Brusseprijs

Gebakken visjes op zaterdag

Een jaar lang dompelde Matthias M.R. Declercq zich onder in het leven op Urk. Zijn De ontdekking van Urk geeft niet alleen een unieke kijk in een gesloten gemeenschap, maar leest ook als een handboek onderzoeksjournalistiek.

‘Wij zijn trots op onze manier van leven, en willen dat zo houden’ © Marcel van den Bergh / ANP

‘Wat is groen en reist door de tijd?’

‘De bus naar Urk.’

In je haast om een deadline te halen, kun je als jonge journalist soms langs de oppervlakte van een verhaal scheren dat veel interessanter is dan het verhaal dat je eigenlijk aan het optekenen bent. Een moeilijk te ontlopen beginnersfout, het is een vak dat je het best in de praktijk leert. In De ontdekking van Urk weet schrijver en journalist Matthias Declercq die jeugdzonde op spectaculaire wijze te revancheren.

Declercq neemt in zijn boek niet de bus naar het verleden, maar de boot. Zijn tijdreis voert langs de geschiedenis van het protestantse vissersdorp Urk, dat hij beeldend beschrijft, en simultaan naar de beginjaren van zijn eigen journalistieke loopbaan. Het is 2009 en naar aanleiding van een moordzaak in het dorp wil de redactiechef van de Belgische krant De Morgen een verhaal zien met daarin de welbekende contradictie die Urk kenmerkt: de streng christelijke buitenkant versus de schaduwkant vol drank- en cocaïnegebruik.

De jonge Declercq heeft een paar dagen de tijd voor het stuk en tikt het haastig op in een Van der Valk Hotel, zonder de tijd te nemen om echt om zich heen te kijken. De ware aard van het dorp weet hij zo snel niet bloot te leggen en dat laat hem niet los. Zo’n tien jaar later besluit Declercq, inmiddels succesvol journalist en schrijver, om iets langer uit te trekken voor een journalistieke onderdompeling: hij woont een jaar op Urk en omringt zich met boeken en persoonlijke getuigenissen over het voormalige eiland in de Zuiderzee.

Schijnbaar moeiteloos knoopt vakman Declercq de genres reconstructie, reportage en interview aan elkaar. Sommige dorpsbewoners leren we slechts kort kennen, andere hebben een volledige eigen plotlijn, zoals de gepijnigde Airbnb’er en psycho-sociaal therapeut Rinke. Die weet de schrijver in korte scènes levensecht en inclusief innerlijke worstelingen neer te zetten.

Zoals hij langzaam tot de kern van enkele bijzondere Urkers komt, zo komt hij ook tot de kern van Urk. Daartoe beschrijft de Vlaming het dorp in omgekeerde richting: vanuit het oude, religieuze dorpscentrum, langs de buitenwijken met industrieterreinen, geweld en illegale coke- en vishandel en uiteindelijk zelfs naar zee.

Omdat Declercq zijn lezers min of meer chronologisch bij de hand neemt, volgen we ook de stappen van zijn onderzoek. We beginnen waar hij begint: op de boot over het IJsselmeer richting het voormalige eiland, zoals men het vroeger ook moet hebben bereikt. Eenmaal daar worden wij, net als de leergierige schrijver, overspoeld met feitjes en wetenswaardigheden (Urk heeft 21 kerken en 53 Jan de Boers). We proeven ook van de gebakken visjes op zaterdag, leren net als Declercq rouwen bij het vissersmonument. Wonen op Urk is als zwemmen in een ijskoud meer waar je langzaam moet wennen, schrijft Declercq. Pas als hij even is vertrokken en terugkeert, beziet hij het dorp weer met de verbazing van een buitenstaander.

Hij blijft zijn lezer feitjes voeden – Urkers gaan zelfs in eigen dorp op vakantie; in het dorp heerst de ziekte van Van Buchem, een unieke botziekte die voortkomt uit inteelt – tot de wenkbrauw niet eens meer wordt opgetrokken en je merkt: ik ben aan het ijswater gewend.

Bij wijze van reportage loopt Declercq mee met een collecte voor de damesvereniging op Urkerdag, de feestdag waarop het dorp de eigen geschiedenis viert. Een vreemde gewaarwording: iedereen die hij aanspreekt weet al wie hij is, waar hij de vorige dag was en met wie hij heeft gesproken. De argwaan naar vreemden is groot, merkt hij, omdat buitenstaanders het dorp hebben neergezet als achterlijk. Het is een van de redenen dat de journalist er nu langer verblijft. Declercq komt een stuk verder dan de simpele analyse van religie, vis, drugs en inteelt.

Of het boek positief zal zijn? Declercq: ‘Daar kan ik zelf niet meer over oordelen’

De collecte voert hem langs bierdrinkende jongeren in klederdracht, religieuze koren en grijze mannen in schipperstruien. ‘In café de Ommele staat de muziek loeihard. Het bier trilt in de glazen. Het is kort na de middag, de lichten zijn gedoofd en jonge kerels in oude pakken slingeren als klimop langs de meisjes aan de bar: “Van wie bin jie er iene dan?”’

Er is een Urker paspoort, merkt de schrijver als snel op, dat bepaalt aan welke regels je je houdt. Aan de hand van enkele vragen stelt men vast of je een Urker bent of niet: wat doe je, welke kerk bezoek je, is dat een zware of een lichte kerk, hoeveel kinderen heb je, van welke familie ben jij er eentje. Sommige clans herken je aan het nummer van hun schip, aan het beroep van de zonen. De jongens moeten stoer zijn en de vrouwen houden kransen. ‘Wij zijn trots op onze manier van leven, en willen dat zo houden’, zegt een inwoner op leeftijd.

Volgens een snelle berekening van Declercq zijn de huidige twintigduizend Urkers sinds 1630 voortgekomen uit een groepje van slechts 150 eilandbewoners. Nu het eiland is ingepolderd is de genenpoel wel wat uitgebreid, dus op de botziekte van Van Buchem is niet veel risico meer. De vraag van wie jij er eentje bent dient nu vooral het paspoort: wie heb je voor je, heeft die persoon wel dezelfde gebruiken als jouw familie? Het liefst trouw je als Urker nog steeds een Urker. ‘Zo sta je niet voor verrassingen’, zegt een jongen.

Het gevaar van de participerende onderzoeksmethode die Declercq inzet, is ‘going native’ – waardoor je je te sterk identificeert met je onderzoeksobject en uit je observaties geen helder oordeel meer weet te destilleren. Wat dat betreft was het een goede afweging om slechts een jaar te blijven. Wanneer zijn nieuwe vriend Reijer aan het einde van het jaar vraagt of het boek positief zal zijn, antwoordt Declercq naar waarheid: ‘Daar kan ik zelf niet meer over oordelen.’

Over participeren gesproken – eerder staat de dertiger plots op een feest met dronken en doorgesnoven Urker tieners op een industrieterrein. Of hij ook coke wil?

Zo is er de climactische scène in de illegale kroeg De Oelebar, waar Declercq zich via via naar binnen heeft weten te smokkelen. Een veertienjarige jongen gaat letterlijk in de lampen hangen, aangemoedigd door zijn vrienden. ‘De jongen hangt nu ondersteboven, met zijn armen naar beneden. De beat zwelt aan en dan breekt de plank. Het jongetje stort naar beneden, breekt zijn val op de zitbank en eindigt op de vloer. De groep vrienden klapt in de handen: “Haha! Keurig jongen, dat eeuw je goed edoan!”’

Het is niet toevallig dat Declercq toegang heeft tot de kroeg. Steeds weer benadrukt hij het belang van een netwerk, dat hij een jaar lang zorgvuldig opbouwt. Het begint al met een aankondiging van zijn komst in het dorp met een advertentie in de lokale krant, zijn e-mailadres erbij. Als de Urkers ’s avonds een ommetje maken, loopt hij ertussen. Zo’n wandeling is de ideale manier om bij te blijven, tipt hij.

Hij bezoekt alle kerken in het dorp. Via zijn contacten krijgt hij toegang tot de strengste gelovigen, tot tieners met xtc-pillen, tot undercover atheïsten. Al snel heeft hij een reputatie. ‘Mijn naam komt niet in dat boek van jou’, zeggen veel mensen met wie hij spreekt.

Er komt een boek, daar maakt hij geen geheim van. Hij blijft de Urkers met respect benaderen, ook wanneer zijn pogingen tot toenadering tot zijn teleurstelling worden beantwoord met veroordeling. Uit sociale controledrang turen de Urkers steeds maar door het raampje van zijn logeerwoning om te zien wat ‘de Belg’ uitspookt. Elke ochtend krijgt hij op het gepubliceerde e-mailadres religieuze teksten toegestuurd.

De aanhoudende camerasurveillance blijft Declercq optekenen, met voelbaar verstikkend effect. Als de lezer niet al benauwd genoeg is, komen ook de visserij en de kerk steeds maar om de hoek kijken. Er is vis, er is de Heere en er is cocaïne om dat te vergeten. En dan sterven ook nog eens om de haverklap jonge mannen op of onderweg naar zee. De journalist begint intussen vooral te begrijpen hoe geïsoleerd ongelovigen zich er voelen. Om een Urker te worden, moet je veel van jezelf opofferen.

Het boek leest niet alleen als een zeldzaam portret van een gesloten gemeenschap, maar ook als een handboek onderzoeksjournalistiek. Waar de jonge Declercq tien jaar geleden slaagde in het halen van een strakke deadline (chapeau), zegeviert hij nu in het diepteonderzoek, met meesterlijke beheersing van gecombineerde journalistieke genres.