Toneel

GEBOORTE VAN EEN MONSTER

TONEEL Britannicus

De eerste keer dat wij Junia, de geliefde van titelheld Britannicus te zien krijgen, staat ze niet tegenover haar lief maar tegenover zijn stiefbroer, keizer Nero. Junia is kort daarvoor als een zak meel op het speelvlak geflikkerd, met een trui over haar hoofd, onherkenbaar. Als ze opstaat zien we een vrouw die zwaar is mishandeld en verkracht. Ze laat een klein plasje bloed op de vloer achter. Als Nero haar zijn liefde bekent valt minutenlang haar mond open: afgrond vol bloed. Dit staat niet in de toneeltekst. Het is de beeldtaal van Thibaud Delpeut (1978), de pas afgestudeerde regisseur, die deze voorstelling maakte met toneelspelers van Toneelgroep Amsterdam in coproductie met de Toneelschuur in Haarlem.

In Britannicus (1669), van de Franse schrijver Racine (1639-1699), zijn de vrouwen ofwel slachtoffer (Junia), of naar macht hengelende kakmadammen (Nero’s moeder Agrippina), of verbijsterd toekijkende slovers (Albina, vertrouwelinge van Agrippina). Verder is Britannicus een uitgesproken mannen_stuk. Over de geboorte van het monster Nero, die naar iedereen luistert maar uiteindelijk alleen naar zijn duistere inborst. De titelheld is als ‘goede tweede’ vroegtijdig terzijde geschoven en lijkt zich in dat lot te schikken. Nero is het gezeik over zijn vermeende gebrek aan charisma beu en wil een aantal daden tegelijk stellen: zijn eeuwig zanikende moeder _kaltstellen, het liefje van zijn stiefbroer stelen, en zich van zijn leraar ontdoen. Het vierde offer is hij bijna vergeten: hij moet stiefbroer Britannicus, zijn eeuwige schaduw, vermoorden.

Over de lange weg daarheen gaat dit geniale taalmausoleum. Regisseur Delpeut en zijn spelers laten Racine’s regels (in de onovertroffen vertaling van Laurens Spoor) klinken alsof ze gisteren werden bedacht: een commentaar op het gekuip van politici die leven bij de waan van de dag. De voorstelling actualiseert niks, dit griezelkasteel is het decor voor een vertelling over de liefdeloosheid van machtshonger. De regisseur maakte een spelonkachtig geluidsdecor met harde klappen als cesuur tussen de vijf bedrijven. Het samenstellen van een toneelspelersgroep is de helft van het werk van een regisseur; ook hierin slaagt Delpeut meesterlijk. De vrouwenrollen zijn prachtig bezet: Marieke Heebink (Agrippina) bezorgde me koude rillingen. Markoesa Hamer (Junia) en Alejandra Theus (Albina) had ik nog nooit gezien, dat gaat veranderen. Fred Goessens en Barry Atsma spelen respectievelijk de opvoeder van Nero en Britannicus, de zachtmoedige versus de machiavellist. Dat doen ze geweldig. Alwin Pulinckx geeft Britannicus exact de juiste, wanhopige toon. Eelco Smits maakt van Nero een eng ventje met foute discopakken, die het woord ‘gerucht’ niet kan uitspreken zonder te stotteren.

Tot slot nog een gratis advies aan de dames en heren van Toneelgroep Amsterdam en de Toneelschuur: dit project werkt alleen als de jonge regisseur zijn werk drie weken mag tonen op één locatie in seizoen A, waarna de voorstelling bij succes op tournee gaat langs de schouwburgen in seizoen B. Anders is deze ondersteuning van nieuw talent een loze scheet in een netje.

Britannicus, Toneelschuur Haarlem, t/m 1 december