Tahar ben Jelloun, Een verblindende afwezigheid van licht

Gebaseerd op feiten

Tahar ben Jelloun

Een verblindende afwezigheid van licht

Uit het Frans vertaald door Maria Noordman

Uitg. De Geus, 251 blz., € 22,50

Een paar weken terug vestigde Ger Groot in deze krant de aandacht op een nieuw boek van Tahar ben Jelloun, Een verblindende afwezigheid van licht, dat het verhaal bevat van een man die achttien jaar in Zuid-Marokko in een ondergrondse gevangenis heeft gezeten. In 1971 raakte hij betrokken bij een staatsgreep tegen koning Hassan II. De aanstichters, de generaals, werden onmiddellijk geëxecuteerd; de lagere militairen, die het vuile werk opknapten zonder te weten waarvoor ze werden gebruikt, gingen de gevangenis in.

Aziz Binebine, Salim in de roman, kreeg tien jaar gevangenisstraf, maar na twee jaar werd hij met 57 anderen in een ondergrondse gevangenis gestopt waar hij in een volslagen duister hok van drie bij anderhalf, en anderhalve meter hoog, achttien jaar zou zitten, liggen of hangen, want staan kon hij niet. Tot ver in de jaren tachtig wist geen mens van de geheime woestijnkelder. De naam Tazmamart zou echter synoniem worden voor verschrikking, al werd van de gevangenis, nadat de overlevenden in 1991 gratie kregen, elk spoor uitgewist.

De roman van Tahar ben Jelloun is zo goed dat hij voor mij thuishoort in het sinistere rijtje van getuigenissen van Borowski, Primo Levi, Améry, Sjalamov en anderen. Zo’n boek hoort ook in vertaling alle aandacht te krijgen (stonden mensen die zich lezer noemen maar voor zo’n boek in de rij!), vandaar dat ik aan Ger Groots signalement nog iets wil toevoegen.

Hij zegt dat Aziz Binebine zijn verhaal aan Tahar ben Jelloun vertelde, die het in zijn boek opschreef, in de ik-vorm, en dat de roman bij verschijnen heftige reacties uitlokte. Ben Jelloun werd ervan beschuldigd zich het verhaal wederrechtelijk te hebben toe geëigend. Het probleem is weer eens dat het om een roman gaat.

Ik moest aan een ander geval denken: Jakob Littners aantekeningen uit een aardhol, een roman van Wolfgang Koeppen uit 1992 over een joodse postzegelhandelaar uit München die door de nazi’s naar Polen werd versleept en op het laatst maanden ondergedoken zat in een hol onder het kasteel van een Poolse fascist. Een gruwelijk verhaal, een ongelooflijk goede roman, maar: het boek was al eens verschenen, in 1948, als het levensverhaal van de man zelf, Jakob Littner. In 1945 had hij een uitgever gevraagd of deze niet iemand wist die zijn verhaal wilde opschrijven. Voor een paar voedselpakketten heeft Koeppen toen met alleen wat aantekeningen als materiaal zijn roman geschreven, als ghostwriter — «Toen werd het mijn geschiedenis», zou Koeppen later zeggen.

Ben Jelloun vermeldt voorin dat de roman «gebaseerd is op feiten, ontleend aan de getuigenis van een ex-gevangene van Tazmamat», en draagt zijn boek op aan Binebine. «Gebaseerd op feiten» is iets anders dan het opschrijven van iemands verhaal. Het is het uitzonderlijke verhaal van deze ene man, daarom zijn de details zo belangrijk, maar Ben Jelloun heeft er zijn eigen verhaal van gemaakt. Dat heeft hem, dankzij de literaire vorm, de vrijheid gegeven het uitzonderlijke te laten zien van een man die zich redt door de buitenwereld, dus ook zijn eigen verleden, zijn herinneringen en gevoelens, weg te denken en daarvoor in de plaats een binnenwereld te bouwen.

Ben Jellouns commentaar zit ín het verhaal, in de keuze en uitvergroting van details. Wat Salim redt — zijn waardigheid, zoals hij het noemt, zijn menselijkheid — is ook wat hém redt, en is tegelijk zijn zwakte tegenover degenen die hem klein willen krijgen. Hij beschikt niet over een bijzondere gave maar wel over de wil om zich dagelijks te oefenen in het wegdenken, in onthechting. Bijna wordt hij op de valreep door de dood ingehaald, als de pijn wint, dus het lichaam, de medeplichtige van de buitenwereld.

Ik betwijfel of de man die hiervoor model stond dit zelf zó had kunnen schrijven. Het is ook de vraag of Ben Jelloun het uit zichzelf had kunnen bedenken. Het was inderdaad gemakkelijker geweest als de schrijver in het boek iets meer had gezegd over zijn «vertaling» van de feiten. Maar het staat er allemaal in. De rol van verteller die Salim in de roman vertolkt — in zijn eenzaamheid en in de verhalen aan zijn lotgenoten — is een spiegel van de schrijver.

Binebine heeft dat aangevoeld. Na publicatie heeft hij Ben Jelloun publiekelijk allerlei verwijten gemaakt, die de schrijver daarna punt voor punt heeft weerlegd. Maar eerder had Binebine hem na lezing van het manuscript persoonlijk geschreven dat hij de roman volmaakt vond (impeccable), dat hij alleen graag zag dat Ben Jelloun erbij zou vermelden dat de personages en gebeurtenissen waren veranderd. De schrijver deed dat door zijn boek een roman te noemen.

In de brief vraagt Binebine de schrijver wat hij toch met kakkerlakken heeft: in de roman worden mensen door kakkerlakken opgegeten — zoiets heeft hij niet meegemaakt. En, zegt hij tegen de schrijver, jij vermengt het ontbreken van haat bij mij met jouw neiging tot woede. Maar zonder die woede had Ben Jelloun het niet gekund, hoe ingehouden ze ook is gezien de perversiteit mensen in leven te houden met geen ander doel dan hun doodsstrijd te rekken. Woede is hier stomme verbazing, op basis daarvan schreef Ben Jelloun zijn roman.