandigheden van de arbeider uit de eigen omgeving onderdeel uitmaakten van de universele stad met haar krioelende mensenmassa’s, gedrild op het ritme van de machine en opgejaagd door een niet-aflatende productiedwang. Films als Modern Times, Das Kabinet des Dr. Caligari, Eine Stadt sucht einen Mörder en The Docks of New York toonden hem de anonimiteit van de stad en de tot in de hoogste kringen voortwoekerende criminaliteit, de genadeloze gelijkschakeling van het individu met de techniek en de verpaupering van het bestaan. In enkele woorden samengevat: de desintegratie van de burgerlijke samenleving.
Die opvatting thematiseerde Boon al vroeg in twee boeken die op dit ogenblik in reprise worden genomen: Vergeten straat (1944), dat inmiddels ook voor de bioscoop is bewerkt, en De paradijsvogel (1957), een Dutroux-verhaal avant la lettre, zou je kunnen zeggen: een roman waarin de stelling ligt opgesloten dat alles wat de mens drijft, voortkomt uit losgeslagen seksuele driften. Goed beschouwd en enigszins geschematiseerd kun je in Boons oeuvre een markeringslijn trekken tussen zijn realistische en zijn mythische werk. Tot het eerste genre behoren naast Vergeten straat onder meer De voorstad groeit (1942), Mijn kleine oorlog (1947) en natuurlijk De Kapellekensbaan (1953), Zomer te Ter-Muren (1956) en Pieter Daens (1971). Het tweede begint bij Menuet (1948) en krijgt zijn hoogtepunt in De paradijsvogel en Vaarwel krokodil of de prijslijst van het geluk (1959), twee romans waarin niet in de eerste plaats het werkelijke leven wordt beschreven en de sociale wanverhoudingen of de uitbuiting van de enkeling worden uitgelicht, maar waarin vooral, op soms groteske wijze, wordt gezocht naar de ware grond van dit alles.
DE PARADIJSVOGEL valt uiteen in twee delen. Enerzijds is er het relaas van de dichter en zanger Tubal-Kain, dat zich afspeelt in voorhistorische tijden, en waaraan volgens Humbeeck een anekdote ten grondslag ligt waarover Boon ooit melding maakte in Vooruit: tijdens een grote hongersnood wordt een groep Chinese kinderen de bergen in gestuurd, een bijna zekere dood tegemoet, en sticht daar na onnoemelijke ontberingen de heilige stad Tibet, die in het boek Taboe zal heten. In dit ver haal vol symboliek wordt een bijna preapische tijd opgeroepen waarin Boon de oorsprong van de religie tracht te doorgronden, zij het dat hij vooral de negatieve kanten daarvan belicht. Alle protagonisten zijn afstammelingen van de vervloekte bijbelse moordenaar Kaïn - zo blijkt uit een verificatie van hun namen - en ze wonen in de gedoemde stad Taboe. Een verheerlijking van het goddelijke blijft uit. Bestialiteiten, onmacht en wreedheid (ook de bijbel staat er bol van) die elke eredienst kenmerken, worden breed uitgemeten, evenals de allesoverheersende rol van de seksualiteit daarin.
Parallel aan deze mythe vertelt de roman over de hedendaagse lotgevallen van de vrouwenversierder en seriemoordenaar Wadman, die een fotoarchief van zijn slachtoffers aanlegt, en van de fenomenoloog E.H. Ramadhoe, een man geobsedeerd door de femme fatale Beauty Kitt, een replica van Marilyn Monroe (maar ook van al die andere godinnen van het witte doek die in de jaren vijftig een nieuw verschijnsel werden en waarvan hij een studie maakt). En dan is er verder de Tarzanfiguur Vulcan Fiber. Uit zijn mond gulpt, terwijl hij in coma ligt, de woordenstroom van Tubal-Kains relaas. Allen wonen in Klooster en ze ontmoeten elkaar in een wijk van hoogst bedenkelijke faam, een stadsdeel vol gore pensions, bewoond door hoeren en maatschappelijk verdoemden, een labyrint van verderf.
Voortdurend worden er verbanden gelegd tussen beide geschiedenissen, met de suggestie dat het verleden het heden bepaalt en dat de mens uiteindelijk een verscheurd wezen is - in de woorden van Humbeeck een rat 'waardoor hij van de weeromstuit ten hemel wil stijgen als een paradijsvogel’. De naam van het stadje is intussen niet zonder betekenis: is het klooster niet de broedplaats van erotische onderdrukking, verheerlijking van het goddelijke en bestudering van filosofie en theologie? En om de drieëenheid daar is het Boon te doen.
Het boek vat veel van Boons ideeën gecomprimeerd, en literair gemodelleerd, samen. Elk menselijk handelen, lijkt hij te betogen, is moreel noch immoreel van karakter, maar altijd weer amoreel. Of, om hemzelf aan het woord te laten: 'Deze paradijsvogel symboliseert niet meer of niet minder dan de phallux en ik heb in dit boek willen aantonen dat onze ganse maatschappij, onze godsdiensten en onze filmster-verering niets anders is dan een verering van de phallux. Ja, dat god zelf de phallux is.’ Seksualiteit en geloof zijn hier voor Boon twee kanten van dezelfde medaille, beide vast in de greep van geldbejag. Hollywood is overal.
Kris Humbeeck roemt De paradijsvogel - dat in de tijd waarin het verscheen weinig bijval kende, zelfs eerder weerstand opriep - als Boons boek der boeken. Onder meer omdat in deze roman elk 'voortdurend in nihilisme verglijdend idealisme wordt teruggevoerd op een oeroude angst van de moderne mens voor zijn dierlijke oorsprong en eindigheid’. Dat lijkt een wat al te voortvarend getrokken conclusie, want ze gaat voorbij aan dat andere grote thema van Boon, de allesvernietigende hebzucht van de mens. Ook al legt hij er ongetwijfeld veel van zijn zieleroerselen in bloot en neemt hij hier een voorschot op wat langzamerhand het verval van België zou kunnen heten - de combinatie van schaamteloos eigenbelang en perversiteit -, de roman kan ondanks zijn groteske verbeeldingskracht niet in de schaduw staan van De Kapellekensbaan. Als het erop aankomt, winnen de observator en de geëngageerde humanist in Boon het duidelijk van de mytholoog.
HERUITGEGEVEN IS inmiddels ook de roman die een voorstudie van dit opus magnum genoemd zou kunnen worden: Vergeten straat. In 1941 had Boon 3 Mensen tussen muren geschreven, een verhaal in linosneden waarin hij zijn getourmenteerde kunstenaarsziel blootlegde tegen de achtergrond van een vijandige wereld. Door de angsten en onzekerheden uit te beelden die hem in die jaren kwelden, hoopte Boon weer greep te krijgen op zichzelf. Maar toen hij het resultaat van zijn arbeid onder ogen kreeg, beoordeelde hij het als een complete mislukking. Hij had de dynamiek van de werkelijkheid niet weten vast te leggen. Het was hem allemaal te statisch: 'Ik tekende hen uit in houtskool, ik schilderde hen… - En nu valt het me te binnen. Nu het te laat is slaat het me plots door de kop: ik moest het gefilmd hebben. Want dit is wat mangelt aan dit werk: beweging, dinamiek.’
Vergeten straat is een revanche op deze omissie. In een reeks scenische fragmenten met de kracht van filmbeelden vertelt Boon de geschiedenis van een collectief: de bewoners van een Brusselse volksbuurt die door de aanleg van een Noord-Zuid-spoorwegverbinding worden afgesloten van de buitenwereld. Het is een besloten reservaat waarin de figuranten, allemaal eenvoudige volksmensen, onder leiding van de begeesterde Koe lie, een ideale samenleving proberen te realiseren. Helemaal afgegrendeld van de buitenwereld zijn ze echter niet. Doordat de verschillende personages ieder op hun eigen manier een geheime uitweg naar buiten vinden, wordt het directe contact met de hen omringende stad nooit volledig opgeheven. Die situatie bepaalt Boons eigenlijke project, hij heeft zijn Utopia neergezet als een regelrechte confrontatie met de realiteit. De afloop laat zich raden: hun onderneming is tot mislukken gedoemd.
Het allesoverheersende thema in Vergeten straat is de strijd tussen overheersers en onderdrukten, waarbij Boon niet in schema’s vervalt. Uiteindelijk zijn het niet de grote structuren die de mensen vermalen,maar gaat iedereen ten onder aan zijn eigen individuele tekortkomingen. Om het tot de belangrijkste romanfiguren te beperken: Koelie gaat ten onder aan de onmogelijkheid van zijn eigen denken; zijn dochter Roza aan de destructieve krachten in haarzelf; Nonkel en Vieze - een kopie van Wadman - aan de leegheid van hun bestaan, en Hermine wordt verscheurd door het conflict tussen haar concrete geluksverlangen en de abstractie van een utopische gemeenschapsdroom.
In het oeuvre van Louis Paul Boon wemelt het van de verminkten. Ze oefenen een weergaloze aantrekkingskracht uit op de goede verstaander, omdat alles wat ze vertegenwoordigen van waarde is, ook al wordt dat door de machtigen altijd anders gezien.