De androgyne volkshelden uit piratenfilms

Geboefte op zee

Het wereldwijde succes van de Pirates of the Caribbean-trilogie van regisseur Gore Verbinski en producent Jerry Bruckheimer valt te verklaren uit het feit dat de films de mythe van de piraat versterken én deconstrueren, zodat een nieuwe figuur gestalte krijgt: de volksboef.

Kapitein Jack Sparrow, hoofdpersoon in Gore Verbinski’s verrukkelijke filmtrilogie Pirates of the Caribbean, is een boef die volmaakt zou passen binnen het paradigma van historicus Eric Hobsbawm, die in de jaren zestig de term social bandit bedacht. Deze social bandits, of volksboeven, zijn afkomstig uit de werkersklasse. Hoewel de staat ze als criminelen beschouwt, blijft het volk de boeven zien als helden, wrekers en strijders voor gerechtigheid, zelfs als leiders in de bevrijdingsstrijd. Zij moeten worden bewonderd en ondersteund. Dat is Jack Sparrow ten voeten uit in de eerste twee afleveringen van Verbinski’s trilogie, Curse of the Black Pearl (2003) en het nieuwe, nog betere Dead Man’s Chest. In de films is Jack (Johnny Depp) een piratenkapitein die zijn schip de Black Pearl kwijtraakt aan de moordzuchtige kapitein Barbossa (Geoffrey Rush). Samen met de meer traditionele held Will Turner (Orlando Bloom) en diens liefje, de rijkeluisdochter Elizabeth Swann (Keira Knightley), gaat Jack op zoek naar zijn schip. En aangezien dit een piratenverhaal is, speurt hij ook naar een verborgen schat. Tijdens de zoektocht stuiten de personages op allerlei bovennatuurlijke wezens. In Dead Man’s Chest is dat de legendarische Davy Jones (Bill Nighy), kapitein van de Vliegende Hollander, een spookschip dat ertoe in staat is de kraak, het mythologische zeemonster, te voorschijn te toveren.

Juist het mythologische karakter van Pirates of the Caribbean legt de basis voor het succes van de filmserie. Zoals Star Wars in de afgelopen dertig jaar deel is geworden van het collectieve bewustzijn door het geraffineerd herschrijven en herschikken van mythen over goed en kwaad en vaders en zonen, raakt Pirates nu een zenuw door het op een massale schaal opdienen van oerverhalen over de piraat als volksboef die sprookjesachtige figuren bevecht. Het mooie aan de eerste twee _Pirates-_films is dat regisseur Verbinski, en ongetwijfeld ook Jerry Bruckheimer, producent van volksvermaak bij uitstek, heel bewust de mythe van de piraat versterken én deconstrueren.

Neem de piraat en de kraak in Dead Man’s Chest. Aan het begin van de film dreigen Will en Elizabeth de doodstraf te krijgen. De corrupte Engelse gouverneur biedt hun een uitkomst: als zij hem het magische kompas van de afzichtelijke piraat Jack Sparrow brengen, zullen zij worden gespaard. Terwijl de keurige heer dit voorstel doet, hijst men buiten zijn werkkamer een gigantische klok naar de top van een toren. Het is duidelijk: de dagen van de piraat zijn geteld, want het tijdperk van de rede is aangebroken. Hierin is geen plaats meer voor zeemonsters en piraten, en al helemaal niet van het soort dat het eeuwige leven blijkt te hebben.

Dat in Black Pearl en Dead Man’s Chest piraten als «levende doden» optreden in een verhaal met mythologische monsters, heeft een symbolische betekenis. In een van de eerste Engelse verwijzingen naar de kraak schrijft Alfred Lord Tennyson:

Below the thunders of the upper deep… The Kraken sleepeth…

Then once by man and angels to be seen

In roaring he shall rise and on the surface die.

Wie de kraak ziet, berooft hem van zijn magie. De mens, als rationeel wezen, is dus de grootste vijand van het magische monster. Dat blijkt ook uit Dead Man’s Chest. In een gevecht met de piraten is het uitgerekend Will, als vertegenwoordiger van het tijdperk van de rede, die een plan beraamt om het monster te verslaan. Het plan houdt in dat Will «moderne» technologie gebruikt. Dat lukt, maar slechts tijdelijk.

Als Will, Elizabeth en de andere piraten zijn gevlucht blijft Sparrow alleen achter op het schip – door Elizabeth vastgeketend aan de mast. Hij heeft geen keus. Hem wacht een wisse dood. Kijk! roepen de piraten vol bewondering, kijk hoe kapitein Jack Sparrow zonder vrees vecht tegen de kraak! Hun geloof in hem kent geen grenzen. Zo blijven er twee mythologische figuren alleen achter en komen zij oog in oog met elkaar te staan: het oermonster en de volksboef.

Johnny Depps Jack Sparrow is een van de mooiste en meest onderschatte acteerprestaties in vele jaren. Toen Depp drie jaar geleden voor een Oscar in de categorie beste bijrolspeler werd genomineerd, kreeg het feit veel aandacht dat hij zijn Sparrow op de Rolling Stone Keith Richards had gebaseerd. En dat was niet moeilijk te zien: net als Richards heeft Depps Sparrow iets doorleefds, alsof hij alles in het leven al heeft meegemaakt, en dat dat ook in alles op zijn lichaam te zien is. Desondanks lijkt het alsof hij geen greintje aan levenslust en optimisme heeft ingeboet. Ook qua kleding en maniertjes lijkt Jack op de Rolling Stone: praten als een dronken man, lang haar met veel kettingen en kralen, hoofddoek, tatoeages en, het belangrijkste, die vreemde, verwijfde manier van lopen, alsof iedere beweging iets ironiserends heeft, alsof Jack (en Keith) de regels van het leven zelf aan het bespotten zijn.

Op het oog is Jack Sparrow een wereld verwijderd van het beroemde geboefte op zee, echt én onecht, bijvoorbeeld Errol Flynn als Captain Blood (Michael Curtiz, 1935), Robert Newton als Long John Silver in Treasure Island (Byron Haskin, 1950), de Nederlandse plunderaar Simon de Danser, die in de zeventiende eeuw groot succes oogstte als piraat in Barbarijnse wateren, of Edward «Blackbeard» Teach, bloeddorstige wreedaard en wellusteling die begin achttiende eeuw een schrikbewind voerde aan boord van zijn schip de Queen Anne’s Revenge, die dronken in staat was te vechten als een beest en die de brandende lonten voor zijn kanonnen nonchalant in zijn baard stak, klaar voor gebruik. De feminiene Jack Sparrow zou zich een ongeluk schrikken als hij Blood, Silver, de Danser of Blackbeard zou tegenkomen. Of zou hij…?

In deze onzekerheid en ambiguïteit rond mannelijkheid en heroïek ligt ook de grote waarde en het plezier van de Pirates of the Caribbean-_trilogie. De films, met Jack als grootste troef, ondermijnen politieke ideologieën en gevestigde iconografieën zonder de traditionele conventies van het piratenverhaal geweld aan te doen. Daar komt bij dat _Pirates vooral een moderne fabel met sterke allegorische trekken is. Volgens sommigen gaat de actualiteit van de films ver. In The Guardian schrijft Brian Logan bijvoorbeeld dat de aloude piraten te vergelijken zijn met een moderne schurk als Osama bin Laden. En Simon Bent, regisseur van het piratentoneelstuk Under the Black Flag, thans te zien in Shakespeares Globe in Londen, zegt in dezelfde krant dat het overvallen van handelsschepen gevuld met goud destijds vergelijkbaar is met «het neerhalen van de Twin Towers in onze tijd».

Volgens deze lezingen is de piraat dus een vroege voorloper van de terrorist. Zou deze zienswijze dan ook passen binnen de kaders van de «social bandit» van Eric Hobsbawm? Het antwoord is niet eenduidig. De volksboef is een soort van terrorist, zeker, doordat hij geweld gebruikt om politieke, sociale en economische ongelijkheden recht te trekken. Maar het valt te betwijfelen of Bin Laden in hetzelfde rijtje kan worden genoemd als Robin Hood, Pancho Villa, Billy the Kid en Jesse James. Dat kan nog niet, want het grote verschil tussen Bin Laden en de anderen is dat figuren als Villa, Jesse of Billy inmiddels volledig zijn opgeslokt door het populaire bewustzijn. Bin Laden mag dan voor miljoenen mensen een vrijheidsstrijder zijn, hij is nog geen figuur in een fictief werk dat door miljoenen mensen wordt gelezen of bekeken. Hij is met andere woorden nog niet fictief genoeg om een echte volksboef te zijn. Pas wanneer Osama bin Laden verzonnen wordt, wanneer hij verzwolgen wordt door zijn eigen mythologie, pas dan zou hij naast Billy the Kid, Jesse James (die als lid van de beruchte bende van Quantrill honderden moorden pleegde tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog) of Jack Sparrow kunnen staan.

Jack… wat een held is hij wel niet, wat een volksboef. Ook al kan hij nauwelijks kaartlezen en weet hij nooit in welke richting moet worden uitgevaren, zijn mannen zijn bereid hem overal naartoe te volgen. Voor hen is Sparrow een bevrijder, een leider die hun rijkdom en status zal bezorgen. Sparrow is een woesteling met gevoel voor ironie en sociale gerechtigheid. Hij is een moderne held.