Brieven aan Vincent van Gogh

Geachte mijnheer Van Gogh

Geachte mijnheer Van Gogh,

Weet u wat ik vreemd vind? Dat u in het Nederlandse onderwijs niet wordt geroemd als een groot schrijver, terwijl u dat wel bent. Nu denkt u misschien: dat is omdat ik ook in het Frans heb geschreven. Maar waarom zijn we dan wél fier op Belle van Zuylen? Die schreef toch eveneens regelmatig in het Frans? En toch ook hoofdzakelijk brieven? En waarom omarmen de Fransen u dan niet in hun literatuur? Ik heb daar het antwoord op: omdat u Nederlander bent.

Vraag je een buitenlander om Nederland te karakteriseren in drie personen dan antwoordt hij: Vincent van Gogh, Anne Frank en Johan Cruijff. Een schilder/schrijver, een schrijver/heldin, en een voetballer/held. Ik wil u laten zien wat de overeenkomst tussen u, Anne en Johan is, en vervolgens uitleggen waarom die gezamenlijke eigenschappen in het buitenlands als typisch Nederlands worden ervaren en bewonderd.

Ik beschouw eerst de overeenkomst tussen u en Johan Cruijff. Ik geloof niet dat u ooit hebt gevoetbald. Noch in de brieven, noch in de enige roman die ik over u ken — Vincent van Gogh: tussen zon en schaduw door Halbo C. Kool — wordt over uw voetbaltalenten gesproken. En van Johan Cruijff weet ik dat hij de schilderkunst niet machtig is. Wat u beiden bindt, is de gave van het woord. U kunt schitterend schrijven, Cruijff kan schitterend praten. Zijn uitspraken zijn destijds ook verzameld in het boekje Cruijfftaal van Henk Davidse. Daarin staan uitspraken van Cruijff die inmiddels klassiek zijn geworden: «Elk voordeel heb zijn nadeel», «je moet schieten anders kun je niet scoren», of «Italianen kennen niet van je winnen, maar je ken wel van ze verliezen» en: «Toeval is logisch».

Er zijn echter twee uitspraken van Cruijff die minder bekend zijn maar die ik toch even uit zijn rijke vocabularium licht, namelijk: 1. «Uitersten, daar hou ik niet van, elk uiterste is iets waanzinnigs.» En 2: «Ik wil zeggen wat ik denk, maar niet wat ik voel.»

Het zijn twee uitspraken die op u van toepassing zouden kunnen zijn. Ze geven een wereldbeeld weer. Men zegt wel eens dat u van uitersten hield, maar vreemd genoeg wordt u juist getypeerd, zeker als we uw brieven lezen, door een vorm van «bescheidenheid». Zo schrijft u ook wat u denkt en niet wat u voelt, al wordt dat wel gedacht. Misschien schilderde u wat u voelde, en wilde u dat. En in uw schilderkunst bereikte u het waanzinnige uiterste waar Cruijff over sprak. Net als hij in het voetbal. Dat u dat uiterste voor ogen stond, kunnen we bijna letterlijk in uw brieven lezen. Zoals ook dat u daar eigenlijk niet van hield. Zijn snelheid, zijn waanzinnige acties, zijn omgang met de taal en zijn virtuositeit in het eenvoudige en vooral die bescheidenheid, daarin komt u met Cruijff overeen. Zelfs in uw «vie romancée» van Halbo C. Kool wordt u getypeerd door uw bescheidenheid.

Wat heeft u met Anne Frank gemeen? Dat is een literair aspect. U beiden bedrijft bekentenisliteratuur. Hiermee raken we aan de kern van het unieke Nederlandse. U bekent, u laat zien wat u beweegt. U beiden schrijft, zou je kunnen zeggen, vanuit de rol van slachtoffer. Intiem, zonder dat het ranzig wordt. U beiden bent ook begaan. Begaan met de mens. Wat ik nu schrijf moet u bekend voorkomen, vooral als ik lees hoe u moeite deed om mensen te schilderen, wat moeilijk ging omdat u ze moest betalen. Bij Anne kom je diezelfde betrokkenheid tegen. En natuurlijk was zij, net als u, een ongekend talent.

Na deze beperkte analyses kunnen we de bril van de buitenlander opzetten. Wat ziet hij als hij aan Nederland denkt? Een voetballer die zijn persoonlijkheid uit in een bijna ontroerende balbeheersing, een jonge schrijfster die ontroerend over zichzelf schrijft, en een schilder die even ontroerend schildert en ook ontroerend over zichzelf spreekt. Alle drie in een zelfde toonsoort waarin de boventonen bijna dominant zijn omdat «bescheidenheid» en «bekentenis» er ruim doorheen klinken.

Typisch Nederlands.

Noem drie Fransen die Frankrijk typeren: Louis de Veertiende, De Gaulle, Sartre. Geen bekentenissen, allemaal grote mond. Drie Duitsers dan: Goethe, Heine, Hitler. Engelsen: Shakespeare, Churchill, Beckham. Belgen: koningin Fabiola, Tom Lanoye, Dutroux. Italianen: Dante, Eco, Berlusconi.

Bescheidenheid — doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg — en bekentenissen, dat tekent ons. Dat tekent ook onze literatuur: Multatuli, Reve, Grunberg, Palmen, Van Royen. Wat je er ook van vindt: het is allemaal een bescheiden Hollandse blues. En de uitzonderingen zijn de genieën zoals u, mijnheer Van Gogh, zoals Anne Frank en Johan Cruijff die bijna achteloos, calvinistisch en bescheiden hun taak geniaal verrichtten maar tegelijkertijd op de achtergrond wensten te blijven. Daar kijken buitenlanders van op. Dat kennen ze niet. Dat komt ook alleen hier in Nederland voor.

Uw broer Theo heeft na uw dood tegen zijn vrouw Jo gezegd dat er iets met uw brieven gedaan moest worden. Omdat, zo schrijft Theo aan zijn moeder, «het werkelijk een merkwaardig boek zou zijn waarin men kon zien hoeveel hij gedacht heeft en hoe hij zichzelf gelijk is gebleven».

Zichzelf gelijk, een groter compliment kun je een Nederlander bijna niet geven. Hij onderscheidt zich daarin van de buitenlander. Anne is zichzelf gelijk gebleven (al kon ze niet anders, want haar werd weinig tijd gegund) en Cruijff zeker ook. Anne en u lijken van de drie het meest op elkaar. Beiden pas beroemd geworden na hun dood. Beiden beroemd geworden door hun lijden. Beiden worden nu om dat lijden geromantiseerd. En gek genoeg wilde u ook Nederlander zijn — net als Anne, en net als Cruijff.

Geachte mijnheer Van Gogh, u rust uit in Auvers. Uw broer ligt in uw nabijheid. Hij heeft nog net kunnen meemaken hoe u beroemd werd. Hij zag wonderwel dat u een groot schrijver was. Tot op heden is die erkenning nationaal uitgebleven. Dat is vreemd. Het wordt tijd dat men dat herstelt.

Ik hoop dat u het daarmee eens bent.

Met vriendelijke groeten,

Theodor Holman