Economie

Gebazel

Maandag werd bekend dat het Baselse Bankencomité de kapitaaleisen voor banken ‘fors’ gaat verhogen. In Het Financieele Dagblad meldde de president van het comité, onze eigen Nout Wellink, dat banken 'met wat er nu op tafel ligt’ worden gedwongen om 'redelijk traditioneel te bankieren’. Volgens Wellink zijn de nieuwe kapitaaleisen 'gewoon een ouderwets vangnet’. En voorkomt Basel III, want zo heten de nieuwe eisen in de onvolkse mond van de bankier, een herhaling van de financiële crisis van 2007.
Ook de Financial Times sprak van 'een van de belangrijkste hervormingen in respons op de financiële crisis’. Hoewel het volgens de Financial Times neerkomt op meer dan een verdubbeling van de eerdere kapitaaleisen (4,5 procent van de uitstaande activa tegen twee procent vroeger), meldt de Britse krant tevens dat de meeste banken zonder problemen aan de nieuwe eisen kunnen voldoen
en dat alleen enkele wankele Duitse staatsbanken nieuw aandelenkapitaal moeten aantrekken. Hoe kan dat?
Nieuwe kapitaaleisen zijn of 'fors’ en 'belangrijk’ en doen banken dus pijn. Of ze raken banken nauwelijks en zijn dus 'gering’ en 'irrelevant’.
Hoezeer Wellink en de banken ook het tegendeel beweren, het is toch echt het laatste: de kapitaaleisen van Basel III zijn 'gering’ en 'irrelevant’ en zullen een herhaling van de crisis niet voorkomen. Sterker nog: het comité heeft zich weer eens lekker voor het karretje van de banken laten spannen en strooit ons zand in de ogen door net te doen alsof alles nu appeltje-eitje is.
Om dat te begrijpen moeten we de geschiedenis induiken. Banken zijn altijd geldscheppende instellingen geweest. Ze lenen meer uit dan ze aan spaarinleg ontvangen. Zolang niet alle spaarders op hetzelfde moment hun spaargeld opvragen is er geen vuiltje aan de lucht. Sterker nog: bank, spaarder en economie hebben er alleen maar baat bij. En spaarders hebben toch geen reden om tegelijk hun spaargeld op te vragen omdat de staat garant staat voor (een deel van) dat spaargeld.
Zo rond 1900 hadden Nederlandse banken ongeveer drie keer zo veel uitgeleend als ze aan spaargelden en eigen vermogen bezaten. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was de hefboom, want zo heet dat tegenwoordig, vier keer het eigen vermogen geworden. Tussen 1950 en 1979, het jaar van de introductie van het garantiestelsel, was dat gestegen naar 25 keer. In 2007, aan de vooravond van de crisis, hadden Nederlandse banken een kapitaaldekking van twee tot drie procent op uitstaande activa; een hefboom dus van tussen de 33 en vijftig!
Basel I en II zijn cruciaal geweest. Stapsgewijs hebben toezichthouders de kapitaaleisen verlaagd en banken in staat gesteld hun omzetten, winsten en bonussen kunstmatig te vermenigvuldigen. Het was de hefboom die het deed. Kleine renteverschillen op simpele bankproducten werden grote winsten en grote bonussen door ze met veel geleend geld tot indrukwekkende proporties op te blazen. Geen wonder dat de banken de onderhandelingen in Basel met argusogen hebben gevolgd: hogere kapitaaleisen betekenen immers kortere hefbomen, lagere omzetten, minder winsten en vooral krimpende bonussen.
De retorische troefkaart was het midden- en kleinbedrijf. Als u wilt dat wij kortere hefbomen gebruiken, kunnen wij minder geld uitlenen en daar, aldus lobbyclub IFF, zijn vooral kleine bedrijven het slachtoffer van; de ruggengraat van uw economie. Een kortere hefboom betekent minder kredietverlening, lagere economische groei, meer werkloosheid, hogere overheidsuitgaven en lagere belastinginkomsten - tel uit je winst!
Afgaand op het feit dat de hogere eisen alle grote banken sparen, hebben de Baselse toezichthouders dit kulargument voor zoete koek geslikt. Onzichtbaar heeft zich namelijk een bancaire revolutie voorgedaan. Banken vervullen steeds minder de klassieke rol van intermediairs die spaargeld aantrekken en leningen uitzetten. In Engeland is de kredietverstrekking aan niet-financiële ondernemingen al decennia vlak. En ook in Nederland zijn bedrijven steeds minder afhankelijk van banken. Wat wél is gegroeid zijn de geldstromen naar andere banken. Voor de crisis bedroeg de omzet op exotische producten als FX swaps, CDS’s, gesecuritiseerde hypotheekproducten en CDO’s een veelvoud van het mondiale economische product.
Oftewel, banken verstrekten geen kredieten maar kochten vooral elkaars verpakte producten, met van elkaar geleend geld, tegen van elkaar verkregen onderpanden die zelf weer bestonden uit elkaars verpakte producten. De bancaire sector is als drie antiekhandelaren op een onbewoond eiland die elkaar steeds opnieuw hetzelfde Biedermeier tafeltje voor steeds meer geld verkopen en daar goed van kunnen leven. Met kapitaaleisen die niemand pijn doen is het voor banken, vrijwel exact drie jaar na de crisis, weer 'business as usual’. Dat is verdomd slecht nieuws voor de belastingbetaler, wat die lui in Zwitserland ook mogen bazelen.