Ge-je en ge-jij

Is het tutoyeringswezen een produkt van de jaren zestig of van de jaren zeventig? Het is, denk ik, in de jaren zestig ingezet en in de jaren zeventig tot volle wasdom gekomen. In sommige opzichten is het een verworvenheid, anders dan een vergelijkbaar cultuurverschijnsel als de openbare knuffel, het speekseloverladen ritueel op bruiloften, partijen en PvdA-congressen, waar ik op esthetische en medisch-hygienische gronden tegen ben.

Maar dat ge-je en ge-jij vind ik wel aardig. In Nederland zijn wij allemaal buren van elkaar. Dus waarom zouden wij zo zwaarwichtig met elkaar omspringen?
De enige plaats waar nog wordt gevousvoyeerd is de rechtbank, in feite een democratische reactie op de jaren vijftig, toen je, als verdachte, door het gebefte gajes nog met minachtigende neerbuigendheid werd bejegend. Dat moet zo blijven. Een tasjesdief of meervoudige moordenaar hoort principieel met u te worden aangesproken. Anders dan de deelraadwethouder of minister van Economische Zaken, die immers van onze belastingcenten mooi weer zit te spelen.
Maar wat zeggen wij tegen onze ouders? Beter gezegd, wat zeggen onze kinderen tegen ons?
Zij noemen ons, in het beste geval, pa en ma, vader en moeder, in combinatie met het huiselijke je en jij. In veel gezinnen, heb ik de indruk, is deze gewoonte in ongewenste richting doorgeschoten en heten de ouders gewoon Truus en Jan-Kees. Dat is heel slecht, collega- opvoeders. Het suggereert een gelijkwaardigheid die niet van deze wereld is. Ouders zijn ouders, geen toevallig onder hetzelfde dak verblijvende vrienden of kennissen. Het is een ontkenning van de machtsverhoudingen. De ouders zijn namelijk, in alle redelijkheid, de baas. Hun neen tegen kindergedrein en pubergedrens zij neen en hun positie wordt ongewenst verzwakt als zij door de lieve kleinen gemeenzaam met Elly of Dirk-Henk worden toegesproken.
En er schuilt een addertje onder het gras, beter gezegd, er loert een addertje onder de lakens. In elke kind-ouderrelatie is sprake van een vorm van sluimerende incest. Met vader of moeder ga je niet zo gemakkelijk naar bed. Met Henny of Bart-Carl is de entree tot de ouderlijke slaapkamer daarentegen een stuk gemakkelijker geworden.
In een conservatief land als Engeland is de situatie een stuk overzichtelijker. Taaltechnisch bestaat daar geen verschil tussen je en u, terwijl het nog schijnt voor te komen dat de kostschoolleerling wordt geacht zijn vader met sir aan te spreken.
Met de Bondsrepubliek is andermaal compassie geboden. Daar is het inmiddels een en al Heidi en Ulrich, Heinrich en Edelweiss wat de klok slaat, een verschijnsel dat terug te voeren valt, leert ons de lokale ‘generatiesociologie’ (bestaat echt!) op het feit dat Opi en Omi met de nazi’s hebben geheuld. Dit dwingt de naoorlogse generaties Duitsers tot onderlinge solidariteit, de ouders van de jaren vijftig met hun kinderen van de jaren zeventig.
In het rustige Nederland, waar de landelijke neurosen zich beperken tot het mestoverschot en de verlate boemel tussen Den Bosch en Eindhoven, hebben wij dit soort problemen gelukkig niet. Dus tutoyeren wij elkander in toenemende mate. Ik voorspel: over tien jaar zijn de enige twee vaderlanders die nog worden gevousvoyeerd premier Wim Kok en Z.K.H. Koning Willem Alexander.