International Film Festival Rotterdam

Gebogen door het leven

In Le Havre, de nieuwste film van de Fin Aki Kaurismäki, staan net als in zijn eerdere werk de losers centraal, de mensen die altijd de klappen krijgen en in wier leven het al snel feest is, want er valt weinig te verwachten.

DE GESCHIEDENIS van de film is de liefhebberij van filmers en cinefielen. Op scholen is er geen aandacht want geen tijd voor. In bioscopen draait vaak alleen het nieuwste werk. Op televisie zijn oude films hoofdzakelijk ’s ochtends bij Arte en de BBC te zien. Film- en arthouses doen wat ze kunnen. Er is maar één filmmuseum in Nederland, dat ook nog een aantal andere taken te vervullen heeft dan films vertonen. En in kranten en tijdschriften mag je al blij zijn als er een filmhoekje wordt ingeruimd voor de hobby van een oudere filmer (zoals Paul Verhoeven in de Volkskrant).
Het is dan ook niet verbazend dat filmers steeds vaker zélf de rijke filmgeschiedenis als onderwerp gaan nemen voor bijzondere producties, om zo nieuw publiek nieuwsgierig te maken naar wat vooraf ging. Dan kan dat publiek zich daarna met een paar dvd-boxen zelf bijspijkeren. Na het enorm succesvolle The Artist, over filmsterren die de overgang naar de geluidsfilm meemaakten, is vanaf komende week ook Scorsese’s Hugo te zien, als een van de hoogtepunten van het Film Festival Rotterdam. Daarin staat de negentiende-eeuwse grondlegger van de fantastische film, Georges Méliès centraal. Naast zulke grote megaprojecten zijn er ook filmers die het subtieler aanpakken, waarbij de verwijzingen een extra laag aan de films toevoegen, als een cadeau voor alle ijverige filmstudenten.
De Fin Aki Kaurismäki is zo iemand die iedere keer weer de filmkennis van zijn publiek op de proef stelt. Le Havre is zijn nieuwste film, de start van een drieluik over Europese havensteden, en zijn meest toegankelijke tot nu toe. Le Havre werd al diverse keren bekroond (Cannes, Sarajevo, Prix Delluc in Frankrijk) en ziet er ook om andere redenen uit als een keerpunt in Kaurismäki’s werk. De film is ondanks alles lichtvoetig, ironisch maar vooral schilderachtig, door het gebruik van licht en kleur. Kaurismäki lijkt zich ervan bewust te zijn geweest dat hij rondliep op de geboortegrond van Franse en Engelse impressionisten als Monet, Renoir, Sisley en Whistler. Hij schildert met licht en gebruikt muziek als tekst in het bewegende schilderij dat Le Havre werd.
Voor sommige filmers (of schrijvers, of beeldend kunstenaars) geldt dat één werk genoeg kan zijn om het hele oeuvre te kennen, en als je er één hebt gezien, heb je ze eigenlijk allemaal gezien, terwijl je iedere keer weer verbaasd kunt staan over de nieuwe varianten. Voor Kaurismäki is dat Het meisje uit de luciferfabriek (1990), een ironische verwijzing naar het sprookje Het meisje met de zwavelstokjes. Alleen legt deze Finse versie zich niet neer bij haar lot, en neemt gruwelijk wraak. Kaurismäki vertelt vaak verhalen over mensen die leven aan de rafelrand van de maatschappij. Soms verzetten ze zich, soms loopt het goed met ze af, soms slecht. Het lijkt niet uit te maken, want ten slotte ga je allemaal dood. Kaurismäki houdt van de losers in dit leven, de mensen die met gebogen hoofd rondlopen en altijd de klappen krijgen. Soms gunt hij ze een beter leven, dan geeft hij ze een happy end. Maar dat geluk is dan weer zó uitzonderlijk en onwaarschijnlijk dat het vooral ironisch werkt. Die ironie, gekoppeld aan ranzige rockmuziek uit de jaren zeventig, geeft al zijn films de sublieme eigen sfeer, die maakt dat je wilt dat ze nooit ophouden. Filmers met zo'n volstrekt eigen handschrift, en zo'n groot oeuvre, zijn schaars, en alleen al daarom is hij zo op zijn plaats in Rotterdam. Het festival is ervoor gemaakt.

KAURISMÄKI werkte ooit als bouwvakker en leerde op die manier zijn latere filmstof goed kennen. Hij moet nauwelijks opgevallen zijn, want de grote norse Fin zou zo een hoofdrol in zijn eigen films kunnen spelen. Aanvankelijk had hij daarnaast vooral literaire ambities. Totdat hij op een keer in Londen door zijn broer werd meegenomen naar een bioscoop om de film Tokyo Story van de Japanse filmer Ozu te zien. ‘Ozu-san’, zegt hij in een komische opname die terug te vinden is op YouTube, 'ik ben een slechte filmer, die elf films heeft gemaakt en er nog zeker dertig zal maken, en dat is allemaal uw schuld. Dat komt doordat ik uw Tokyo Story zag. Ik kon daarna niet meer schrijven. Sindsdien ben ik op zoek naar uw rode ketel.’ Met dat laatste doelt hij op de kale kamers van Ozu, waarin elk object uit het interieur, zoals een rode ketel, zorgvuldig wordt opgenomen in de compositie die bepaald wordt door een camera die laag op de grond staat - parallel aan de zittende mensen die Ozu portretteert. Ozu was een meester in cadrage van schijnbaar onbeduidende mensen, objecten en gebeurtenissen, en Kaurismäki doet hem dat na. Hij geeft ze, net als Ozu in de jaren vijftig, betekenis, een aureool, een leven dat er wél toe doet, een leven dat gezien mag worden.

DE HOOFDPERSOON van Le Havre is een schoenpoetser. Nu is schoenen poetsen een bedrijvigheid die net zo ouderwets is geworden als punten slijpen. Mensen dragen sportschoenen die ze in de wasmachine wassen, en potloden zijn vervangen door toetsenborden en wegwerppennen. Door te beginnen met een beeld van zo'n nutteloze schoenpoetser neemt Kaurismäki zijn toeschouwers dan ook mee op een dromerige tijdreis die steeds zal blijven schommelen tussen de jaren veertig en de 21ste eeuw. Voor Kaurismäki, die zijn carrière begon met een verfilming van Dostojevski’s Misdaad en straf, is tijdsbepaling dan ook van weinig belang. Net als plaatsbepaling trouwens - want hoewel afkomstig uit dat grote, sombere land met zijn eindeloze wegen, bossen en meren, richt Kaurismäki zich op de randen van de stad, en die zijn internationaal. Weliswaar kiest hij hier voor het Franse Le Havre, maar als stadsbeeld had het net zo goed Helsinki kunnen zijn, waar zijn eerste films zijn gesitueerd (of het Baltimore van The Wire - dat zou nog eens een cultuurschok opleveren). Alleen was in dat geval de aanwezigheid van acteurs als André Wilms en Jean-Pierre Léaud veel moeilijker te verklaren geweest. Net zo min als het typisch Franse café Moderne, de kruidenier bij wie je op de pof kunt kopen en de bakker waar het stokbrood altijd vers is. En helemaal erg: hij had het impressionistische licht dan gemist.
Het belangrijkste onderscheid met alle andere mogelijke steden is echter dat er dicht bij Le Havre écht een plaats ligt die door geen enkele andere te vervangen is, en die in deze film aan het slot een hoofdrol krijgt: Calais. Hier verzamelen zich dicht bij de Kanaaltunnel de 'economische gelukzoekers’ die Engeland als voorkeurbestemming hebben. Het is ook het reisdoel van een groep asielzoekers die voortijdig wordt ontdekt in een container op een verlaten haventerrein. Terwijl de politie de groep bekijkt, vlucht de jonge Idrissa (Blondin Miguel) en weet zich te verstoppen in de haven. Hij wordt daar gevonden door Marcel Marx (Wilms), de schrijver die schoenpoetser werd. Terwijl zijn vrouw in het ziekenhuis belandt met een ernstige ziekte ontfermt Marcel zich over Idrissa, zodat hij weer iemand heeft om voor te zorgen. Zoals in meer films van Kaurismäki is het verhaal van Le Havre dan al gestart met een staaltje zinloos geweld - een criminele afrekening van een man met zojuist gepoetste schoenen. Het introduceert de typische grondtoon uit Kaurismäki-films: een constante dreiging van geweld vermengd met structurele eenzaamheid en het verlangen naar geluk. Zijn hoofdfiguren hebben in films zelden getoonde beroepen als vuilnisman, mijnwerker of caissière. In hun levens is het al snel feest, want alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Dat geldt ook voor schoenpoetser Marcel, die samenleeft met zijn Arletty (Kati Outinen), een toegewijde maar ziekelijke huisvrouw, in een bescheiden arbeiderswoning, in de onmiddellijke nabijheid van de bakker, de kruidenier en de kroeg, waar Madame Claire hem zuinige glaasjes schenkt. Ook in dat opzicht start met Le Havre een nieuw hoofdstuk in het oeuvre van Kaurismäki. De grauwe buitenwijken met hun desolate danslokalen en bingohallen zijn vervangen door inmiddels romantisch ogende omgevingen die bekend zijn uit de neorealistische films van de jaren veertig en vijftig, en hun voorlopers. Ook daarin stonden gewone mensenlevens centraal, van mensen die het moesten rooien in het Italië, Frankrijk en Engeland van die naoorlogse dagen.

KAURISMÄKI’S werk is wel vergeleken met de films uit de jaren zestig en zeventig van Godard en Fassbinder. Dat klopt wat betreft de transistorradio’s, jurken, meubels en de keukeninventaris. Maar in Le Havre duikt hij nog wat dieper de filmgeschiedenis in, op zoek naar voorbeelden die zijn film helemaal tijdloos maken waardoor zijn verhalen aan universele zeggingskracht winnen. Hier waaien opeens flarden Carné (Le Quai des Brumes) voorbij. Tegen deze achtergrond speelt dit hedendaagse sprookje zich af. Want een sprookje is het. De illegaal krijgt hier wél hulp, hij wordt door de havenbewoners verborgen alsof hij een gedropte geallieerde vlieger is, ze zamelen met een rockconcert (starring: Little Bob) geld voor hem in, zodat de illegale overtocht naar Engeland betaald kan worden. Het adres van zijn moeder in Londen wordt achterhaald en de rest van zijn familie in Calais wordt gewaarschuwd. Kortom: het is allemaal te mooi om waar te zijn wat er daar in Le Havre gebeurt, onder de rook van de humanitaire ramp die Calais heet.
Kaurismäki maakte zijn eerste films tegen de achtergrond van de Finse economische bloei met Nokia als symbool van die welvaart. Hij moest daar niets van hebben. Er zijn in zijn films zelden mobiele telefoons te bekennen. De urgentie van zijn werk bestaat uit het lot van mensen midden in die kapitalistische overconsumptie. Dat lot verbetert nauwelijks. In die zin zijn Kaurismäki’s films profetisch. Want het tijdloze beeld dat hij tot en met Le Havre schetst zou met enige fantasie en kennis van de wereldeconomie makkelijk actueel kunnen worden voor veel grotere groepen dan zijn inmiddels indrukwekkende verzameling verschoppelingen.

Te zien op het International Film Festival
Rotterdam (25 januari t/m 5 februari,
www.filmfestivalrotterdam.com).
Vanaf 2 februari in landelijke distributie.